Redelijkheid en billijkheid als gedragsnorm
Einde inhoudsopgave
Redelijkheid en billijkheid als gedragsnorm (R&P nr. CA6) 2012/6.2:6.2 Uitleg van commerciële contracten
Redelijkheid en billijkheid als gedragsnorm (R&P nr. CA6) 2012/6.2
6.2 Uitleg van commerciële contracten
Documentgegevens:
mr. P.S. Bakker, datum 01-12-2012
- Datum
01-12-2012
- Auteur
mr. P.S. Bakker
- JCDI
JCDI:ADS592063:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Vermogensrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
De term is ontleend aan Eggens 1949, p. 202.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Zagen wij hiervoor reeds dat in het perspectief van de in hoofdstuk 1 verkregen visie op redelijkheid en billijkheid als dwingende gedragsnorm de gebondenheid aan het overeengekomene dogmatisch opnieuw gefundeerd kon worden, hetzelfde kan worden gezegd over het leerstuk van de uitleg van contracten. Niet zelden wordt uitleg gezien als een bij uitstek rechterlijke taak. De rechtsnorm die bij die uitleg dient te worden gehanteerd is, naar algemeen wordt aangenomen, de redelijkheid en billijkheid. Vat men dit begrippenpaar (zoals vaak lijkt te gebeuren) enkel of primair op als vage of open rechterlijke beslissingsnorm, dan vallen het rechterlijk uitlegoordeel en de maatstaven van redelijkheid en billijkheid welbeschouwd samen: gevolg van deze visie is dat de rechter onder het mom van redelijkheid en billijkheid kan uitleggen zoals dit hem "in redelijkheid" goeddunkt. Redelijkheid kan in zo'n geval een synoniem worden voor "freies richterliches Ermessen" en een façade worden voor "willekeur en wille-keuze"1 Anders ligt dit indien men, zoals — als sequeel van de in hoofdstuk 1 gemaakte keuze — in hoofdstuk 3 gebeurt, het uitleg-leerstuk benadert vanuit het gedragsnormkarakter van de redelijkheid en billijkheid. Alsdan verschuift de focus van de rol van de rechter bij de uitleg naar die van partijen en ontstaat er ruimte voor de gedachte dat de uitleg van overeenkomsten niet is voorbehouden aan de rechter, maar vooral een (met het oog op de uitvoering van de overeenkomst niet zelden onontbeerlijke) taak van partijen zelf te achten is. Deze uitlegtaak moet — evenals de uitvoering van het overeengekomene — door partijen worden vervuld met inachtneming van de door art. 6:2 BW gestelde eis aan partijen tot redelijk en billijk gedrag over en weer, hetgeen met zich brengt dat partijen ook bij de uitleg van hun overeenkomst gehouden zijn om met elkaars gerechtvaardigde belangen rekening te houden. Zij dienen bij die uitleg hun persoonlijke voor- of willekeur te laten varen en steeds beslissende betekenis toe te kennen aan de omstandigheden van het concrete geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen. In hoofdstuk 3 heb ik laten zien dat het aldus vanuit het gezichtspunt van partijen opvatten van het uitlegproces bijdraagt aan een beter begrip van de wijze waarop (commerciële) contracten dienen te worden uitgelegd en aan een beter begrip van de leidende rechtspraak van de Hoge Raad over dit onderwerp. In het bijzonder werd daarbij aandacht besteed aan het bekende PontMeyer arrest, waarbij werd geconstateerd dat eerst in het licht van het gedragsnormkarakter van de redelijkheid en billijkheid aan dit arrest een zinvolle betekenis kan worden gegeven, in dier voege dat dit arrest geen bewijs vormt van de terugdringing van de redelijkheid en billijkheid bij de uitleg van commerciële contracten, maar veeleer bevestigt dat ook bij dit type contracten de eisen van redelijkheid en billijkheid op de hiervoor beschreven wijze de uitleg van het overeengekomene dicteren.