Einde inhoudsopgave
Verlofstelsels in strafzaken (SteR nr. 37) 2018/4.2.b
4.2.b Toepassingsbereik en verlofstelsels
mr. G. Pesselse, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. G. Pesselse
- JCDI
JCDI:ADS609519:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Aldus ook Keulen 2004, p. 85.
Vgl. Stavros 1993, p. 273.
Zie bijv. EHRM 2 maart 1987, nr. 9562/81 & 9818/82, NJ 1991/165, m.nt. Alkema (Monnell & Morris/Verenigd Koninkrijk); ECRM 7 mei 1987 (ontv.), nr. 11816/85 (McWilliam/ Verenigd Koninkrijk); EHRM 12 juni 2006 (ontv.), nr. 24079/02 (Stepenska/Oekraïne); EHRM 5 april 2011 (ontv.), nr. 26017/07 (Kocherga/Oekraïne); EHRM 22 februari 2011, nr. 26036/08, NJ 2012/306, m.nt. Schalken (Lalmahomed/Nederland); EHRM 2 oktober 2014, nr. 15319/09, AB 2015/54, m.nt. Barkhuysen & Van Emmerik (Hansen/Noorwegen); aldus ook Van Dijk, Van Hoof e.a. 2006, p. 566; Emmerson, Ashworth & Macdonald 2012, p. 888.
Zie bijv. (zowel civiele als strafzaken) ECRM 2 oktober 1984, nr. 10515/83 (M./Zweden); ECRM 7 juni 1986 (ontv.), nr. 11453/85 (E./Zweden); ECRM 15 juli 1987 (ontv.), nr. 11855/85 (Håkansson & Sturensson/Zweden); ECRM 15 oktober 1987 (ontv.), nr. 12699/87 (N./Bondsrepubliek Duitsland); ECRM 9 november 1987 (ontv.), nr. 12972/87 (Porter/Verenigd Koninkrijk); ECRM 9 mei 1989 (ontv.), nr. 11826/85 (Helmers/Zweden); ECRM 10 juli 1989 (ontv.), nr. 11274/84 (A./Zweden); ECRM 4 oktober 1989 (ontv.), nr. 12631/87 (Fejde/Zweden); ECRM 13 oktober 1993 (ontv.), nr. 17694/91 (Korppoo/Finland); ECRM 18 oktober 1995 (ontv.), nr. 22470/93 (Jacq/Finland); ECRM 16 oktober 1996 (ontv.), 29106/95 (Comninos & National Justice Compania Naviera/Verenigd Koninkrijk); ECRM 16 april 1998 (ontv.), nr. 30519/96 (Karjalainen/Finland); EHRM 1 juni 1999 (ontv.), nr. 43828/98 (Kangasniemi/Finland); EHRM 4 mei 2000 (ontv.), nr. 32051/96 (Jääskeläinen e.a./Finland); EHRM 7 juni 2001 (ontv.), nr. 33898/96 (Leinonen/Finland); EHRM 11 december 2001 (ontv.), nr. 46601/99 (M.S./Finland); EHRM 5 november 2002 (ontv.), nr. 30605/02 (Suslo/ Oekraïne); EHRM 4 mei 2004 (ontv.), nr. 61560/00 (Hautakangas/Finland); EHRM 22 juni 2004 (ontv.), nr. 59578/00 (Ilvesviita-Sallinen/Finland); EHRM 11 oktober 2005 (ontv.), nr. 67092/01 (Shykyta/Oekraïne).
ECRM 1 juli 1998 (ontv.), nr. 35541/97 (Oll/Estland); ECRM 21 oktober 1998 (ontv.), nr. 40108/98 (Stalas/Estland); ECRM 21 oktober 1998 (ontv.), nr. 41457/98 (Heinmaa & Lugina/Estland).
ECRM 4 september 1996 (ontv.), nr. 27074/95 (Nordigård/Zweden).
