Einde inhoudsopgave
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/11.8.2.1
11.8.2.1 Omvang primaire aansprakelijkheid
mr. J. Barneveld, datum 18-09-2013
- Datum
18-09-2013
- Auteur
mr. J. Barneveld
- JCDI
JCDI:ADS402380:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Simpel weergegeven: is het eigen vermogen van de vennootschap 4, waarvan 2 bestaat uit Stammkapital, en keert de vennootschap 8 uit aan de aandeelhouder, dan dient de aandeelhouder 6 aan de vennootschap terug te betalen. Karsten Schmidt e.a. 2009, p. 13 formuleert het als volgt: “Die §§ 30, 31 GmbHG sind unmittelbar auf jede Zuwendung anzuwenden, die eine Unterbilanz herbeiführt oder verschärft.”
BGH 10 mei 1993, II ZR 74/92, BGHZ 122, 333.
BGH 17 maart 2008, II ZR 24/07. Kritisch ten aanzien van deze benadering is Karsten Schmidt e.a. 2009, p. 15.
Daarmee is het BGH teruggekomen op eerdere rechtspraak waarin het had overwogen dat de vordering uit hoofde van § 31 GmbHG komt te vervallen indien de Unterbilanz (bijvoorbeeld door het maken van winsten) op een zeker moment is verdwenen. Zie BGH 29 mei 2000, II ZR 118/98 en BGH 29 mei 2000, II ZR 347/97.
§ 31 lid 4 GmbHG.
Vgl. § 19(2) GmbHG.
De terugbetalingsverplichting van § 31 lid 1 GmbHG beloopt het gehele ten onrechte uitgekeerde bedrag. Als de uitkering aan de aandeelhouder niet alleen het Stammkapital aantast, maar zelfs tot een negatief eigen vermogen leidt – in termen van de Duitse dogmatiek: niet alleen een Unterbilanz, maar zelfs een Überschuldung veroorzaakt – is de aandeelhouder gehouden tot vergoeding van de gehele waarde van het te veel onttrokken bedrag.1 Heeft de aandeelhouder een uitkering in natura ontvangen, dan is hij gehouden het ontvangen goed aan de vennootschap te restitueren en voor zover dit niet mogelijk is daarvan de waarde te vergoeden. Is het goed in waarde gedaald terwijl het in handen van de aandeelhouder was, dan is de aandeelhouder naast teruggave van het goed gehouden tot vergoeding van de waardedaling.2 Deze verplichting rust niet op de aandeelhouder voor zover het goed ook (en net zoveel) in waarde was gedaald wanneer het in handen van de vennootschap was gebleven. Dit laatste dient door de aandeelhouder gesteld en bewezen te worden.3
In 2000 heeft het BGH geoordeeld dat de restitutieverplichting uit hoofde van § 31 GmbHG blijft bestaan als het eigen vermogen van de vennootschap na de ongeoorloofde uitkering weer zodanig aangroeit dat de Unterbilanz wordt ‘geheeld’.4 Ongeacht de wijze waarop het eigen vermogen van de GmbH zich na de onttrekking heeft ontwikkeld, kan de aandeelhouder tot restitutie worden aangesproken. De vennootschap kan de schuld van de aandeelhouder uit hoofde van § 31 GmbHG niet kwijtschelden.5 Uit deze zienswijze vloeit voort dat de terugbetalingsverplichting evenmin vatbaar is voor verrekening met een vordering van de aandeelhouder op de vennootschap.6