Vgl. F.C.W. de Graaf, Meervoudige aansprakelijkstelling: een analyse van rechtsfiguren die aansprakelijkstelling voor meer dan één strafbaar feit normeren, ’s-Gravenhage: Boom Juridisch 2018, p. 36.
HR, 16-01-2024, nr. 22/04158
ECLI:NL:HR:2024:11
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
16-01-2024
- Zaaknummer
22/04158
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Politierecht (V)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:11, Uitspraak, Hoge Raad, 16‑01‑2024; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2023:1009
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2022:3742
ECLI:NL:PHR:2023:1009, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 21‑11‑2023
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:11
Beroepschrift, Hoge Raad, 08‑05‑2023
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2024-0006
Uitspraak 16‑01‑2024
Inhoudsindicatie
Bedreiging ( meermalen gepleegd) door het maken van meerdere abrupte stuurbewegingen in richting van politievoertuig (art. 285 Sr). 1. Meerdaadse samenloop a.b.i. art. 57 Sr? 2. Opgelegde gevangenisstraf van 3 jaar wettelijk toegestaan? Ad 1. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2017:1111 m.b.t. samenloopvragen. Hof heeft bewezen verklaard dat verdachte door maken van abrupte stuurbewegingen in richting van politieauto waarin twee politieambtenaren zaten, deze politieambtenaren heeft bedreigd met een misdrijf tegen het leven gericht. Deze gedragingen leveren t.a.v. ieder van deze politieambtenaren zelfstandige vervulling van delictsomschrijving op. Oordeel hof dat sprake is van meerdaadse samenloop getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Ad 2. Het bewezenverklaarde is gepleegd op 31 oktober 2020. Gezien op dat moment geldende art. 285.1 (oud) Sr jo. art. 57 Sr kan bij meerdaadse samenloop het in die bepaling bedoelde strafmaximum van twee jaren met niet meer dan een derde daarvan worden verhoogd. Door hof opgelegde gevangenisstraf is hoger dan dit strafmaximum. Volgt vernietiging en terugwijzing.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/04158
Datum 16 januari 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 27 oktober 2022, nummer 20-001053-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft S.J. van der Woude, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, en tot zodanige op art. 440, tweede lid, Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.
De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2. Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel
2.1
Het eerste cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat de bewezenverklaarde gedragingen meerdaadse samenloop als bedoeld in artikel 57 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) opleveren. Het tweede cassatiemiddel klaagt dat het hof een hogere gevangenisstraf heeft opgelegd dan wettelijk is toegestaan. De cassatiemiddelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
2.2.1
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij op 31 oktober 2020 in de provincie Limburg [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door meerdere malen, terwijl hij reed onder hoge snelheid, abrupte stuurbewegingen in de richting van de politieauto te maken waardoor die [slachtoffer 1] krachtig diende te remmen en/of uit te wijken in de richting van de vangrail en middenberm teneinde een aanrijding te voorkomen.”
2.2.2
Het hof heeft het bewezenverklaarde gekwalificeerd als “bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd” en als wettelijk voorschrift waarop de straf mede is gebaseerd onder meer artikel 57 Sr vermeld. Het hof heeft de verdachte wegens het bewezenverklaarde (onder meer) een gevangenisstraf opgelegd van drie jaren, met aftrek als bedoeld in artikel 27 Sr.
2.3.1
Artikel 285 lid 1 Sr luidde ten tijde van de bewezenverklaarde feiten:
“Bedreiging met openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen of goederen, met geweld tegen een internationaal beschermd persoon of diens beschermde goederen, met enig misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van personen of goederen of gemeen gevaar voor de verlening van diensten ontstaat, met verkrachting, met feitelijke aanranding van de eerbaarheid, met enig misdrijf tegen het leven gericht, met gijzeling, met zware mishandeling of met brandstichting, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie.”
2.3.2
Artikel 57 Sr luidt:
“1. Bij samenloop van feiten die als op zichzelf staande handelingen moeten worden beschouwd en meer dan één misdrijf opleveren waarop gelijksoortige hoofdstraffen zijn gesteld, wordt één straf opgelegd.
2. Het maximum van deze straf is het totaal van de hoogste straffen op de feiten gesteld, doch — voor zover het gevangenisstraf of hechtenis betreft — niet meer dan een derde boven het hoogste maximum.”
2.4
Bij de beoordeling van het eerste cassatiemiddel moet worden vooropgesteld dat samenloopvragen mede worden bepaald door de in het concrete geval toepasselijke strafbepaling(en). Als bijvoorbeeld een strafbepaling betrekking heeft op een meervoud van voorwerpen of gedragingen, rijst bij bewezenverklaring van het – gelijktijdig en op dezelfde plaats – handelen in strijd met die bepaling in beginsel geen samenloopvraagstuk omdat dan sprake is van een uit de delictsomschrijving voortvloeiende enkelvoudige kwalificatie. Daar staat tegenover dat in het bijzonder bij gevolgdelicten het uitgangspunt is dat elk gevolg – ook als de verschillende gevolgen uit hetzelfde feit of feitencomplex voortvloeien – een zelfstandige vervulling van de delictsomschrijving oplevert en dat daarom in beginsel van eendaadse samenloop of van een voortgezette handeling geen sprake is, zoals bij een verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 met meerdere slachtoffers (vgl. HR 20 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1111, rechtsoverweging 2.4).
2.5
Het hof heeft bewezen verklaard dat de verdachte door het maken van abrupte stuurbewegingen in de richting van de politieauto waarin twee politieambtenaren zaten, deze politieambtenaren heeft bedreigd met een misdrijf tegen het leven gericht. Deze gedragingen leveren ten aanzien van ieder van deze politieambtenaren een zelfstandige vervulling van de delictsomschrijving op. Het oordeel van het hof dat sprake is van meerdaadse samenloop getuigt, gelet op wat onder 2.3 is vooropgesteld, al daarom niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.
2.6
Het eerste cassatiemiddel faalt.
2.7
Voor de beoordeling van het tweede cassatiemiddel is van belang dat het bewezenverklaarde is gepleegd op 31 oktober 2020. Gezien het op dat moment geldende artikel 285 lid 1 (oud) Sr in samenhang met artikel 57 Sr kan bij meerdaadse samenloop het in die bepaling bedoelde strafmaximum van twee jaren met niet meer dan een derde daarvan worden verhoogd. De door het hof opgelegde gevangenisstraf is hoger dan dit strafmaximum. Het bestreden arrest kan daarom wat betreft de strafoplegging niet in stand blijven.
2.8
Het tweede cassatiemiddel slaagt.
3. Beoordeling van de overige cassatiemiddelen
Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het derde en het vierde cassatiemiddel niet nodig.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 januari 2024.
Conclusie 21‑11‑2023
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Bedreiging, meermalen gepleegd (art. 285 Sr) door onder hoge snelheid abrupte stuurbewegingen in de richting van de achtervolgende politieauto te maken. Middel 1: samenloop; grondslag van de tenlastelegging verlaten door het bewezenverklaarde als meerdere strafbare feiten te kwalificeren? Naar het oordeel van de AG faalt dit middel. Middelen 2-4: klachten over opgelegde straf. Volgens de A-G slaagt de klacht over de overschrijding van het strafmaximum (middel 2), zodat de middelen 3 en 4 niet besproken hoeven te worden. De conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 22/04158
Zitting 21 november 2023
CONCLUSIE
E.J. Hofstee
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997,
hierna: de verdachte
I. Inleiding
- 1.
Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft de verdachte bij arrest van 27 oktober 2022 wegens meer subsidiair "bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd", veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren met aftrek van het voorarrest. Daarnaast heeft het hof de verdachte ontzegd de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van drie jaren. Ten behoeve van de rechthebbende is de bewaring gelast van een in beslag genomen, nog niet teruggegeven iPhone SE.
- 2.
Namens de verdachte heeft S.J. van der Woude, advocaat te Amsterdam, vier middelen van cassatie voorgesteld.
II. Het eerste middel en de bespreking daarvan
Het middel
3. Het eerste middel bevat de klacht dat de kwalificatie van het bewezenverklaarde onvoldoende met redenen is omkleed en valt in twee samenhangende deelklachten uiteen. De eerste deelklacht houdt in dat het hof de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten door het bewezenverklaarde als meerdere strafbare feiten te kwalificeren en daarbij art. 57 Sr te vermelden. Volgens de tweede deelklacht kon het hof het tenlastegelegde en bewezenverklaarde feit gelet op de gebezigde bewijsmiddelen redelijkerwijs niet kwalificeren als meerdere op zichzelf staande handelingen zoals bedoeld in art. 57 Sr, maar slechts als een voortgezette handeling in de zin van art. 56 Sr.
De bewijsvoering
4. Als meer subsidiair is de verdachte tenlastegelegd dat:
“hij op of omstreeks 31 oktober 2020 in de provincie Limburg, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [verbalisant 1] en [aangever 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door een of meerdere malen terwijl hij 200 km per uur reed waar snelheden van 130 km per uur respectievelijk 70 km per uur waren toegestaan, in elk geval onder hoge snelheid, abrupte stuurbeweging(en) in de richting van de politieauto te maken waardoor die [verbalisant 1] krachtig diende te remmen en/of uit te wijken in de richting van de vangrail en/of middenberm teneinde een aanrijding te voorkomen.”