Zie zelfs ten aanzien van ontvankelijkheid van het beroep in het algemeen ECRM 12 oktober 1994 (ontv.), nr. 20572/92 (P.S./Zwitserland); buiten beschouwing blijven de beslissingen waarin de toepasselijkheid van artikel 6 EVRM juist in het midden blijft, omdat wordt vastgesteld dat de klachten falen, zie bijv. EHRM 12 november 2002, nr. 38629/97 (Lundevall/Zweden); ECRM 8 oktober 1991 (ontv.), nr. 17925/91 (Kaunisto/Finland); ECRM 26 oktober 1995 (ontv.), nr. 20087/92 (E.M./Noorwegen); ECRM 27 november 1996 (ontv.), nr. 25944/94 (Peterson Sarpsborg e.a./Noorwegen); ECRM 6 maart 1982 (ontv.), nr. 8231/78 (X./Verenigd Koninkrijk); EHRM 6 januari 2009 (ontv.), nr. 20532/05 (Viinikanoja/Finland).
Zie van de honderden zaken bijv. EHRM 23 juli 2003, nr. 36985/97 (Vastberga Taxi Aktiebolag & Vulic/Zweden).
EHRM 21 januari 2014 (ontv.), nr. 47450/11, 26659/12 & 53966/12 (Valchev e.a./Bulgarije) (civiel).
EHRM 2 oktober 2014, nr. 15319/09, AB 2015/54, m.nt. Barkhuysen & Van Emmerik (Hansen/Noorwegen).
Alkema in zijn noot onder EHRM 2 maart 1987, nr. 9562/81 & 9818/82, NJ 1991/165, (Monnell & Morris/Verenigd Koninkrijk).
Aangezien de weigering verlof tot beroep even bepalend is voor het lot van de verdachte als de ongegrondverklaring van zijn beroep, en omdat het eindoordeel over de strafzaak bij aanvang van hoger beroep of cassatie nog niet onherroepelijk is, ligt het binnen het hiervoor geschetste kader voor de hand dat artikel 6 EVRM ook van toepassing is op inhoudelijke en vrije verlofstelsels.1 Het zou bovendien onlogisch zijn als artikel 6 EVRM wel van toepassing is op de inhoudelijke berechting in hoger beroep of cassatie, maar niet de beoordeling van de ontvankelijkheid van die rechtsmiddelen. Dan zou het namelijk toegelaten zijn dat schakels in de gehele strafprocedure oneerlijk verlopen, althans dat op die schakels de eisen van een eerlijk proces niet van toepassing zouden zijn.2 In lijn hiermee is artikel 6 EVRM dan ook in veel zaken op leave to appeal van toepassing verklaard.3
Toch oordeelden de Straatsburgse organen in een grote hoeveelheid andere uitspraken en beslissingen dat het recht op een eerlijk proces niet op leave to appeal proceedings van toepassing is, laatstelijk in 2005.4 Dit gebeurde omdat in dergelijke procedures geen beslissing over burgerlijke rechten of verplichtingen of over een strafrechtelijke vervolging als zodanig centraal staat, maar de beperkte en preliminaire vraag of verlof tot beroep moet worden verleend. Deze redenering is ook toegepast in gevallen waarin de verlofvoorwaarde noopt tot inhoudelijke beoordeling van de zaak, zoals in Estland (if the appeal disputes the correctness of the application of substantive law or if there has been a serious procedural mistake)5 en Zweden (if an examination by the Supreme Court was of importance for the development of the case-law or if there were other extraordinary reasons, such as an obvious incorrect application of the law by the Court of Appeal or a serious procedural mistake).6 Zeer veel klachten, vooral over verlofbeoordeling door het hoogste nationale gerecht, zijn aldus gestrand omdat het recht op een eerlijk proces op bovenstaande grond niet van toepassing is verklaard.7
