Afscheiding van bestanddelen
Einde inhoudsopgave
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/5.3.2:5.3.2 Bestanddeelvorming en natrekking
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/5.3.2
5.3.2 Bestanddeelvorming en natrekking
Documentgegevens:
mr. J.C.T.F. Lokin, datum 01-03-2022
- Datum
01-03-2022
- Auteur
mr. J.C.T.F. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS644820:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het Kontinuitätsprinzip is in het BGB terug te vinden in de regels omtrent bestanddeelvorming en natrekking. Anders dan in het Nederlandse recht kent het Duitse recht verschillende “soorten” bestanddelen, zoals de wezenlijke en onwezenlijke bestanddelen en schijnbestanddelen. Achter dit onderscheid gaat de continuïteitsgedachte schuil: een zakelijk recht gaat niet eenvoudig teniet. Uit de nuances tussen de verschillende bestanddelen volgt dat bestanddeelvorming een ander leerstuk is dan natrekking. Omdat in Nederland bestanddeelvorming bijna altijd leidt tot natrekking worden beide leerstukken vaak in één adem genoemd, waardoor het onderscheid vervaagt. Dit onderscheid bestaat echter wel degelijk.
De continuïteitsgedachte in het BGB is ook zichtbaar in de natrekkingsregels. Deze zijn van toepassing op de wezenlijke bestanddelen en kunnen eveneens van toepassing zijn op onwezenlijke bestanddelen. In beginsel volgen de onwezenlijke bestanddelen het “juridische lot” van de hoofdzaak. Dat is alleen anders als een onwezenlijk bestanddeel vóór de verbinding aan een ander toebehoorde dan aan de eigenaar van de hoofdzaak of als dit onwezenlijke bestanddeel vóór de verbinding is bezwaard met een beperkt recht. In dat geval worden de zakelijke rechten die op het onwezenlijke bestanddeel rusten gecontinueerd: de oorspronkelijke eigenaar is altijd eigenaar gebleven.
En hoe zit het dan met de rechtszekerheid van derden? Deze wordt gewaarborgd door de derdenbeschermingsartikelen in het BGB. Behoren de onwezenlijke bestanddelen niet toe aan de vervreemder, dan verkrijgt de verkrijger toch de gehele zaak, mits hij te goeder trouw is (§932 BGB e.v.). Ditzelfde geldt ook voor de schijnbestanddelen. Het eigendomsverlies komt aan de oppervlakte indien een derde te goeder trouw de gehele zaak in bezit neemt.