5. Daarvan is bewezenverklaard dat:
“hij op 31 oktober 2020 in de provincie Limburg [verbalisant 1] en [aangever 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door meerdere malen, terwijl hij reed onder hoge snelheid, abrupte stuurbewegingen in de richting van de politieauto te maken waardoor die [verbalisant 1] krachtig diende te remmen en/of uit te wijken in de richting van de vangrail en middenberm teneinde een aanrijding te voorkomen.”
6. De bewezenverklaring steunt, voor zover hier van belang, op de volgende bewijsmiddelen (de voetnoten heb ik hier weggelaten):
“1. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 31 oktober 2020, voor zover inhoudende als relaas van de verbalisanten [verbalisant 1] en [aangever 2]:
Op 31 oktober 2020, omstreeks 01.00 uur waren wij, verbalisanten [verbalisant 1] en [aangever 2] , in uniform gekleed en reden wij in een opvallend dienstvoertuig, een snel interventie voertuig van het merk Audi A6. Ik, [verbalisant 1] , was de bestuurder en ben hiervoor gecertificeerd.
Op 31 oktober 2020, omstreeks 01.01 uur, reden wij over de A73 rechts in de omgeving van Roermond. Op dat moment kregen wij het verzoek van de centralist van de regionale meldkamer Limburg om aan te sluiten bij een achtervolging die op dat moment gaande was op de A2 van het zuiden. Het betrof een Volkswagen Golf, grijs van kleur. Een regionale patrouille reed er met een snelheid van ongeveer 200 km/u. Deze kon het voertuig volgen, maar niet bijtrekken.
Wij, [verbalisant 1] en [aangever 2] namen positie in op het viaduct gelegen boven de A2. Vervolgens zagen wij het achtervolgde voertuig en de opvallende patrouille aan komen rijden vanuit het noorden. Wij zagen de Golf onder ons doorrijden. Vervolgens zijn wij de A2 opgereden en kwamen wij achter de Golf te rijden, als eerste voertuig. Wij reden op dat moment met een snelheid van ongeveer 200 km/u.
Wij probeerden vervolgens de Golf links in te halen om er voor te komen. Op het moment dat wij met de neus van ons voertuig links langs de linker achterzijde van de Golf kwamen te rijden, reed de bestuurder van de Golf meteen, met een moedwillige abrupte stuurbeweging, in onze richting en probeerde ons in de middenvangrail/berm te drukken. Ik, [verbalisant 1] , schrok hier behoorlijk van en moest krachtig remmen en sturen om een aanrijding met deze hoge snelheid voorkomen. Ik, [verbalisant 1] , zag met deze hoge snelheid de vangrail op mij afkomen en dacht meteen dat ik dit niet ging overleven. Ik moest al mijn kunde inzetten om niet in een slip te komen en zo de controle over ons voertuig te verliezen. Ik. [aangever 2] , schrok hier ook erg van en was behoorlijk bang om in de vangrail te belanden. Ik dacht echt dat er een flinke aanrijding zou volgen met alle gevolgen van dien. Vervolgens heb ik (het hof begrijpt: [verbalisant 1] ) een vijftig tal meters afstand genomen en bleef achter de Golf rijden en gaven wij de positie aan de meldkamer door. Wij zagen dat er drie personen in de Golf zaten.
Wij, verbalisanten, wisten dat er ter hoogte van Roosteren/Born wegwerkzaamheden waren. Ik, [verbalisant 1] , probeerde voor de wegwerkzaamheden nogmaals voorbij de Golf te rijden ten einde voor hem te komen om het voertuig tot stilstand te dwingen. Vervolgens heeft de bestuurder van de Golf ons nogmaals met abrupte stuurbewegingen, zowel naar links en naar rechts geprobeerd ons van de weg te drukken. Ik, [verbalisant 1] , schrok hier wederom van. Ik moest wederom enkele malen krachtig remmen en sturen om aanrijdingen te voorkomen. Ik, [aangever 2] , schrok hier heel erg van en voelde mij hier niet goed bij van de schrik. Vervolgens hebben wij afstand genomen van de Golf, een vijftig tal meters zodat wij op tijd konden anticiperen op de acties van de Golf.
Aan het einde van de wegwerkzaamheden zagen wij dat de Golf rijstrook 1 opreed en zijn snelheid wederom verhoogde naar 200 km/u. Vervolgens probeerde wij, verbalisanten, wederom langs de Golf te rijden. Wederom werd er met een abrupte stuurbeweging, door de bestuurder van de Golf, op ons ingereden. Weer moest ik, [verbalisant 1] , krachtig sturen en remmen om een aanrijding te voorkomen. Wij reden op dat moment over rijstrook 2. Vervolgens bleven wij de Golf op een afstand van vijftig meter volgen teneinde een aanrijding te voorkomen.
Wij bleven in de richting van het zuiden rijden. Vervolgens aangekomen bij knooppunt Kerensheide zagen wij dat de Golf de afslag België nam en richting België reed. Aangekomen in België werd de achtervolging overgenomen door een opvallend politievoertuig van de collega's van België. Wij. [verbalisant 1] en [aangever 2] , reden vervolgens als tweede voertuig mee. Bij de afslag Genk centrum zagen wij dat de Golf de afslag nam en meteen weer de snelweg terug in de richting van Nederland nam. Aangekomen bij de grens van Nederland namen wij, [verbalisant 1] en [aangever 2] , de achtervolging als eerste voertuig over van de Belgische collega's. De achtervolging ging verder met een snelheid van 200 km/u in de richting van Duitsland. Bij de grens van Duitsland sloten de Duitse collega's achter ons aan. Wij reden met hoge snelheid de afslag Aachen voorbij.
Aangekomen bij de afslag Eschweiler/Stolberg zagen wij de Golf deze afslag nemen. Aangekomen op de aldaar gelegen kruising, beveiligd met verkeerslichten, zagen wij dat de Golf rechtdoor overstak en door rood licht reed. En achter de kruising meteen keerde en in onze richting kwam gereden. Wij zagen, hoorden en voelden de Golf tegen de rechter zijkant van ons voertuig aanrijden. Meteen kwamen wij tot stilstand en hebben de Duitse collega's met behulp van ons de inzittenden aangehouden.
Vanaf dat de Golf in ons zicht kwam, hebben wij, verbalisanten [verbalisant 1] en [aangever 2] , deze niet uit het oog verloren.
De bestuurder van de Golf heeft gedurende de achtervolging veelvuldig verkeersovertredingen gemaakt, waarbij de verkeersveiligheid meerdere malen enorm in gevaar werd gebracht.
Voertuig: personenauto. Volkswagen Golf, kleur grijs, Nederland, kenteken [kenteken]
2. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 31 oktober 2020, voor zover inhoudende als verklaring van [aangever 2] :
Op 31 oktober 2020 omstreeks 01.00 uur had ik samen met mijn collega [verbalisant 1] algehele surveillancedienst voor de regio Zuid-Oost-Nederland. Wij reden tijdens deze dienst in een herkenbaar en opvallend politievoertuig, zijnde een Audi A6. Ik was bijrijder en mijn collega [verbalisant 1] trad daarbij op als bestuurder van de opvallende surveillanceauto. Op tijd en plaats voornoemd kregen wij het verzoek om assistentie te verlenen aan de collega’s van het RBT-Weert in verband met een achtervolging op de A2 in de richting van Zuid-Limburg.
Ik doe aangifte tegen de bestuurder van de grijze Volkswagen Golf omdat tijdens het rijden op de A2 in Limburg deze bestuurder een snelle beweging maakte met zijn Volkswagen in de richting van onze dienstauto op het moment dat wij bijna naast hem reden op de linkerrijstrook van de A2. Daardoor was mijn collega [verbalisant 1] genoodzaakt een stuurbeweging te maken naar links en krachtig te remmen. Had hij dit niet gedaan, dan waren wij met alle kracht met de Volkswagen in aanraking gekomen en had de Volkswagen de linker zijflank van de Audi tegen de vangrail gedrukt. Op dat moment reden wij met een snelheid van ongeveer 190 kilometer per uur. We mogen eigenlijk van geluk spreken dat we niet geraakt werden door de Volkswagen. Als mijn collega niet zo adequaat gereageerd zou hebben waren wij vol tegen de vangrail van de A2 gereden met alle gevolgen van dien. Hij heeft zelfs op meerdere momenten geprobeerd ons op deze manier de weg te blokken. Het was voor mij op dat moment wel duidelijk dat deze bestuurder nergens voor terug zou deinzen. Ik ben hierdoor erg geschrokken. Het had zoveel erger kunnen aflopen. Gelukkig zijn mijn collega [verbalisant 1] en ik ongedeerd gebleven en kunnen wij het nog navertellen.
3. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 1 november 2020, voor zover inhoudende als verklaring van [verbalisant 1] :
Ik doe aangifte van poging doodslag en bedreiging gepleegd door de bestuurder van de grijze Volkswagen Golf gekentekend [kenteken] . Op 31 oktober 2020, omstreeks 01.00 uur reed ik samen met mijn collega [aangever 2] in een opvallend dienstvoertuig, een snel interventie voertuig (de Audi A6). Wij waren in uniform gekleed en waren doende met onze werkzaamheden op de A73 ter hoogte van Roermond.
