Einde inhoudsopgave
De enquêtegerechtigden bij de NV en de BV (VDHI nr. 153) 2018/1.3.2
1.3.2 De afbakening van het onderzoek
mr. K. Spruitenburg, datum 01-08-2018
- Datum
01-08-2018
- Auteur
mr. K. Spruitenburg
- JCDI
JCDI:ADS381833:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Voor zover bij mij bekend zijn er tot op heden geen enquêteverzoeken ingediend bij onderlinge waarborgmaatschappijen.
Zie OK 16 juli 2004, ARO 2004/96 (Citadel Beheer). Zie ook HR 13 mei 2005, NJ 2005/298;JOR 2005/147 (Zeelandia Curaçao).
Op grond van art. 24 lid 2 Brussel I-bis is de rechter van de vestigingsplaats van de rechtspersoon exclusief bevoegd, zie T&C BW/Van Solinge, art. 10:119 BW, aant. 5 en T&C BW/Van Solinge, Titel 8 Boek 10 BW, Inleidende opmerkingen, aant. 2 (online bijgewerkt tot 1 juli 2017).
Verbrugh en Timmerman (2009) pleiten bijvoorbeeld voor een zekere uitbreiding van het toepassingsbereik van het enquêterecht. Zij zouden graag zien dat de Nederlandse wetgever het enquêterecht, zij het in verlichte vorm, op buitenlandse vennootschappen met vrijwel uitsluitend activiteiten in Nederland van toepassing verklaart.
Het onderzoek beperkt zich tot de juridische aspecten van de toegang tot het enquêterecht bij de NV en BV. De enquêteprocedure vervult vooral een rol bij deze kapitaalvennootschappen. Het is denkbaar ook hoofdstukken te wijden aan de toegang tot het enquêterecht bij stichtingen, verenigingen (alsmede de coöperatie en onderlinge waarborgmaatschappij). Enquêteverzoeken bij stichtingen, verenigingen en coöperaties vinden echter relatief weinig plaats.1 Slechts in een aantal van die procedures doen zich ontvankelijkheidsvragen voor. Deze beschikkingen behandel ik wel in mijn onderzoek. Het oordeel over de ontvankelijkheid kan mutatis mutandis van waarde zijn voor de toegang tot het enquêterecht bij de NV en BV.
Een enquête kan niet plaatsvinden bij vennootschappen naar buitenlands recht, ook niet indien zij alle of nagenoeg alle activiteiten in Nederland ontplooien.2 Dit volgt uit de opsomming van rechtspersonen naar Nederlands recht in art. 2:344 BW. Afgezien daarvan heeft de OK geen rechtsmacht om kennis te nemen van een enquêteverzoek ten aanzien van een buitenlandse rechtspersoon.3 Voor beschouwingen over de wenselijkheid van de toepassing van het enquêterecht op formeel buitenlandse vennootschappen verwijs ik naar andere literatuur.4 Ik bespreek in dit onderzoek enkel de toegang tot het enquêterecht bij een naar Nederlands recht opgerichte NV en BV.
Ik besteed voorts zijdelings aandacht aan de bezwarenplicht van art. 2:349 lid 1 BW. In de praktijk geeft deze bepaling niet veel aanleiding tot discussie. De OK gaat doorgaans ruimhartig om met deze regel. De werking van dit artikel komt alleen aan de orde bij de nieuwkomers in het enquêterecht per 1 januari 2013: de vennootschap zelf en de curator.