Einde inhoudsopgave
Financiële controle in het gemeenterecht (Dissertatieserie Vakgroep Staatsrecht Groningen) 2011/4.5.1
4.5.1 Aanwijzing
dr. W. van der Woude, datum 21-09-2011
- Datum
21-09-2011
- Auteur
dr. W. van der Woude
- Vakgebied(en)
Overheidsfinanciën (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie par. 2.2.
Het eerste lid van art. 2:393 B.W. opent met de zinsnede: 'De rechtspersoon verleent opdracht tot onderzoek van de jaarrekening aan een registeraccountant of aan een Accountant-Administratieconsulent'. Zie ook Asser/Maeijer (2000), p. 621 en Asser/Kortmann e.a. (1994), p. 34.
Overigens is een beroep op dit artikel voor bedrijven niet noodzakelijk. Art. 2:393 lid 2 BW bepaalt namelijk (in de lijn van art. 7:408 lid 1 BW) al dat de rechtspersoon de opdracht aan de accountant te allen tijde kan intrekken.
Uitgebreider over deze wettelijke definitie: Asser/Kortmann e.a. (1994), hoofdstuk II.
Een belangrijke indicator voor de positie van de accountant kan worden gevonden in de bepalingen omtrent zijn aanwijzing. Zoals gezegd heeft de Gemeentewet niet altijd uitgeblonken in helderheid met betrekking tot het aanwijzen van een accountant. Sinds 1950 is echter voor gemeenten duidelijk dat het de gemeenteraden zijn die tot de aanwijzing van (externe) accountants bevoegd zijn.1Daarnaast bepaalt de Gemeentewet sinds 1992 dat accountants ook in gemeentelijke dienst kunnen worden benoemd. Ondanks deze helderheid heeft de wetgever aanleiding gezien de formuleringen van art. 213 Gemeentewet op dit vlak aan te passen.
Daarnaast had de wetgever zich mijns inziens eveneens enige moeite kunnen getroosten om de gang van zaken bij het beëindigen van de werkzaamheden van een externe accountant goed te regelen. De Gemeentewet bevat daaromtrent geen voorschriften. Toch moet in dit verband een drietal vragen worden beantwoord. Deze zijn:
Is het mogelijk de aanwijzing van de accountant teniet te doen?
Onder welke omstandigheden is dit mogelijk?
Wie is hiertoe bevoegd?
Het grootste probleem ten aanzien van de eerste twee vragen is dat de Gemeentewet in tegenstelling tot het Burgerlijk Wetboek niet expliciteert wat de aard van de overeenkomst tussen de accountant en de decentrale overheid is. Art. 2:393 BW doet dit wel. De overeenkomst tussen privaatrechtelijke rechts2ersonen en de accountant wordt in dit artikel gekwalificeerd als opdracht2. Opdracht is een bijzondere overeenkomst waarop de bepalingen uit Titel 7 van Boek 7 van het BW van toepassing zijn. Op grond van art. 7:408 lid 1 BW kan de opdrachtgever de overeenkomst te allen tijde opzeggen.3 (Overigens is een beroep op dit artikel voor bedrijven niet noodzakelijk. Art. 2:393 lid 2 BW bepaalt namelijk (in de lijn van art. 7:408 lid 1 BW) al dat de rechtspersoon de opdracht aan de accountant te allen tijde kan intrekken). De vraag is dus hoe moet worden aangekeken tegen de bepaling in de Gemeentewet die spreekt van het aanwijzen van een accountant. Mijns inziens moet worden geconcludeerd dat deze aanwijzing een opdracht als bedoeld in art. 7:400 van het BW constitueert. Het betreft namelijk ook bij gemeenten een privaatrechtelijke overeenkomst die wordt gesloten teneinde "anders dan op grond van een arbeidsovereenkomst werkzaamheden te verrichten die in iets anders bestaan dan het tot stand brengen van een werk van stoffelijke aard, het bewaren van zaken, het uitgeven van werken of het vervoeren of doen vervoeren van personen of zaken" (art. 7:400 lid 1 BW).4 Dit zou betekenen dat ook gemeentebesturen de aanwijzing van de accountant op elk moment ongedaan kunnen maken. Het verdient de voorkeur om dit op de een of andere wijze in de wetteksten tot uitdrukking te brengen. Het voordeel van de toepasselijkheid van Titel 7 van Boek 7 BW is bovendien dat hiermee ook een zekere afstand tussen de opdrachtgever (de raad) en de opdrachtnemer (de accountant) wordt gecreëerd. De opdrachtnemer is namelijk verplicht gevolg te geven aan aanwijzingen omtrent de uitvoering van de opdracht, maar alleen als deze 'verantwoord' zijn (art. 7:402 lid 1 BW). Dit zou verhinderen dat de accountant gehoor geeft aan een vraag van een al te collegegezinde raadsmeerderheid om in voorkomende gevallen een oogje dicht te knijpen.
Dan rest nog de vraag welk van de organen waaruit het gemeentebestuur bestaat, bevoegd is tot het intrekken van de opdracht. Het ligt om verschillende redenen voor de hand dat deze bevoegdheid toekomt aan de gemeenteraad. De accountant werkt immers ter ondersteuning van de gemeenteraad. Het zou bovendien merkwaardig zijn als de aanwijzingsbevoegdheid en de bevoegdheid om de aanwijzing ongedaan te maken in verschillende handen zouden liggen. Gelet op de onafhankelijkheid van de accountant — ten slotte — zou het vreemd aandoen wanneer de accountant van zijn taken zou kunnen worden ontheven door het orgaan waarop zijn controle primair is gericht (het college van burgemeester en wethouders) of dat daarvan deel uitmaakt (de burgemeester). Hoewel het dus logisch is dat het tenietdoen van de aanwijzing van de accountant een bevoegdheid is van de gemeenteraad, verdient het mijns inziens aanbeveling ook dit in de Gemeentewet te verduidelijken.