Ik, [verbalisant 1] , trad op als bestuurder en mijn collega van [aangever 2] was bijrijder. Op voornoemd tijdstip kregen wij het verzoek om assistentie te verlenen aan de collega's van de regio Weert, in verband met een achtervolging op de A2 richting zuiden, waarbij ze bij betrokken waren.
Op het moment dat wij aankomen op het viaduct bij Grathem, gelegen boven de A2, zag ik de grijze Golf, gekentekend [kenteken] met hoge snelheid aankomen rijden, rijdend over rijstrook 1 van de A2 rechts, met daarachter de collega's die met zwaailicht en sirene reden. Ik begon op dat moment op te rijden over de invoegstrook en zag daarbij dat de Golf mij met zeer hoge snelheid passeerde. Ik zag dat er totaal drie personen in zaten.
Ik kon met ons snelle dienstvoertuig vlug bijtrekken en kwam als eerste voertuig achter de Golf te rijden. Ik zag op de kilometerteller van ons dienstvoertuig dat wij 200 km/u reden. Ik zag de Golf over rijstrook 2 rijden. Om de achtervolging te stoppen probeerde ik de Golf over rijstrook 1, links, in te halen. Dit ging gemakkelijk om dat ons dienstvoertuig veel sneller kon rijden dan de Golf. Op het moment dat ik praktisch naast de Golf kom te rijden, met ongeveer 220 km/u, links op rijstrook 1, maakte de bestuurder van de Golf, totaal onnodig, een abrupte stuurbeweging in onze richting. Ik schrok erg van deze stuurbeweging, vooral omdat er geen ander voertuig in de buurt was. Dus totaal onverwachts.
Ik moest abrupt hard en krachtig remmen en tevens abrupt naar links sturen in de richting van de vangrail en middenberm. Ik moest al mijn rijkunde inzetten om een aanrijding met de Golf te voorkomen en ook met de vangrail van de middenberm. Ik zag de vangrail al op ons afkomen. Ik kon nog maar net voorkomen dat de linker wielen niet in de middenberm terecht kwamen. Ik kon onze auto nog net onder controle houden. Ik vond dit heel erg bedreigend en ik voelde mij hier niet goed bij. Ondanks mijn rijkunde was ik heel erg geschrokken van deze actie van de bestuurder van de Golf, omdat gezien het verkeersbeeld dit totaal onnodig was. Het was bewust gedaan om ons van de weg afte drukken. Ik ben blij dat wij ongedeerd zijn gebleven en dit kunnen na vertellen. Vervolgens heeft hij dit in de loop van de achtervolging nog een paar keer geprobeerd te doen.
Na mijn dienst heb ik best nog veel gedacht aan deze actie en toen drong het tot mij door dat wij ontzettend veel geluk hebben gehad dat wij het er levend hadden afgebracht. Vooral bij deze snelheid van ongeveer 200 km/u.
4. Het aanvullend proces-verbaal van bevindingen d.d. 12 maart 2021, voor zover inhoudende als relaas van de verbalisant [aangever 2] :
Ten tijde van de achtervolging gaf ik, [aangever 2] , portofonisch aan het operationeel centrum Driebergen het kenteken van de Volkswagen Golf door. Tijdens de achtervolging probeerde de bestuurder, naar later bleek de aangehouden verdachte [verdachte] , meermaals met zeer hoge snelheid met deze Volkswagen ons van de weg te drukken. Door de alerte reactie van mijn collega [verbalisant 1] , die als bestuurder van ons dienstvoertuig optrad, werd een aanrijding voorkomen.
Op het moment dat deze Volkswagen in Duitsland de afslag Eschweiler nam en aan de Rue de Wattrelos via het gras en trottoir tegen ons dienstvoertuig aanreed, stonden mijn collega [verbalisant 1] en ik voor de Volkswagen. Ik liep direct naar de Volkswagen toe. Het bestuurdersportier was in eerste instantie gesloten. Nadat deze werd geopend, pakte ik samen met mijn collega [verbalisant 1] en een collega van de Duitse politie [verdachte] aan zijn arm en kleding vast teneinde hem naar de grond te geleiden en aan te houden.”
7. De bewijsoverwegingen van het hof, houden voor zover hier van belang, het volgende in:
“Uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt naar het oordeel van het hof dat de door de verdachte gemaakte abrupte stuurbewegingen in de richting van het dienstvoertuig van de verbalisanten [verbalisant 1] en [aangever 2] zijn geschied onder zodanige omstandigheden dat deze in het algemeen geschikt zijn om bij de inzittenden van dat voertuig de vrees teweeg te brengen dat een verkeersongeluk met dodelijke afloop zou plaatsvinden. Gelet daarop heeft die vrees bij [verbalisant 1] en [aangever 2] in redelijkheid kunnen ontstaan. Het hof acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich met zijn handelen schuldig heeft gemaakt aan het meermalen bedreigen van de verbalisanten met een misdrijf tegen het leven gericht.”
De bespreking van het middel
8. Het hof heeft het bewezenverklaarde gekwalificeerd als “bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd”. Gelet op de bewezenverklaring, de kwalificatie en de verwijzing naar art. 57 Sr bij de toepasselijke wettelijke voorschriften, heeft het hof kennelijk geoordeeld dat in het onderhavige geval sprake is van een meerdaadse samenloop in de zin van art. 57 Sr.
9. In de toelichting op het middel wordt betoogd dat het hof daarmee is “afgeweken van de tenlastelegging die immers inhoudt dat rekwirant twee personen heeft bedreigd door een of meerdere malen bepaalde stuurbewegingen te maken” en het de tenlastelegging “niet zó [kon] uitleggen dat rekwirant niettemin ervan werd beschuldigd dat hij zich aan meerdere gevallen van bedreiging schuldig had gemaakt”. In dat verband wordt door de steller van het middel aangevoerd dat (i) de dreigende stuurbewegingen nauw verband met elkaar hielden, (ii) ze plaatsvonden met hetzelfde doel (zich niet laten inhalen door de politieauto), (iii) ze gelijksoortig waren en (iv) ze alle plaatsvonden in een bestek van een half uur.
10. De regels van meerdaadse samenloop zijn onder meer van toepassing ingeval de verdachte gelijktijdig wordt berecht wegens op zichzelf staande strafbare feiten, of wanneer sprake is van één feitencomplex dat strafbare feiten oplevert die meer dan één verwijt behelzen.1.Blijkens de artikelen 57 en 58 Sr is voor de beoordeling van de vraag of sprake is van meerdaadse samenloop mede de vraag van belang of de bewezenverklaarde feiten kunnen worden beschouwd als op zichzelf staande handelingen. Voor de in art. 56 Sr neergelegde voortgezette handeling komt het erop aan of de verschillende bewezenverklaarde, elkaar in de tijd opvolgende gedragingen (ook met betrekking tot het “wilsbesluit”) zo nauw met elkaar samenhangen dat de verdachte daarvan (in wezen) één verwijt wordt gemaakt. De wijze van tenlasteleggen kan van belang zijn voor de samenloop. Samenloopvragen rijzen in beginsel niet als de enkelvoudige kwalificatie al uit de tenlastelegging voortvloeit, dus als ze zijn tenlastegelegd als één samenhangend feitencomplex. Voorbeelden daarvan zijn mishandeling door het toedienen van meerdere slagen aan hetzelfde slachtoffer of diefstal met braak door het stelen van meerdere voorwerpen bij een inbraak.2.
11. Ik meen dat het hof niet onbegrijpelijk uit de concrete omstandigheden van het onderhavige geval heeft kunnen afleiden dat het op verschillende tijdstippen onder hoge snelheid maken van abrupte stuurbewegingen in de richting van de politieauto telkens een zelfstandig feit in de zin van de meerdaadse samenloop oplevert. Ook de tenlastelegging laat deze lezing toe. Ter vergelijking wijs ik daarbij op het arrest van HR 11 juli 2023, ECLI:NL:HR:2023:1040. In die zaak liet de Hoge Raad de veroordeling wegens het meermalen plegen van ontucht – door het in een zwembad op verschillende tijdstippen (dus meermalen) onverhoeds vastpakken en aanraken van de genitaliën van het slachtoffer – in stand zonder daaraan een inhoudelijke motivering te wijden.3.Ik meen dat zich hier geen voortgezette handeling heeft voorgedaan, omdat op de bewuste momenten voor elke nieuwe stuurbeweging telkens weer een apart wilsbesluit nodig was en moest worden genomen.
12. Het eerste middel faalt.
III. Het tweede middel en de bespreking daarvan
12. Het tweede middel klaagt dat het hof een straf heeft opgelegd die hoger is dan het ten tijde van het bewezenverklaarde feit geldende wettelijke strafmaximum.
13. Op grond van het destijds geldende art. 285, eerste lid, (oud) Sr kon voor het bewezenverklaarde feitencomplex een gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren worden opgelegd. Ingevolge art. 57 Sr wordt bij meerdaadse samenloop waarbij gelijksoortige straffen zijn gesteld één straf opgelegd (eerste lid), met dien verstande dat het maximum van deze straf het totaal is van de hoogste straffen, doch voor zover het een gevangenisstraf (of hechtenis) betreft niet meer dan een derde boven het hoogste maximum. Dat betekent dat het hof een gevangenisstraf kon opleggen van hooguit twee jaar plus een derde daarvan, dus in totaal twee jaar en 243 dagen. De door het hof aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van drie jaar ligt boven dit maximum.
