Einde inhoudsopgave
Verlofstelsels in strafzaken (SteR nr. 37) 2018/4.2.d
4.2.d Werking in beroep
mr. G. Pesselse, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. G. Pesselse
- JCDI
JCDI:ADS604691:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie onder meer EHRM 22 februari 1984, nr. 8209/78 (Sutter/Zwitserland) (cassatie); EHRM 2 maart 1987, nr. 9562/81 & 9818/82, NJ 1991/165, m.nt. Alkema (Monnell & Morris/Verenigd Koninkrijk) (verlof); EHRM 14 december 1999, nr. 34791/97 (Khalfaoui/ Frankrijk) (cassatie); EHRM (GK) 18 oktober 2006, nr. 18114/02, EHRC 2007/4, m.nt. Attinger (Hermi/Italië) (hoger beroep); EHRM 26 juli 2007, nr. 32911/96, 35237/97 & 34595/97 (Meftah e.a./Frankrijk) (cassatie); EHRM 2 juni 2009, nr. 34165/05, NJ 2010/326, m.nt. Buruma (R.H./Finland) (verlof).
Zie uitdrukkelijk EHRM 19 mei 2009, nr. 18353/03, EHRC 2009/95, m.nt. De Vocht (Kulikowski/Polen); zie ook de opsomming van zaken in van EHRM 22 november 2011, nr. 48132/07 (Andreyev/Estland).
EHRM 14 december 1999, nr. 34791/97 (Khalfaoui/Frankrijk); EHRM 11 juli 2002, nr. 36534/97, EHRC 2002/80, m.nt. Jansen (Osu/Italië); EHRM (GK) 26 juli 2002, nr. 32911/ 96, 35237/97 & 34595/97 (Meftah e.a/Frankrijk); EHRM 19 mei 2009, nr. 18353/03, EHRC 2009/95, m.nt. De Vocht (Kulikowski/Polen); EHRM 22 november 2011, nr. 48132/07 (Andreyev/Estland).
EHRM (GK) 29 juli 1998, nr. 24767/94 (Omar/Frankrijk). EHRM (GK) 29 juli 1998, nr. 25201/94 (Guérin/Frankrijk), waarin in het kader van de toegang tot cassatie waarde wordt gehecht aan het feit dat na cassatie geen beroep meer openstaat.
Zie uitdrukkelijk over het beginsel van gelijkheid van wapenen EHRM 30 oktober 1991, nr. 12005/86, NJ 1992/73, m.nt. Alkema & Van Veen (Borgers/België), waarin het Hof overweegt “[t]he fact that the Court of Cassation’s jurisdiction is confined to questions of law makes no difference in this respect”. Aldus ook Van Dijk, Van Hoof e.a. 2006, p. 566.
Zie minder terughoudend Stavros 1993, p. 282; en Kuijer 2004, p. 133.
HR 14 april 1980, NJ 1981/401, m.nt. Van Veen; HR 18 februari 1986, NJ 1987/62; zie ook HR 24 februari 1960, NJ 1960/483, m.nt. Röling.
Paragraaf 3.2a.
Dat het recht op een eerlijk proces van toepassing is op gewone rechtsmiddelen en verlofstelsels, betekent intussen niet dat aan berechting in eerste aanleg, hoger beroep en cassatie identieke eisen worden gesteld. Vaste rechtspraak is dat de betekenis van artikel 6 EVRM in beroep “depends on the special features of the proceedings involved; account must be taken of the entirety of the proceedings in the domestic legal order and of the role of the appellate court therein”.1 Het EHRM maakt de betekenis van het recht op een eerlijk proces in beroep afhankelijk van de bijzondere kenmerken van het rechtsmiddel en daarmee – tot op zekere hoogte2 – afhankelijk van nationaal recht.
Het is lastig om aan dit mechanisme voor relativering algemene conclusies te verbinden. Enerzijds mogen bijvoorbeeld bij een appeal on points of law bepaalde nationale regels over de toegang tot beroep formeler en strenger worden toegepast dan bij een rechtsmiddel waarin ook feitelijke kwesties kunnen worden herbeoordeeld.3 Anderzijds verdient de behandeling van de zaak bij het gerecht in laatste instantie, “whose consequenses may prove decisive for the accused”, soms juist bijzondere aandacht.4 Weer andere aspecten van het recht op een eerlijk proces staan los van de fase waarin de procedure als geheel zich bevindt. Denk aan het zwijgrecht, recht op vrij verkeer met de raadsman en de eis van onafhankelijkheid aan de rechter. Deze rechten zijn even sterk van toepassing in beroep als in eerste aanleg.5 Kortom: of en op welke manier de special features van een beroepsinstantie de werking van een eerlijk-procesrecht beïnvloeden, verschilt per eerlijk-procesrecht. Algemene uitspraken over de werking van artikel 6 EVRM in beroep en op verlofstelsels kunnen daarom beter worden vermeden.6
Tot slot is van belang dat Nederland bij artikel 6 EVRM geen voorbehoud heeft gemaakt. Hoewel artikel 6 EVRM een eenieder verbindende verdragsbepaling is, oordeelde de Hoge Raad dat de bepaling “noch enig ander artikel van dit verdrag een voor rechtstreekse toepassing door de rechter vatbare bepaling in[houdt] waarbij aan de rechterlijke macht der onderscheiden verdragsstaten een grotere rechtsmacht wordt verleend dan de nationale wet haar toekent”.7 Artikel 6 EVRM heeft geen rechtstreekse werking in de Nederlandse rechtsorde voor zover het een uitbreiding zou vereisen van de bestaande rechtsmacht in eerste aanleg, hoger beroep en cassatie – zo lees ik dit citaat. Die uitleg strookt met het oordeel van de Hoge Raad over de werking van artikel 14 lid 5 IVBPR.8