Einde inhoudsopgave
Het nationale budgetrecht en Europese integratie (SteR nr. 36) 2018/10.3
10.3 Solange I en II
mr. S.P. Poppelaars, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. S.P. Poppelaars
- JCDI
JCDI:ADS457707:1
- Vakgebied(en)
EU-recht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
BVerfGE 37, 271 (19 mei 1974), NJW 1974, p. 1697 m.nt. Meier, NJW 1974, p. 2176 m.nt. Riegel; BVerfGE 73, 339 (22 oktober 1986), JZ 1987, p. 236 m.nt. Rupp. Zie hierover ook onder meer: Lanier 1988; Tomuschat 1990; Schwarze 2001, p. 170-172.
Artikel 1 jo. artikel 79, derde lid, GG.
BVerfGE 37, 285.
BVerfGE 73, 339.
BVerfGE 73, 387.
Zie over die jurisprudentie van het Bundesverfassungsgericht in algemene zin en de achtergrond daarvan onder meer: Simon 2016; Huber 2015; Craig & De Búrca 2015, p. 279-290; Van der Burg & Voermans 2015, p. 30-36; Huber 2014; Van Ooyen 2014; Besselink e.a. 2014; Vranes 2013; Tomuschat 2013a; Nettesheim 2013b; Calliess 2012; Bovend’Eert & Burkens 2012, p. 70-72; Griller e.a. 2011, p. 46-86; Abels 2011.
De bekende Solange-jurisprudentie vormde het startpunt voor een reeks kritische arresten van het Hof over Europese integratie. Hierin behield het Hof zich het recht voor om te beoordelen of Europese secundaire regelgeving in overeenstemming was met de grondrechten uit de Duitse Grondwet, net zoals het deze toetsing uitvoerde voor nationaal recht.1 Ook de grondrechten uit het Grundgesetz behoren, net als het democratiebeginsel, tot de fundamentele en onveranderbare kern van de Duitse Grondwet.2 Ondanks de jurisprudentie van het Hof van Justitie over de directe werking en voorrang van het Unierecht, overwoog het Bundesverfassungsgericht in de eerste Solangezaak uit 1974 daarom:
‘Solange der Integrationsproze û der Gemeinschaft nicht so weit fortgeschritten ist, da û das Gemeinschaftsrecht auch einen von einem Parlament beschlossenen und in Geltung stehenden formulierten Katalog von Grundrechten enthält, der dem Grundrechtskatalog des GG adäquat ist, ist nach Einholung der in Art. 177 des Vertrags geforderten Entscheidung des Europäischen Gerichtshofs die Vorlage eines Gerichts der Bundesrepublik Deutschland an das Bundesverfassungsgericht im Normenkontrollverfahren zulässig und geboten, wenn das Gericht die für es entscheidungserhebliche Vorschrift des Gemeinschaftsrechts in der vom Europäischen Gerichtshof gegebenen Auslegung für unanwendbar hält, weil und soweit sie mit einem der Grundrechte des Grundgesetzes kollidiert.’3
Het Hof achtte zich dus bevoegd om te toetsen of Europese (secundaire) regelgeving in overeenstemming is met de grondrechten uit het Grundgesetz, zolang er op Europees niveau nog geen grondrechtencatalogus tot stand was gekomen die eenzelfde bescherming bood als de grondrechten uit het Grundgesetz. In gevallen waarbij het Bundesverfassungsgericht zou oordelen dat een Europese regeling strijd opleverde met de grondrechten uit het Grundgesetz, diende de Europese regeling buiten toepassing te worden gelaten. Alleen op die manier kon volgens het Hof gewaarborgd worden dat ook bij de toepassing van secundair Unierecht de basisbeginselen van de Duitse Grondwet intact zouden blijven.
In 1986 kwam het Bundesverfassungsgericht tot de conclusie dat de bescherming van grondrechten op Europees niveau inmiddels de mate van bescherming van het Grundgesetz evenaarde.4 Het Hof behield zich in Solange II weliswaar het recht voor om secundair Unierecht te toetsen aan de grondrechten uit het Grundgesetz, maar overwoog dat het van deze bevoegdheid geen gebruik zal maken, zolang de bescherming van grondrechten op Europees niveau gelijk bleef aan de bescherming op grond van de Duitse Grondwet. Klachten in dit kader zouden voortaan niet-ontvankelijk worden verklaard. In de woorden van het Bundesverfassungsgericht:
‘Solange die Europäischen Gemeinschaften, insbesondere die Rechtsprechung des Gerichtshofs der Gemeinschaften, einen wirksamen Schutz der Grundrechte gegenüber der Hoheitsgewalt der Gemeinschaften generell gewährleisten, der dem vom Grundgesetz als unabdingbar gebotenen Grundrechtsschutz im wesentlichen gleichzuachten ist, zumal den Wesensgehalt der Grundrechte generell verbürgt, wird das Bundesverfassungsgericht seine Gerichtsbarkeit über die Anwendbarkeit von abgeleitetem Gemeinschaftsrecht, das als Rechtsgrundlage für ein Verhalten deutscher Gerichte und Behörden im Hoheitsbereich der Bundesrepublik Deutschland in Anspruch genommen wird, nicht mehr ausüben und dieses Recht mithin nicht mehr am Ma û stab der Grundrechte des Grundgesetzes überprüfen; entsprechende Vorlagen nach Art. 100 Abs. 1 GG sind somit unzulässig.’5
Hoewel deze rechtspraak niet het budgetrecht betreft, maar gaat over de bescherming van grondrechten, vormt zij de opmaat voor latere arresten van het Bundesverfassungsgericht waarin het op vergelijkbare wijze de regelingen tot verdere Europese integratie toetst aan het democratiebeginsel uit het Grundgesetz en het budgetrecht in het bijzonder.6 De toetsing van het Bundesverfassungsgericht is, waar het Europese integratie betreft, dus verschoven van een focus op grondrechten naar (toen die eenmaal voldoende gewaarborgd werden op Europees niveau) bescherming van het democratiebeginsel.