Procestaal: Engels.
HvJ EU, 05-03-2024, nr. C-588/21 P
ECLI:EU:C:2024:201
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
05-03-2024
- Magistraten
K. Lenaerts, L. Bay Larsen, A. Arabadjiev, A. Prechal, E. Regan, N. Piçarra, M. Ilešič, P.G. Xuereb, L.S. Rossi, I. Jarukaitis, A. Kumin, N. Jääskinen, N. Wahl, I. Ziemele, J. Passer
- Zaaknummer
C-588/21 P
- Conclusie
L. Medina
- Roepnaam
Public.Resource.Org en Right to Know/Commissie e.a.
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2024:201, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 05‑03‑2024
ECLI:EU:C:2023:509, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie, 22‑06‑2023
Uitspraak 05‑03‑2024
Inhoudsindicatie
Hogere voorziening — Toegang tot documenten van de instellingen van de Europese Unie — Verordening (EG) nr. 1049/2001 — Artikel 4, lid 2 — Uitzonderingen — Weigering van toegang tot een document waarvan openbaarmaking de commerciële belangen van een natuurlijke of rechtspersoon, met inbegrip van intellectuele eigendom, zou schaden — Hoger openbaar belang dat openbaarmaking gebiedt — Door het Europees Comité voor Normalisatie (CEN) vastgestelde geharmoniseerde normen — Bescherming op grond van het auteursrecht — Rechtsstaatbeginsel — Transparantiebeginsel — Beginsel van openheid — Beginsel van goed bestuur
K. Lenaerts, L. Bay Larsen, A. Arabadjiev, A. Prechal, E. Regan, N. Piçarra, M. Ilešič, P.G. Xuereb, L.S. Rossi, I. Jarukaitis, A. Kumin, N. Jääskinen, N. Wahl, I. Ziemele, J. Passer
Partij(en)
In zaak C-588/21 P,*
betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 23 september 2021,
Public.Resource.Org, Inc., gevestigd te Sebastopol, Californië (Verenigde Staten),
Right to Know CLG, gevestigd te Dublin (Ierland),
vertegenwoordigd door J. Hackl en C. Nüßing, Rechtsanwälte, en F. Logue, solicitor,
rekwirantes,
andere partijen in de procedure:
Europese Commissie, vertegenwoordigd door S. Delaude, G. Gattinara en F. Thiran als gemachtigden,
verweerster in eerste aanleg,
Europees Comité voor Normalisatie (CEN), gevestigd te Brussel (België),
Asociación Española de Normalización (UNE), gevestigd te Madrid (Spanje),
Asociaţia de Standardizare din România (ASRO), gevestigd te Boekarest (Roemenië),
Association française de normalisation (AFNOR), gevestigd te La Plaine Saint-Denis (Frankrijk),
Austrian Standards International (ASI), gevestigd te Wenen (Oostenrijk),
British Standards Institution (BSI), gevestigd te Londen (Verenigd Koninkrijk),
Bureau de normalisation/Bureau voor Normalisatie (NBN), gevestigd te Brussel,
Dansk Standard (DS), gevestigd te Kopenhagen (Denemarken),
Deutsches Institut für Normung eV (DIN), gevestigd te Berlijn (Duitsland),
Koninklijk Nederlands Normalisatie Instituut (NEN), gevestigd te Delft (Nederland),
Schweizerische Normen-Vereinigung (SNV), gevestigd te Winterthur (Zwitserland),
Standard Norge (SN), gevestigd te Oslo (Noorwegen),
Suomen Standardisoimisliitto ry (SFS), gevestigd te Helsinki (Finland),
Svenska institutet för standarder (SIS), gevestigd te Stockholm (Zweden),
Institut za standardizaciju Srbije (ISS), gevestigd te Belgrado (Servië),
vertegenwoordigd door K. Dingemann, M. Kottmann en K. Reiter, Rechtsanwälte,
interveniënten in eerste aanleg,
wijst
HET HOF (Grote kamer),
samengesteld als volgt: K. Lenaerts, president, L. Bay Larsen, vicepresident, A. Arabadjiev, A. Prechal, E. Regan en N. Piçarra, kamerpresidenten, M. Ilešič (rapporteur), P. G. Xuereb, L. S. Rossi, I. Jarukaitis, A. Kumin, N. Jääskinen, N. Wahl, I. Ziemele en J. Passer, rechters,
advocaat-generaal: L. Medina,
griffier: M. Siekierzyńska, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 15 maart 2023,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 22 juni 2023,
het navolgende
Arrest
1
Met hun hogere voorziening verzoeken Public.Resource.Org Inc. en Right to Know CLG om vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 14 juli 2021, Public.Resource.Org en Right to Know/Commissie (T-185/19, EU:T:2021:445; hierna: ‘bestreden arrest’), houdende verwerping van hun beroep tot nietigverklaring van besluit C(2019) 639 final van de Commissie van 22 januari 2019 (hierna: ‘litigieus besluit’), waarbij de Europese Commissie hun verzoek heeft afgewezen om toegang tot vier door het Europees Comité voor Normalisatie (CEN) vastgestelde geharmoniseerde normen.