14. Wellicht heeft het hof zich laten leiden door de huidige strafbepaling van art. 285, eerste lid, Sr. Met de invoering van de Wet van 4 november 2021 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten in verband met versterking van de strafrechtelijke aanpak van ondermijnende criminaliteit (versterking strafrechtelijke aanpak ondermijnende criminaliteit) is het strafmaximum voor bedreiging als in die bepaling bedoeld per 1 maart 2022 verhoogd naar drie jaren. In dat geval heeft het hof miskent dat in geval van een wetswijziging ten aanzien van de sanctiebedreiging geldt dat met onmiddellijke ingang de voor de verdachte gunstigste bepaling wordt toegepast.4.
15. Het tweede middel slaagt hoe dan ook.
16. Indien het hof bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf (per abuis) is uitgegaan van de huidige strafbedreiging in art. 285, eerste lid, Sr van ten hoogste drie jaren, dan is dit niet de maximale gevangenisstraf die het hof met toepassing van art. 57 Sr had kunnen opleggen. Dat zou dan immers vier jaren zijn geweest. Ook met het oog daarop geef ik de Hoge Raad niet in overweging de zaak zelf af te doen.
IV. Het derde en het vierde middel
17. Het derde middel bevat de klacht dat het hof heeft verzuimd te motiveren waarom het tot een hogere strafoplegging is gekomen dan de rechtbank, zulks terwijl het hof de verdachte heeft vrijgesproken van de primair tenlastegelegde poging tot doodslag en de raadsvrouw ter ’s hofs terechtzitting het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt heeft ingenomen dat juist een kortere dan de door de rechtbank opgelegde straf is aangewezen. Het vierde middel klaagt dat het hof in strijd met art. 359, zesde lid, Sv niet heeft vermeld welk deel van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf in elk geval (in een penitentiaire inrichting) ten uitvoer zal worden gelegd.
18. Ik meen dat deze twee middelen geen bespreking behoeven nu het tweede middel slaagt.
V. Slotsom
19. Het eerste middel faalt en kan mijns inziens worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering. Het tweede middel slaagt. Het derde en het vierde middel behoeven geen bespreking.
20. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
21. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, en tot zodanige op art. 440, tweede lid, Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 21‑11‑2023
HR 20 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1111, NJ 2019/111, m.nt. Mevis.
Ook kan gewezen worden op HR 29 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:1028. In die zaak was het meermalen schieten met een vuurwapen in de richting van een auto waarin zich drie personen bevonden, gekwalificeerd als bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd. Over die kwalificatie werd in cassatie niet geklaagd.
HR 12 juli 2011, ECLI:NL:HR:BP6878, NJ 2012/78, m.nt. Keijzer (zulks naar aanleiding van het Scoppola-arrest van EHRM 17 september 2009, nr. 10249/03, ECLI:NL:XX:2009:BK6009).
Beroepschrift 08‑05‑2023
De Hoge Raad der Nederlanden
SCHRIFTUUR VAN CASSATIE
in de zaak van [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1997, wonende aan de [adres] te [postcode] [woonplaats], doch in deze procedure woonplaats kiezende op het hierna te noemen kantooradres van zijn advocaat mr S.J. van der Woude, rekwirant tot cassatie van een hem betreffend arrest van het Gerechtshof te 's‑Hertogenbosch, parketnummer 20-001053-22, gewezen op 27 oktober 2022.
Deze schriftuur wordt ondertekend en ingediend door mr S.J. van der Woude advocaat te Amsterdam, kantoorhoudende aan de Willemsparkweg 31 te 1071 GP Amsterdam, die verklaart tot deze ondertekening en indiening bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd door rekwirant van cassatie.
Rekwirant tot cassatie stelt de volgende middelen van cassatie voor:
Middel 1:
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd, waarvan niet-naleving nietigheid meebrengt. In het bijzonder zijn de artikelen 56 en 57 Sr en 261, 350, 359, en 415 Sv geschonden,
doordat het hof het bewezenverklaarde heeft gekwalificeerd als meerdere op zichzelf staande handelingen en bij de toepasselijk geachte wetsartikelen artikel 57 Sr heeft vermeld, hoewel slechts ten laste was gelegd dat rekwirant in één geval twee personen had bedreigd door meerdere malen stuurbewegingen te maken, zodat het hof de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten door het bewezen verklaarde als meerdere strafbare feiten te kwalificeren;
en
doordat het hof het ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit gelet op de gebezigde bewijsmiddelen redelijkerwijs niet kon kwalificeren als meerdere op zichzelf staande handelingen zoals bedoeld in artikel 57 Sr, maar slechts als een voortgezette handeling zoals bedoeld in artikel 56 Sr.
De kwalificatie van het bewezenverklaarde is hierdoor onvoldoende met redenen omkleed en het bestreden arrest lijdt dientengevolge aan nietigheid.
Toelichting
Aan rekwirant is in deze zaak ten laste gelegd dat
‘hij op of omstreeks 3 I oktober 2020 in de provincie Limburg, in elk geval in Nederland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [verbalisant 1] en [aangever 2] opzettelijk van het leven te beroven, een of meerdere malen terwijl hij 200 km per uur reed waar snelheden van 130 km per uur respectievelijk 70 km per uur waren toegestaan, in elk geval onder hoge snelheid, abrupte stuurbeweging(en) in de richting van het dienstvoertuig heeft gemaakt waardoor die [verbalisant 1] krachtig diende te remmen en/of uit te wijken in de richting van de vangrail en/of middenberm teneinde een aanrijding te voorkomen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid: (art 287 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht)
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 3 I oktober 2020 in de provincie Limburg, in elk geval in Nederland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan ambtenaren [verbalisant 1] en [aangever 2] gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, een of meerdere malen terwijl hij 200 km per uur reed waar snelheden van 130 km per uur respectievelijk 70 km per uur waren toegestaan, in elk geval onder hoge snelheid, abrupte stuurbeweging(en) in de richting van het dienstvoertuig heeft gemaakt waardoor die [verbalisant 1] krachtig diende te remmen en/of uit te wijken in de richting van de vangrail en/of middenberm teneinde een aanrijding te voorkomen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid (art 300 lid I Wetboek van Strafrecht, art 304 ahf/sub 3 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid I Wetboek van Strafrecht)
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 3 I oktober 2020 in de provincie Limburg, in elk geval in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen. [verbalisant 1] en [aangever 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door een of meerdere malen terwijl hij 200 km per uur reed waar snelheden van 130 km per uur respectievelijk 70 km per uur waren toegestaan, in elk geval onder hoge snelheid, abrupte stuurbeweging(en) in de richting van het dienstvoertuig te maken waardoor die [verbalisant 1] krachtig diende te remmen en of uit te wijken in de richting van de vangrail en/of middenberm teneinde een aanrijding te voorkomen: (art 285 lid I Wetboek van Strafrecht)’
Het hof heeft rekwirant vrijgesproken van het primair en subsidiaire ten laste gelegde, doch bewezen verklaard dat hij zich schuldig had gemaakt aan bedreiging. Het hof heeft hiertoe ten aanzien van rekwirant bewezenverklaard dat:
‘hij op 31 oktober 2020 in de provincie Limburg [verbalisant 1] en [aangever 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door meerdere malen, terwijl hij reed onder hoge snelheid, abrupte stuurbewegingen in de richting van de politieauto te maken waardoor die [verbalisant 1] krachtig diende te remmen en/of uit te wijken in de richting van de vangrail en middenberm teneinde een aanrijding te voorkomen.’
Het hof heeft dit feit gekwalificeerd als:
‘‘bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd’
(cursivering van mij, sw)’
Het hof heeft bij de toepasselijke wettelijke voorschriften artikel 57 Sr vermeld waardoor het hof buiten twijfel heeft gesteld dat het heeft geoordeeld dat de ten laste gelegde en bewezenverklaarde bedreiging meerdere op zichzelf staande handelingen inhield en geen voortgezette handeling als bedoeld in artikel 56 Sr, en dat het hof het bewezenverklaarde vervolgens ook als meerdere zelfstandige strafbare feiten heeft gekwalificeerd.
Hierdoor is het hof evenwel afgeweken van de tenlastelegging die immers inhoudt dat rekwirant twee personen heeft bedreigd door een of meerdere malen bepaalde stuurbewegingen te maken. Het hof kon de telastelegging niet zó uitleggen dat rekwirant niettemin ervan werd beschuldigd dat hij zich aan meerdere gevallen van bedreiging schuldig had gemaakt. Dat wordt niet anders doordat de tenlastelegging inhoudt dat de betreffende bedreiging niet één maar twee personen (als inzittende van een auto) betrof, en dat de bedreiging erin bestond dat meerdere malen een bepaalde stuurbeweging was gemaakt. Het feit is blijkens de tekst van de tenlastelegging immers als een enkelvoudige bedreiging van twee personen door middel van meerdere handelingen ten laste gelegd.
Voorts kan uit de bewijsvoering van het hof niet — althans niet zonder meer — blijken dat sprake is geweest van meerdere op zichzelf staande dreigende handelingen, die meer dan één misdrijf opleveren zoals bedoeld in artikel 57 Sr.
