Einde inhoudsopgave
De invloed van werknemers op de strategie van de vennootschap (IVOR nr. 95) 2014/3.1
1 Inleiding
mr. M. Holtzer, datum 03-04-2014
- Datum
03-04-2014
- Auteur
mr. M. Holtzer
- JCDI
JCDI:ADS390032:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Ondernemingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor een bespreking van de parlementaire geschiedenis van (1) de WOR: Honée 1981, Van Vliet 1980, Verburg 2007, Van Mierlo 2013 en Rood/Verburg; (2) het enquêterecht: Boukema, Geerts 2004 en Veenstra 2010; (3) de structuurregeling: Lennarts/Wezeman, Brink e.a. 1998 en De Nijs Bik 2004.
‘Herziening van het ondernemingsrecht’, rapport van de Commissie ingesteld bij beschikking van de minister van Justitie van 8 april 1960, Staatsuitgeverij ’s-Gravenhage 1967 (‘rapport-Verdam’).
SER-advies inzake de herziening van het ondernemingsrecht 19 september 1969, uitgave van de Sociaal-Economische Raad 1969, nr. 14 (‘SER-advies Herziening ondernemingsrecht’).
SER-advies Herziening ondernemingsrecht, p. 6.
In dit hoofdstuk bespreek ik de ontwikkeling die heeft geleid tot de huidige wetgeving op het gebied van de positie van de factor arbeid in de besturing van de onderneming. Ik beperk mij tot die thema’s die voor de probleemstelling van dit onderzoek rechtstreeks van belang zijn. Het gaat dan vooral om de WOR, het enquêterecht en de structuurregeling. Ik zal mij niet zozeer richten op de technische en systematische uitwerking van die wetgeving, maar mij concentreren op de elementen waarin de invloed van werknemers op het strategisch beleid van de vennootschap tot uitdrukking komt. Voor een gedetailleerde analyse van de parlementaire geschiedenis van die wetten verwijs ik naar de literatuur op dit terrein.1
Onze huidige wetgeving op dit gebied volgt uit een grondige herziening van het Nederlandse ondernemingsrecht aan het einde van de jaren zestig van de twintigste eeuw. Deze herziening is ingezet door het verschijnen van het rapport-Verdam,2 waarin ingrijpende wijzigingen werden voorgesteld bij onder meer de WOR, het enquêterecht en de structuur van de vennootschap. Daarin kreeg het werknemersbelang een duidelijke eigen plaats. Voorts werd gepleit voor het instellen van een gespecialiseerd rechterlijk college, de Ondernemingskamer. De conclusies uit het rapport-Verdam zijn, met wijzigingen of aanvullingen, overgenomen door de SER.3
Zowel het rapport-Verdam als het SER-advies kwam voort uit een maatschappelijke ontwikkeling waarvanuit de wens was ontstaan om grotere betrokkenheid van werknemers bij het ondernemingsbestuur te bereiken. Deze ontwikkeling werd gekenmerkt door grotere mondigheid van de burger, een gevoel van maatschappelijk onbehagen, onzekerheid over behoud van de arbeidsplaats, de invloed van moderne communicatiemiddelen en de vrees voor het ontstaan van een consumptiemaatschappij4 – omstandigheden die overigens ook nu nog een rol van betekenis lijken te spelen. De aanbevelingen van de commissie-Verdam en de SER hebben geleid tot wetgeving die grotendeels nog altijd van kracht is.