Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/6.4.6.1
6.4.6.1 Toetsmoment
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940634:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragraaf 9.3.3 omtrent de vraag waaruit het kale beboetbare feit precies bestaat. Daaruit volgt doorgaans rechtstreeks wanneer dat kale beboetbare feit wordt begaan (op het moment waarop alle bestanddelen zijn vervuld), zie HR 31 maart 2023, V-N 2023/16.16, r.o. 3.5.2 en HR 7 juli 2023, V-N 2023/32.14, BNB 2023/124, r.o. 4.7.1. Voor wat betreft het niet doen van aangifte bij aanslagbelastingen is dat vanwege de extra eis van de aanmaning (zie paragraaf 6.2.7 hiervoor) wellicht iets minder voor de hand liggend, waarover nader in paragraaf 9.3.3.2.1). Zie in dit verband ook Hof Den Haag 10 juli 2018, V-N 2018/65.19, r.o. 7.6, 7.8 en 7.9 en de kritische Aantekening van de Redactie Vakstudie-Nieuws daarbij.
HR 3 december 2010, V-N 2010/63.9, BNB 2011/59, NTFR 2010/2830, HR 7 mei 2010, BNB 2010/256, HR 6 maart 2012, NTFR 2012/799, Hof ’s-Hertogenbosch 21 juni 2018, V-N 2018/57.1.8, r.o. 4.7-4.8. Zie voorts HR 4 januari 2013, V-N 2013/3.6, BNB 2013/117, NTFR 2013/127, r.o. 3.3.2, alsmede de Conclusie van A-G IJzerman van 30 augustus 2012, V-N 2012/51.7 bij het arrest. Vgl. ook het toetsmoment van de kwade trouw in de zin van art. 16 lid 1 AWR (navordering): de daarvoor vereiste bewustheid moet aanwezig zijn geweest ten tijde van het doen van de aangifte. De Hoge Raad verwijst in V-N 2010/63.9 nadrukkelijk terug naar zijn iets eerder in dat verband gegeven oordeel (HR 13 augustus 2010, BNB 2010/296).
Zie voor een treffend voorbeeld waarin de inspecteur dit aspect niet had onderkend Hof Arnhem-Leeuwarden 24 januari 2023, V-N 2023/19.16.
HR 31 maart 2023, V-N 2023/16.16, r.o. 3.5.2-3.5.3. Het kan ook gaan om het tijdstip waarop een verzoek om teruggaaf is gedaan, zie HR 7 juli 2023, V-N 2023/32.14, BNB 2023/124, r.o. 4.7.1.
Zie bijvoorbeeld Hof Arnhem-Leeuwarden 8 oktober 2019, V-N 2020/3.1.5, r.o. 4.20 e.v. en vgl. Hof Arnhem-Leeuwarden 12 juli 2022, V-N 2022/50.25.9, r.o. 4.25-4.26.
HR 3 december 2010, V-N 2010/63.9, BNB 2011/59, NTFR 2010/2830, r.o. 3.5 en 3.6.1. Zie ook HR 31 maart 2023, V-N 2023/16.16, waaruit volgt dat de vermelding van omzetbelastingschulden in de aangifte vennootschapsbelasting nog niet bewijst dat die omzetbelasting eerder (per tijdvak) met opzet niet is voldaan.
HR 10 februari 2023, V-N 2023/9.22, r.o. 4.3.2. Vgl. in dit verband ook HR 11 juli 2023 (strafkamer), V-N 2023/34.25, r.o. 5.3 (als op het toetsmoment opzet aanwezig is geweest, kan dat achteraf niet worden geheeld).
Zie in dit verband de Aantekening van de Redactie Vakstudie-Nieuws bij Rb Den Haag 21 juli 2015, V-N 2015/48.14 (‘Het later in het jaar constateren dat er iets mis is gegaan en het niet alsnog doen van aangifte dividendbelasting, kan niet meebrengen dat alsnog grove schuld wordt verweten’).