Met betrekking tot de bedreigingshandeligen heeft het hof — voor zover van belang — de volgende bewijsmiddelen gebruikt:
- ‘1.
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 31 oktober 2020, voor zover inhoudende als relaas van de verbalisanten [verbalisant 1] en [aangever 2]:
(…) Op 3 1 oktober 2020, omstreeks 01.01 uur, reden wij over de A73 rechts in de omgeving van Roermond. Op dat moment kregen wij het verzoek van de centralist van de regionale meldkamer Limburg om aan te sluiten bij een achtervolging die op dat moment gaande was op de A2 van het zuiden. Het betrof een Volkswagen Golf, grijs van kleur. Een regionale patrouille reed er met een snelheid van ongeveer 200 km/u. Deze kon het voertuig volgen, maar niet bijtrekken. Wij, [verbalisant 1] en [aangever 2]. namen positie in op het viaduct gelegen boven de A2. Vervolgens zagen wij het achtervolgde voertuig en de opvallende patrouille aan komen rijden vanuit het noorden. Wij zagen de Golf onder ons doorrijden. Vervolgens zijn wij de A2 opgereden en kwamen wij achter de Golf te rijden, als eerste voertuig. Wij reden op dat moment met een snelheid van ongeveer 200 km/u.
Wij probeerden vervolgens de Golflinks in te halen om er voor te komen. Op het moment dat wij met de neus van ons voertuig links langs de linker achterzijde van de Golf kwamen te rijden, reed de bestuurder van de Golf meteen, met een moedwillige abrupte stuurbeweging, in onze richting en probeerde ons in de middenvangrail/berm te drukken. Ik. [verbalisant 1], schrok hier behoorlijk van en moest krachtig remmen en sturen om een aanrijding met deze hoge snelheid voorkomen. Ik, [verbalisant 1], zag met deze hoge snelheid de vangrail op mij afkomen en dacht meteen dat ik dit niet ging overleven. Ik moest al mijn kunde inzetten om niet in een slip te komen en zo de controle over ons voertuig te verliezen. Ik. [aangever 2], schrok hier ook erg van en was behoorlijk bang om in de vangrail te belanden. Ik dacht echt dat er een flinke aanrijding zou volgen met alle gevolgen van dien. Vervolgens heb ik (het hof begrijpt: [verbalisant 1]) een vijftig tal meters afstand genomen en bleef achter de Golf rijden en gaven wij de positie aan de meldkamer door. Wij zagen dat er drie personen in de Golf zaten.
Wij, verbalisanten, wisten dat er ter hoogte van Roosteren/Born wegwerkzaamheden waren. Ik, [verbalisant 1], probeerde voor de wegwerkzaamheden nogmaals voorbij de Golf te rijden ten einde voor hem te komen om het voertuig tot stilstand te dwingen. Vervolgens heeft de bestuurder van de Golf ons nogmaals met abrupte stuurbewegingen, zowel naar links en naar rechts geprobeerd ons van de weg te drukken. Ik, [verbalisant 1], schrok hier wederom van. Ik moest wederom enkele malen krachtig remmen en sturen om aanrijdingen te voorkomen. Ik, [aangever 2], schrok hier heel erg van en voelde mij hier niet goed bij van de schrik. Vervolgens hebben wij afstand genomen van de Golf, een vijftig tal meters zodat wij op tijd konden anticiperen op de acties van de Golf.
Aan het einde van de wegwerkzaamheden zagen wij dat de Golf rijstrook 1 opreed en zijn snelheid wederom verhoogde naar 200 km/u. Vervolgens probeerde wij, verbalisanten, wederom langs de Golf te rijden. Wederom werd er met een abrupte stuurbeweging, door de bestuurder van de Golf, op ons ingereden. Weer moest ik, [verbalisant 1], krachtig sturen en remmen om een aanrijding te voorkomen. Wij reden op dat moment over rijstrook 2. Vervolgens bleven wij de Golf op een afstand van vijftig meter volgen teneinde een aanrijding te voorkomen.
Wij bleven in de richting van het zuiden rijden. (…)
- 2.
Het proces-verbaal van aangifte d.d. 1 november 2020, voor zover inhoudende als verklaring van [verbalisant 1]:
Ik doe aangifte van poging doodslag en bedreiging gepleegd door de bestuurder van de grijze Volkswagen Golf gekentekend [kenteken].
Op 31 oktober 2020, omstreeks 01.00 uur reed ik samen met mijn collega [aangever 2] in een opvallend dienstvoertuig, een snel interventie voertuig (de Audi A6). Wij waren in uniform gekleed en waren doende met onze werkzaamheden op de A73 ter hoogte van Roermond.
Ik, [verbalisant 1], trad op als bestuurder en mijn collega van [aangever 2] was bijrijder. Op voornoemd tijdstip kregen wij het verzoek om assistentie te verlenen aan de collega's van de regio Weert, in verband met een achtervolging op de A2 richting zuiden, waarbij ze bij betrokken waren.
Op het moment dat wij aankomen op het viaduct bij Grathem, gelegen boven de A2, zag ik de grijze Golf, gekentekend [kenteken] met hoge snelheid aankomen rijden, rijdend over rijstrook 1 van de A2 rechts, met daarachter de collega's die met zwaailicht en sirene reden. Ik begon op dat moment op te rijden over de invoegstrook en zag daarbij dat de Golf mij met zeer hoge snelheid passeerde. Ik zag dat er totaal drie personen in zaten.
Ik kon met ons snelle dienstvoertuig vlug bijtrekken en kwam als eerste voertuig achter de Golfte rijden. Ik zag op de kilometerteller van ons dienstvoertuig dat wij 200 km/u reden. Ik zag de Golf over rijstrook 2 rijden. Om de achtervolging te stoppen probeerde ik de Golf over rijstrook 1, links, in te halen. Dit ging gemakkelijk om dat ons dienstvoertuig veel sneller kon rijden dan de Golf. Op het moment dat ik praktisch naast de Golf kom te rijden, met ongeveer 220 km/u, links op rijstrook 1, maakte de bestuurder van de Golf, totaal onnodig, een abrupte stuurbeweging in onze richting. Ik schrok erg van deze stuurbeweging, vooral omdat er geen ander voertuig in de buurt was. Dus totaal onverwachts.
Ik moest abrupt hard en krachtig remmen en tevens abrupt naar links sturen in de richting van de vangrail en middenberm. Ik moest al mijn rijkunde inzetten om een aanrijding met de Golf te voorkomen en ook met de vangrail van de middenberm. Ik zag de vangrail al op ons afkomen. Ik kon nog maar net voorkomen dat de linker wielen niet in de middenberm terecht kwamen. Ik kon onze auto nog net onder controle houden. Ik vond dit heel erg bedreigend en ik voelde mij hier niet goed bij. Ondanks mijn rijkunde was ik heel erg geschrokken van deze actie van de bestuurder van de Golf, omdat gezien het verkeersbeeld dit totaal onnodig was. Het was bewust gedaan om ons van de weg af te drukken. Ik ben blij dat wij ongedeerd zijn gebleven en dit kunnen na vertellen.
Vervolgens heeft hij dit in de loop van de achtervolging nog een paar keer geprobeerd te doen. (…)
- 3.
Het proces-verbaal van aangifte d.d. 1 november 2020, voor zover inhoudende als verklaring van [verbalisant 1]:
Ik doe aangifte van poging doodslag en bedreiging gepleegd door de bestuurder van de grijze Volkswagen Golf gekentekend [kenteken].
Op 31 oktober 2020, omstreeks 01.00 uur reed ik samen met mijn collega [aangever 2] in een opvallend dienstvoertuig, een snel interventie voertuig (de Audi A6). Wij waren in uniform gekleed en waren doende met onze werkzaamheden op de A73 ter hoogte van Roermond.
Ik, [verbalisant 1], trad op als bestuurder en mijn collega van [aangever 2] was bijrijder. Op voornoemd tijdstip kregen wij het verzoek om assistentie te verlenen aan de collega's van de regio Weert, in verband met een achtervolging op de A2 richting zuiden, waarbij ze bij betrokken waren.
Op het moment dat wij aankomen op het viaduct bij Grathem, gelegen boven de A2, zag ik de grijze Golf, gekentekend [kenteken] met hoge snelheid aankomen rijden, rijdend over rijstrook 1 van de A2 rechts, met daarachter de collega's die met zwaailicht en sirene reden. Ik begon op dat moment op te rijden over de invoegstrook en zag daarbij dat de Golf mij met zeer hoge snelheid passeerde. Ik zag dat er totaal drie personen in zaten.
Ik kon met ons snelle dienstvoertuig vlug bijtrekken en kwam als eerste voertuig achter de Golfte rijden. Ik zag op de kilometerteller van ons dienstvoertuig dat wij 200 km/u reden. Ik zag de Golf over rijstrook 2 rijden. Om de achtervolging te stoppen probeerde ik de Golf over rijstrook 1, links, in te halen. Dit ging gemakkelijk om dat ons dienstvoertuig veel sneller kon rijden dan de Golf. Op het moment dat ik praktisch naast de Golf kom te rijden, met ongeveer 220 km/u, links op rijstrook 1, maakte de bestuurder van de Golf, totaal onnodig, een abrupte stuurbeweging in onze richting. Ik schrok erg van deze stuurbeweging, vooral omdat er geen ander voertuig in de buurt was. Dus totaal onverwachts.