Deze opmerkelijke redenering tot afwijzing van toepasselijkheid van artikel 6 EVRM lijkt mij niet alleen in het licht van de Delcourt-rechtspraak moeilijk houdbaar, maar zij is vermoedelijk ook achterhaald. Moeilijk houdbaar omdat volgens Delcourt/België het precieze onderwerp en de strekking van de beoordeling in beroep juist niet eraan afdoen dat de behandeling van een gewoon rechtsmiddel (indirect) doorslaggevend is voor het lot van de verdachte. Voor de verdachte is verlofbeoordeling net zo doorslaggevend als cassatietoetsing of berechting in appel, ook al betreft de verlofvraag een preliminaire en niet per se inhoudelijke toegangsvraag. Bovendien wordt in een aanzienlijke hoeveelheid Straatsburgse beslissingen de berechtingstermijn berekend met inbegrip van verlofbeoordeling bij een hoogste gerecht. De termijn loopt in veel van dergelijke gevallen tot en met de afwijzing van verlof tot een hooggerechtshof, wat impliceert dat artikel 6 EVRM ook op die laatste processtap van toepassing is.8
Daarnaast is de redenering tot afwijzing vermoedelijk ook achterhaald. In de zaak Valchev e.a./Bulgarije uit januari 2014 signaleerde het EHRM zelf de tegenspraak in zijn eigen jurisprudentie. In deze beslissing somde het Hof een groot aantal zaken op waarin 6 EVRM al dan niet op leave to appeal proceedings was toegepast.9 Het Hof liet in het midden wat het van die tegenspraak dacht, omdat het vaststelde dat de klacht manifest ongegrond was. In de uitspraak in de zaak Hansen/Noorwegen uit oktober 2014 werd hierop evenwel teruggekomen. Artikel 6 EVRM werd in deze zaak van toepassing verklaard op de verlofbeoordeling in het Noorse hoger beroep, onder de vermelding dat “the Court is aware that, as noted in Valchev and Others v. Bulgaria (ontv.) nos. 47450/11, 26659/12 and 53966/12, 21 January 2014), there have been cases in which [leave to appeal] proceedings were found not to involve a ‘determination’ of the applicant’s ‘civil rights’ and the provision was therefore considered inapplicable (ibid., § 72). However, the prevailing approach seems to be that Article 6 § 1 is applicable also to leave-to-appeal proceedings [ibid., §§ 69‑‑71; Monnell and Morris v. the United Kingdom; and Martinie v. France], no. 58675/00, §§ 11 and 53-55, ECHR 2006-VI), and that the manner of its application depends on the special features of the proceedings involved, account being taken of the entirety of the proceedings conducted in the domestic legal order and of the role of the appellate or cassation court therein (Monnell and Morris, cited above, § 56).”10
Of hiermee het pleit definitief is beslecht vóór toepasselijkheid van artikel 6 EVRM op leave to appeal proceedings zal moeten blijken. De vraag is in het bijzonder of toepasselijkheid samenhangt met het karakter van de verlofmaatstaf. Als inhoudelijke toegangsbeoordeling plaatsvindt, is de verhouding met daadwerkelijke determination van de strafrechtelijke vervolging namelijk veel inniger dan wanneer vrije toegangsbeoordeling plaatsvindt, bijvoorbeeld op grond van de vraag of behandeling van het beroep bijdraagt aan de rechtsontwikkeling.11 Ik meen dat dit materiële verband evenwel niet relevant is voor toepasselijkheid van artikel 6 EVRM op verlofbeoordeling bij gewone rechtsmiddelen, omdat namelijk beide vormen van verlofbeoordeling doorslaggevend kunnen zijn voor het lot van de verdachte én plaatsvinden voordat over de zaak onherroepelijk is beslist. Vanuit het oogpunt van onherroepelijkheid is irrelevant of op een gewoon rechtsmiddel inhoudelijk negatief wordt beslist dan wel verlof tot beroep wordt geweigerd – op welke grond dan ook. Met toepassing van de criteria uit Delcourt/Belgie dient daarom ook vrije toegangsbeoordeling onder het bereik van artikel 6 EVRM te vallen. Of, om af te sluiten met woorden van Alkema over een zaak uit het Verenigd Koninkrijk: “De verlofprocedure mag dan een beperkt doel hebben, dat neemt niet weg dat zij niet te vermijden valt voor iedere veroordeelde die het hogerop wil zoeken.”12