Zie de boetes wegens schending van de spontane informatieverplichtingen (art. 67ca AWR, art. 28b Wet LB en art. 10a lid 3 AWR), waaromtrent nader in paragraaf 11.2.5.1. In die gevallen vormt het niet-melden zelf het kale beboetbare feit, waarop de opzet of grove schuld ten tijde van het niet-melden gericht moet zijn geweest.
HR 4 februari 2022, V-N 2022/8.16, BNB 2022/44, r.o. 2.4.1 (slotzin).
Het toetsmoment waarop de vereiste opzet of grove schuld aanwezig moet zijn geweest, is het moment waarop het kale beboetbare feit is gepleegd.1 Doorslaggevend is dus louter welk verwijt de boeteling ten tijde van het begaan van het beboetbare feit kon worden gemaakt.2 Daaruit volgt onder meer dat wanneer de bewustheid (van de gemaakte fout) pas daarna is ingetreden, zulks in het geheel niet relevant is voor het opzetverwijt. Feiten en omstandigheden die zich pas voordoen na het doen van een onjuiste aangifte, zijn bijvoorbeeld niet relevant voor de beoordeling van de vraag of er opzet of grove schuld aanwezig was ten tijde van het doen van die aangifte.3 Bij tijdvakbelastingen is verder van belang dat de beoordeling per tijdvak afzonderlijk moet plaatsvinden. De opzet of grove schuld moet bij de vergrijpboete van art. 67f AWR bijvoorbeeld telkens aanwezig zijn op elk van de tijdstippen waarop de verschuldigde belasting uiterlijk betaald had moeten zijn (dus na afloop van elke maand of van elk kwartaal).4 Wel kan door tijdsverloop en voortschrijdende ontwikkelingen een aanvankelijk (ten aanzien van eerdere tijdvakken) relatief gering verwijt uitgroeien tot een verwijt van opzet of grove schuld ten aanzien van latere tijdvakken. Dat is het geval als de belastingplichtige op dezelfde (onjuiste) wijze aangifte blijft doen, maar op enig moment weet of moet beseffen dat zijn standpunt niet (meer) houdbaar is.5 Vanaf dat moment kan hem een zwaarder verwijt worden gemaakt.
Wanneer de boeteling na het begaan van het beboetbare feit ontdekt dat hij een fout heeft begaan, maar nalaat om dat vervolgens actief te melden aan de inspecteur, levert dat geen (voorwaardelijk) opzet op ten aanzien van dat eerder begane beboetbare feit.6 Ook het enkel achteraf erkennen dat er (omvangrijke) fouten zijn gemaakt, bewijst niet dat de voor opzet vereiste bewustheid al eerder aanwezig was.7 Hetzelfde geldt wanneer het voor grove schuld vereiste ernstig culpoze verwijt pas na het begaan van het beboetbare feit kan worden gemaakt (bijvoorbeeld omdat eerst dan duidelijke signalen van de gemaakte fout hadden kunnen worden opgemerkt).8 Het voorgaande laat uiteraard onverlet dat het niet-melden als zodanig onder omstandigheden afzonderlijk beboetbaar kan zijn gesteld.9
In dit verband verdient opmerking dat bepaalde omstandigheden, afhankelijk van het relevante toetsmoment, zowel van invloed kunnen zijn op de ernst van het verwijt als op de strafmaat. Te denken valt hierbij aan slechte financiële omstandigheden: zijn die aanwezig op het moment van het begaan van het beboetbare feit, dan is het denkbaar dat de mate van verwijtbaarheid daardoor minder groot is. Is er ten tijde van het opleggen van de boete sprake van dergelijke omstandigheden, dan kan daarmee rekening worden gehouden bij de bepaling van de hoogte van de boete.10 Dat is anders voor omstandigheden als het (niet) geven van openheid van zaken of het tonen van berouw. Die omstandigheden ontstaan pas achteraf, na het begaan van het beboetbare feit. Daarom zijn zij niet relevant voor de onderbouwing van (bijvoorbeeld) het opzetverwijt.11