Ik moest abrupt hard en krachtig remmen en tevens abrupt naar links sturen in de richting van de vangrail en middenberm. Ik moest al mijn rijkunde inzetten om een aanrijding met de Golf te voorkomen en ook met de vangrail van de middenberm. Ik zag de vangrail al op ons afkomen. Ik kon nog maar net voorkomen dat de linker wielen niet in de middenberm terecht kwamen. Ik kon onze auto nog net onder controle houden. Ik vond dit heel erg bedreigend en ik voelde mij hier niet goed bij. Ondanks mijn rijkunde was ik heel erg geschrokken van deze actie van de bestuurder van de Golf, omdat gezien het verkeersbeeld dit totaal onnodig was. Het was bewust gedaan om ons van de weg af te drukken. Ik ben blij dat wij ongedeerd zijn gebleven en dit kunnen na vertellen.
Vervolgens heeft hij dit in de loop van de achtervolging nog een paar keer geprobeerd te doen.(…)
- 4.
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 31 oktober 2020, voor zover inhoudende als relaas van de verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3]
Op 31 oktober 2020, omstreeks 01.30 uur, waren wij. [verbalisant 2] en [verbalisant 3], belast met de incidentenafhandeling binnen het Basisteam Heerlen van Eenheid Limburg. Wij waren in uniform gekleed en verplaatsten ons in een herkenbaar dienstvoertuig.
Op 31 oktober 2020, omstreeks 01.30 uur. werden wij door het Operationeel Centrum gestuurd naar knooppunt Kunderberg in verband met een achtervolging op de A76 in de richting van Duitsland.(…)’
Zonder nadere motivering van het hof — die op dit punt ontbreekt — kan hieruit niet blijken dat sprake was van meerdere op zichzelf staande handelingen als bedoeld in artikel 57 Sr.
Uit de bewijsmiddelen volgt immers dat de dreigende stuurbewegingen nauw verband met elkaar hielden en dat zij steeds plaats vonden met hetzelfde doel: te voorkomen dat de politieauto de Golf zou kunnen inhalen. Verder blijkt eruit dat zij gelijksoortig waren en plaatsvonden in het kader van zelfde autorit (‘Vervolgens heeft hij dit in de loop van de achtervolging nog een paar keer geprobeerd te doen’), en dat alles gebeurde binnen het tijdsbestek van minder dan een half uur. Uit de gebezigde bewijsmiddelen kan dan ook slechts blijken dat sprake was van handelingen die zozeer verband met elkaar hielden dat zij moeten worden beschouwd als een voortgezette handeling als bedoeld in artikel 56 Sr.
Rekwirant heeft belang bij cassatie op dit punt omdat bij toepassing van artikel 56 Sr op de verschillende handelingen slechts één strafbepaling wordt toegepast, te weten artikel 285 Sr waarin twee jaar gevangenisstraf wordt bedreigd. Wanneer de handelingen als op zichzelf staande feiten worden beschouwd kan ingevolge artikel 57, tweede lid, Sr een straf worden opgelegd die nog een derde hoger ligt. Dit is van belang nu het hof kennelijk heeft beoogd een straf op te leggen die het strafmaximum benadert, waarbij het hof de ten hoogste op te leggen straf zelfs heeft overschreden (zie hiervoor de toelichting op middel 2).
Middel 2
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd, waarvan niet-naleving nietigheid meebrengt. In het bijzonder zijn de artikelen 1, 57 en 285 Sr geschonden, doordat het hof rekwirant wegens bedreiging, meermalen gepleegd, heeft veroordeeld tot een gevangenisstraf van 3 jaar waardoor het hof een hogere straf heeft opgelegd dan op deze feiten was gesteld, te weten 2 jaar en 243 dagen.
Het arrest lijdt hierdoor aan nietigheid.
Toelichting
Aan rekwirant is meer subsidiair ten laste gelegd dat
‘hij op of omstreeks 3 I oktober 2020 in de provincie Limburg, in elk geval in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen. [verbalisant 1] en [aangever 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door een of meerdere malen terwijl hij 200 km per uur reed waar snelheden van 130 km per uur respectievelijk 70 km per uur waren toegestaan, in elk geval onder hoge snelheid, abrupte stuurbeweging(en) in de richting van het dienstvoertuig te maken waardoor die [verbalisant 1] krachtig diende te remmen en of uit te wijken in de richting van de vangrail en/of middenberm teneinde een aanrijding te voorkomen: (art 285 lid I Wetboek van Strafrecht)’
Het hof heeft rekwirant vrijgesproken van het primair en subsidiaire ten laste gelegde, maar wel bewezen verklaard dat hij zich schuldig had gemaakt aan de meer subsidiair ten laste gelegde bedreiging, meermalen gepleegd. Het hof heeft hiertoe ten aanzien van rekwirant bewezenverklaard dat
‘hij op 31 oktober 2020 in de provincie Limburg [verbalisant 1] en [aangever 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door meerdere malen, terwijl hij reed onder hoge snelheid, abrupte stuurbewegingen in de richting van de politieauto te maken waardoor die [verbalisant 1] krachtig diende te remmen en/of uit te wijken in de richting van de vangrail en middenberm teneinde een aanrijding te voorkomen.’
In artikel 285, eerste lid, Sr was ten tijde van het feit van 31 oktober 2020 op bedreiging een gevangenisstraf van twee jaar gesteld.
Het tweede tot en met het vijfde lid van artikel 285 Sr bevatten nog wel diverse strafverhogende omstandigheden, maar deze zijn niet aan rekwirant ten laste gelegd, zodat aan rekwirant ten hoogste een gevangenisstraf van twee jaar kon worden opgelegd, die — indien het eerste middel niet slaagt — ingevolge artikel 57, tweede lid, Sr nog kon worden verhoogd met een derde. Dit brengt de ten hoogste op te leggen straf op twee jaar plus een derde, zijnde twee jaar en (730:3=) 243 dagen.
Het hof heeft echter een gevangenisstraf van drie jaar opgelegd. Dat is aanmerkelijk hoger dan de straf die ten tijde van het feit op het bewezen verklaarde was gesteld, ongeacht of men het bewezenverklaarde kwalificeert als één voortgezette handeling of als meerdere op zichzelf staande handelingen.
Ik merk op dat artikel 285 Sr bij wet van bij wet van 4 november 2021 (Stb 2022, 544, iwtr. 1 maart 2022) is gewijzigd waarbij het strafmaximum is verhoogd naar drie jaar. Deze wijziging heeft evenwel plaatsgevonden ruim ná het bewezen verklaarde feit en moet daarom ingevolge artikel 1 Sr en artikel 7 EVRM buiten beschouwing blijven.
De conclusie is dat het hof rekwirant een aanmerkelijk hogere straf heeft opgelegd dan ingevolge artikelen 1, 57 en en 285 Sr was toegestaan.
Dit leidt tot nietigheid van het bestreden arrest.
Middel 3
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd, waarvan niet-naleving nietigheid meebrengt. In het bijzonder zijn de artikelen 350, 359 en 415 Sv geschonden, doordat het hof rekwirant op het door hem ingestelde hoger beroep heeft veroordeeld tot een aanzienlijk hogere straf dan de rechtbank had opgelegd, door rekwirant weliswaar vrij te spreken van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag maar na bewezenverklaring van uitsluitend een meermalen gepleegde bedreiging te veroordelen tot een gevangenisstraf van drie jaren, evenwel zonder voldoende te motiveren waarom het hof tot een dergelijke strafverhoging was overgegaan, zulks mede in het licht van hetgeen de raadvrouw in hoger beroep naar voren had gebracht.
Hier komt bij, dat het hof bij de strafoplegging is afgeweken van het door de raadsvrouw naar voren gebrachte uitdrukkelijk onderbouwde standpunt, dat juist een straf aangewezen was die korter was dan de rechtbank had opgelegd omdat rekwirant bij zijn aanhouding aanzienlijke verwondingen had opgelopen aan onder meer zijn gezicht, terwijl het hof de afwijking van dit standpunt in het geheel niet heeft gemotiveerd.
Het bestreden arrest lijdt hierdoor aan nietigheid.
Toelichting
De raadsvrouw van rekwirant heeft ter terechtzitting van het hof het volgende opgemerkt ten aanzien van de strafoplegging:
‘Subsidiair verzoek ik u tot een lagere strafoplegging te komen dan de rechtbank, omdat ik meen dat in ieder geval geen sprake is geweest van poging doodslag.
Meer subsidiair verzoek ik u in het geval u de rechtbank volgt in de bewezenverklaring, geen hogere gevangenisstraf op te leggen dan de rechtbank heeft gedaan, opdat cliënt niet opnieuw naar binnen hoeft.
Art. 63 is aan de orde gelet op andere veroordelingen genoemd op zijn documentatie. Ook meen ik dat in dit kader de manier waarop cliënt is aangehouden en waarbij hij behoorlijk gewond is geraakt dient te worden meegewogen, alsmede de tijd die hij in een Duitse cel heeft doorgebracht. Deze paar weken zijn bij het vaststellen van de huidige VI datum (14 juni 2022) niet meegerekend.
Voorts meen ik dat cliënt voor dergelijke feiten als first offender moet worden beschouwd. Hij heeft dan wel een strafblad, maar daarop staan met name vermogensdelicten. De Belgische zaak loopt volgens cliënt nog in hoger beroep en de laatste veroordeling ter zake van een feit met een geweldscomponent is van 2014 met pleegdatum in 2012; cliënt was toen 15. Ik meen dat dit feit niet meer meegenomen dient te worden.
Bovendien lijkt er bij cliënt een kentering gaande te zijn. Uit het reclasseringsrapport zou blijken dat er een hoog risico op recidive is. Dit is, gelet op de ontkenning door cliënt, echter puur gebaseerd op zijn documentatie. Momenteel lijkt cliënt echter zijn leven op orde te krijgen: hij heeft een stabiele relatie, een stabiel adres, een inkomen en volgt een opleiding.
Cliënt is inmiddels 25 jaar en stelt zijn wilde haren nu wel te hebben verloren. De kleine twee jaar die hij in Roermond heeft vastgezeten, hebben daaraan bijgedragen. Inmiddels is hij alweer een tijdje op vrije voeten en dat gaat goed. Hij heeft zich gedistantieerd van types als [betrokkene 1] en hij heeft geen contacten meer gehad met politie/justitie. Bovendien heeft cliënt inmiddels een serieuze relatie waar hij ook mee samen woont. Daarnaast is hij hard bezig een goede toekomst voor zichzelf te realiseren. Via de gemeente is hij de opleiding tot Fitness Instructeur gaan volgen, welke over twee weken is afgerond. Daarna zal hij een vervolgopleiding doen.
Ik verzoek Uw Hof om bij een bewezenverklaring cliënt een kans te geven en te laten zien dat hij dit kan, overigens zonder dat gevaarlijk rijgedrag te duchten valt. Derhalve verzoek ik u dus lager of in ieder geval niet hoger te straffen dan reeds door de rechtbank is gedaan en bovendien af te wijken van de OBM zoals die door de rechtbank is opgelegd, te weten voor de duur van 5 jaren, maar — bij schuldigverklaring — tot een aanzienlijk kortere duur te komen waarvan een deel voorwaardelijk.’
Met betrekking tot de verwondingen van rekwirant had zijn raadsvrouw eerder in haar pleidooi in hoger beroep opgemerkt:
‘Ook al stelt de Nederlandse politie geen geweld gebruikt te hebben, feit blijft dat cliënt na zijn aanhouding onmiddellijk afgevoerd moest worden naar het ziekenhuis in Aken en detentieongeschikt werd verklaard door een Duitse arts. Er bestond zelfs het vermoeden dat hij een gebroken kaak had opgelopen. Uiteindelijk is het gebleven bij een kapot gezicht, een geblesseerde knie, een hersenschudding en gekneusde ribben. De foto's op p.10 van het EOB liegen er niet om. En ondanks de stelling van de Nederlandse politie dat alleen ‘enkele fixeer- en controletechnieken’ zijn gebruikt en een pols is vastgepakt, zie ik in het duidelijk opgelopen letsel een bevestiging van de verklaring van cliënt dat hij erg hardhandig is aangepakt.
Vervolgens is hij na die hardhandige politieaanpak, in een ziekenhuis in een vreemd land beland om meteen daarna door te gaan naar een wekenlang verblijf in een Duitse cel. Met nagenoeg geen mogelijkheid tot het leggen van contact met, laat staan het ontvangen van bezoek van, bijvoorbeeld zijn moeder.’
Op de terechtzitting in eerste aanleg had de raadsvrouw over die verwondingen reeds het volgende opgemerkt:
‘Zo blijkt uit het EOB overduidelijk dat cliënt behoorlijk gewond is geraakt tijdens zijn aanhouding. De foto's op pagina 10 liegen er niet om en tonen een grote wond van zijn kaak tot zijn jukbeen. In zijn verklaring van 22 januari 6 beschrijft cliënt hoe die wond is ontstaan: hij werd door de agenten van de Landelijke Eenheid die er als eerste waren, dat zijn dus [aangever 2] en [verbalisant 1], aan zijn hand de auto uit gesleurd en met excessief geweld naar de grond gebracht. Vervolgens werd hij, terwijl hij op de grond lag, door een van hen vol in zijn gezicht getrapt.
Maar [aangever 2] en [verbalisant 1] houden bij hoog en bij laag vol geen geweld te hebben gebruikt dat dit letsel kan verklaren. In hun PV van bevindingen, in hun aanvullende PV's, tijdens de verhoren bij de RC: ze houden vol zich van geen kwaad bewust te zijn. Uit de Duitse stukken blijkt nu echter dat dat niet waar kan zijn. Die wond in zijn gezicht kan ik maar moeilijk rijmen met de ‘enkele fixeer-en controletechnieken’ die [aangever 2] stelt te hebben toegepast ‘en met het enkel vastpakken bij de pols dat [verbalisant 1] verklaart. Het overduidelijke letsel past echter wel volledig in de verklaring van cliënt. Een Duitse arts bevond mijn cliënt vervolgens detentieongeschikt en meende dat hij onmiddellijk naar het ziekenhuis in Aken moest, waarna cliënt met de ambulance is afgevoerd. (…)’
Het hof heeft rekwirant een aanzienlijk hogere gevangenisstraf opgelegd dan de rechtbank eerder had gedaan: drie jaren in plaats van 24 maanden. Die strafverzwaring wordt relatief nog veel groter wanneer men bedenkt dat het hof rekwirant heeft vrijgesproken van de hem ten laste gelegde poging tot doodslag (en de subsidiair ten laste gelegde poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel), en hem alleen heeft veroordeeld wegens bedreiging, terwijl de rechtbank rekwirant behalve voor bedreiging óók voor de poging tot doodslag had veroordeeld.
Dat betekent niet alleen een veroordeling in hoger beroep voor één feit in plaats van twee feiten in eerste aanleg, maar bovendien een veroordeling wegens alleen het lichtste feit van die twee: een poging tot doodslag weegt, gelet op het strafmaximum van tien jaar aanzienlijk zwaarder dan een bedreiging, waarop niet meer dan drie jaar gevangenisstraf is gesteld — eventueel te verhogen naar vier jaar indien het feit meermalen is gepleegd, zoals het hof bewezen heeft verklaard.
Ondanks deze aanzienlijk lichtere kwalificatie heeft het hof de straf verhoogd van 24 maanden naar drie jaren. Dit wekt bepaald verbazing.
Het hof heeft de strafoplegging weliswaar vrij uitgebreid gemotiveerd maar is juist op het aspect van deze dubbele strafverzwaring in hoger beroep in het geheel niet ingegaan. Het hof had dit wel behoren te doen.
Hier komt nog bij dat de raadsvrouw in haar pleidooi het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt had ingenomen dat een kortere straf aangewezen was dan de rechtbank had opgelegd. Hiertoe had zij — afgezien van een aantal vrij algemene persoonlijke omstandigheden — gewezen op de zeer specifieke omstandigheid dat rekwirant als gevolg van zijn aanhouding door de Nederlandse politieambtenaren aanzienlijke verwondingen had opgelopen:
- —
rekwirant was de auto uit gesleurd en met excessief geweld naar de grond gebracht waarna hij op de grond liggend door een van hen vol in zijn gezicht was getrapt;
- —
aanvankelijk werd vermoed dat hij een gebroken kaak had opgelopen; uiteindelijk bleef het bij een kapot gezicht, een geblesseerde knie, een hersenschudding en gekneusde ribben;
- —
ten gevolge van het letsel beoordeelde een Duitse arts rekwirant als detentieongeschikt;
De raadsvrouw heeft dit verzoek om strafvermindering in haar pleidooi weliswaar niet vorm gegeven als een verweer inzake een vormverzuim, maar dat hoefde zij ook niet te doen: ook wanneer bepaalde nadelige gevolgen voor de verdachte van de uitoefening van bevoegdheden tijdens de opsporing niet het gevolg zijn geweest van een (gesteld) vormverzuim kan de rechter hier in zijn straftoemeting rekening houden (zie ook HR 1-12-2020, ECLI:NL:HR:2020:1889, en NJ 2021, 169, rov. 2.6.3).
De stellingen van de raadsvrouw omtrent het letsel dat rekwirant bij zijn aanhouding door toedoen van Nederlandse politieambtenaren zou hebben opgelopen moeten worden gekwalificeerd als een uitdrukkelijk onderbouw standpunt in het kader ven de straftoemeting, dat betrekking heeft op een bepaalde specifieke omstandigheid die zou moeten leiden tot een bepaalde mate van straf (vgl HR 5-7-2022, ECLI:NL:HR:2022:975 en NJ 2023,129, rov 3.5.4).
Het hof, dat niet een lagere maar juist een hogere straf aan rekwirant heeft opgelegd, was dan ook gehouden om zijn afwijking van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt te motiveren. Dat heeft het hof nagelaten.
Dit alles heeft nietigheid van het bestreden arrest tot gevolg.
Middel IV:
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd, waarvan niet-naleving nietigheid meebrengt. In het bijzonder zijn de artikelen 359 (zesde lid), 415 en 6:2:10 Sv geschonden,
doordat het hof bij de motivering van de oplegging van gevangenisstraf voor rekwirant als weliswaar als mogelijkheid heeft genoemd:
- —
de deelname van rekwirant aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 Pbw;
- —
de deelname van rekwirant aan de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv,
maar in strijd met artikel 359, zesde lid, Sv niet heeft vermeld welk deel van de aan rekwirant opgelegde gevangenisstraf, gelet op deze regelingen, in elk geval (in een penitentiaire inrichting) ten uitvoer zal worden gelegd, welk verzuim in artikel 359, achtste lid met formele nietigheid is bedreigd.
Het arrest lijdt ook hierdoor aan nietigheid
Toelichting
Bij de Wet straffen en beschermen van 24 juni 2020 (Stb 224) is aan artikel 359, zesde lid Sv met betrekking tot de motivering van een straf of maatregel die vrijheidsbeneming meebrengt de volgende volzin toegevoegd:
‘Het vonnis vermeldt welk gedeelte van een opgelegde vrijheidsstraf, gelet op de mogelijkheid van deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire Beginselenwet of de voorwaardelijke invrijheidstelling, bedoeld in artikel 15 van het Wetboek van Strafrecht, in ieder geval ten uitvoer wordt gelegd.’
Ingevolge artikel 359, achtste lid, Sv heeft het verzuim om een en ander te vermelden steeds nietigheid tot gevolg.
Deze verplichting is met de Wet straffen en beschermen met ingang van 1 juli 2021 in artikel 359, zesde lid, Sv opgenomen als gevolg van een (gewijzigd) amendement van de Tweede Kamerleden Van der Staaij, Van Nispen en Van Toorenburg met de volgende toelichting:
‘‘Uit het vonnis van de rechter blijkt op dit moment op geen enkele manier dat de veroordeelde voor een deel van de opgelegde straf uiteindelijk in aanmerking kan komen voor een penitentiair programma of dat voor een deel van de straf een voorwaardelijke invrijheidstelling mogelijk is. Dit zorgt voor onduidelijkheid én voor onbegrip in de maatschappij, omdat de gedetineerde al voor het einde van de opgelegde straf volledig buiten de inrichting kan verblijven. Het dient de rechtszekerheid wanneer voortaan in het vonnis staat vermeld voor welk deel van de straf en volgens welke regels er een mogelijkheid is voor een penitentiair programma en de v.i.-regeling. Voor ieder is dan duidelijk dat de feitelijke straf die in detentie uitgezeten wordt mogelijk korter is dan de door de rechter opgelegde straf en dat de veroordeelde als hij aan de voorwaarden uit de wet voldoet in aanmerking kan komen voor deelname aan een penitentiair programma of de voorwaardelijke invrijheidstelling.’
(onderstreping van mij, sw)’
Met het uit deze toelichting blijkende doel van deze nieuwe bepaling kan men het gemakkelijk eens zijn: zij dient de duidelijkheid voor de verdachte en voor de andere leden van de maatschappij waaronder slachtoffers. Zij noopt de rechter er in zijn uitspraak toe om duidelijk te maken hoe lang de verdachte tenminste in een penitentiaire instelling (PI) gedetineerd zal zijn op grond van de hem opgelegde gevangenisstraf, en daarmee ook hoe lang de rechter wenst dat dit het geval zal zijn.
De Wet straffen en beschermen (wet van 24 juni 2020, Stb 224) is in werking getreden op 1 juli 2021. Artikel IV van de wet brengt mee dat de nieuwe regeling van toepassing is op veroordelingen die zijn opgelegd bij strafvonnissen, gewezen na de inwerkingtreding van de wet. Nu het hof aan rekwirant bij arrest van 27 oktober 2022 een gevangenisstraf heeft opgelegd van drie jaar is de nieuwe wet in deze zaak van toepassing.
De Wet bestraffen en beschermen hield tevens een wijziging in van artikel 4, tweede lid aanhef en onder a, Pbw waardoor de mogelijkheid van een penitentiair programma (PP) — anders dan voorheen — beperkt is tot veroordelingen tot gevangenisstraffen waarvan de (gezamenlijke) duur ten hoogste één jaar bedraagt. Nu in casu een gevangenisstraf van drie jaar is opgelegd doet de mogelijkheid van een PP zich niet voor en blijft dit aspect in het navolgende buiten beschouwing.
Het hof heeft in zijn strafmotivering de volgende zinsnede opgenomen:
‘Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering aan de orde is.’
Deze tekst wordt inmiddels als een sjabloon opgenomen in bijna alle arresten van de hoven waarin een onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd die nog deels ten uitvoer moet worden gelegd.
De tekst van deze sjabloon is echter volkomen nietszeggend omdat zij slechts herinnert aan het bestaan van instituten als het PP en de voorwaardelijke invrijheidstelling (VI), maar niet duidelijk maakt welk deel van de straf in een penitentiaire instelling (PI) ten uitvoer gelegd zal worden. Dat blijkt al uit het feit dat in de formule steevast de mogelijkheid van een PP genoemd wordt, ook wanneer deze mogelijkheid helemaal niet bestaat, zoals in casu.
Het hof heeft deze toverformule in het bestreden arrest opgenomen zonder enige toelichting, en zo in strijd met de duidelijke verplichting van artikel 359, zesde lid Sv dus nagelaten te vermelden ‘welk gedeelte van een opgelegde vrijheidsstraf’ gelet op de regelingen van het penitentiaire programma en de voorwaardelijke invrijheidstelling, ‘in ieder geval’ ten uitvoer wordt gelegd.
Ik merk op dat de nieuwe bepaling niet alleen duidelijkheid beoogt te scheppen voor slachtoffers en derden, maar ook voor de verdachte, die meteen kan zien hoe lang hij tenminste achter de tralies zal verdwijnen en daarop zijn gedrag kan afstemmen, in de eerste plaats ten aanzien van de vraag of hij hoger beroep dan wel cassatieberoep wil instellen.
Met de verplichting van de rechter om te vermelden welke concrete periode ingevolge de veroordeling ‘in ieder geval’ (in een penitentiaire inrichting) ten uitvoer zal worden gelegd wordt in de praktijk inmiddels op grote schaal de hand gelicht door het gebruik van dit nietszeggend sjabloon waaruit geenszins kan blijken voor welk deel van de straf sprake kan zijn van VI. Het is niet aanvaardbaar dat de bedoeling van de wetgever op een dergelijke wijze wordt ontdoken. Het is daarom aangewezen dat de Hoge Raad erop wijst dat de rechter die een vrijheidsstraf oplegt verplicht is om daarbij aan te geven voor welke concrete periode de straf tenminste in een PI ten uitvoer zal worden gelegd dan wel welk deel van de straf vatbaar is voor VI (en een PP).
In casu diende het hof concreet te vermelden dat rekwirant ingevolge de veroordeling door het hof tot drie jaar gevangenisstraf in ieder geval twee jaar nog in een PI zal moeten doorbrengen, op welke periode in mindering komt de (concreet te vermelden) periode die rekwirant in deze zaak al in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Het hof heeft dit nagelaten hetgeen ingevolge artikel 359, achtste lid, Sv tot nietigheid leidt.
Het is de vraag welk belang rekwirant bij deze afzonderlijke klacht heeft. Dat belang schuilt in de verplichting dat het hof ten aanzien van hem de wet naleeft en hem meedeelt welke straf hij in totaal achter de deur moet doorbrengen en welk deel van de straf hij, vanaf de datum waarop het bestreden arrest is gewezen, na het onherroepelijk worden van de veroordeling nog in de PI zal moeten doorbrengen na aftrek van de in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd. Ook het wijdere publiek, waaronder de slachtoffers en benadeelde partijen, heeft recht op een dergelijke ondubbelzinnige mededeling.
Wel zou in dit geval het verzuim van het hof door de Hoge Raad kunnen worden hersteld, indien de overige middelen mochten worden verworpen. De Hoge Raad zou in dat geval immers zelf kunnen vermelden dat de veroordeling door het hof meebrengt dat de gevangenisstraf gedurende ‘in ieder geval gedurende twee jaar’ in een PI ten uitvoer gelegd wordt, en daarbij kunnen vermelden welk gedeelte van die twee jaren al in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht en welke periode dus nog in ieder geval in de PI ten uitvoer zal moeten worden gelegd.
Maar ook wanneer (een van de) overige middelen gegrond wordt verklaard en de zaak zal worden verwezen of teruggewezen is het van belang dat de Hoge Raad zich over de klacht van het middel uitlaat. Deze klacht heeft immers een zaaksoverstijgend belang nu de Hoge Raad ertoe uitnodigt om aan de rechtspraktijk helderheid te verschaffen over de verplichtingen die artikel 359, zesde lid, Sv voor de rechter meebrengt, en het recht op welke informatie verdachten, slachtoffers en de maatschappij in het algemeen aan dit voorschrift kunnen ontlenen. Ook wanneer die aanspraak niet verder mocht gaan dan de thans gebruikte nietszeggende sjabloon is het van belang dat dit algemeen bekend is. Om die reden verzoekt rekwirant de Hoge Raad zich hoe dan ook uit te laten over de klacht.
verzoek tot verwijzing
Rekwirant verzoekt en zaak na cassatie te verwijzen naar een ander hof aangezien hij gelet op al het voorgaande zijn vertrouwen dat het hof in 's-Hertogenbosch zich nog onbevangen en onpartijdig zal kunnen opstellen in deze strafzaak, is aangetast.
Amsterdam, 8 mei 2023
S.J. van der Woude
raadsman