Toepasselijke bepalingen
Verordening nr. 1049/2001
2
Artikel 1, met als opschrift ‘Doel’, van verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (PB 2001, L 145, blz. 43), bepaalt onder a) en b):
‘Deze verordening beoogt:
- a)
de bepaling van de beginselen, voorwaarden en beperkingen op grond van openbare of particuliere belangen betreffende het in artikel [15 VWEU] neergelegde recht van toegang tot documenten van het Europees Parlement, de Raad [van de Europese Unie] en de Commissie (hierna ‘de instellingen’), en wel zodanig, dat een zo ruim mogelijke toegang tot documenten wordt gewaarborgd,
- b)
de vaststelling van regels die een zo gemakkelijk mogelijke uitoefening van dit recht verzekeren, […]
[…]’
3
Artikel 2 van deze verordening, ‘Toegangsgerechtigden en toepassingsgebied’, bepaalt in de leden 1 tot en met 3:
- ‘1.
Iedere burger van de [Europese] Unie en iedere natuurlijke of rechtspersoon met verblijfplaats of statutaire zetel in een lidstaat heeft een recht van toegang tot documenten van de instellingen, volgens de beginselen en onder de voorwaarden en beperkingen, die in deze verordening worden bepaald.
- 2.
De instellingen kunnen toegang tot documenten verlenen, volgens dezelfde beginselen, en onder dezelfde voorwaarden en beperkingen, aan natuurlijke of rechtspersonen die geen verblijfplaats of geen statutaire zetel hebben in een lidstaat.
- 3.
Deze verordening is van toepassing op alle bij een instelling berustende documenten, dit wil zeggen documenten die door de instelling zijn opgesteld of ontvangen en zich in haar bezit bevinden, op alle werkterreinen van de Europese Unie.’
4
Artikel 4 van die verordening, ‘Uitzonderingen’, bepaalt in de leden 1, 2 en 4 het volgende:
- ‘1.
De instellingen weigeren de toegang tot een document wanneer de openbaarmaking ervan zou leiden tot ondermijning van de bescherming van:
- a)
het openbaar belang, wat betreft:
- —
de openbare veiligheid,
- —
defensie en militaire aangelegenheden,
- —
de internationale betrekkingen,
- —
het financieel, monetair of economisch beleid van de Gemeenschap of van een lidstaat;
- b)
de persoonlijke levenssfeer en de integriteit van het individu, in het bijzonder gelet op de Gemeenschapswetgeving inzake de bescherming van persoonsgegevens.
- 2.
De instellingen weigeren de toegang tot een document wanneer de openbaarmaking ervan zou leiden tot ondermijning van de bescherming van:
- —
de commerciële belangen van een natuurlijke of rechtspersoon, met inbegrip van intellectuele eigendom,
- —
gerechtelijke procedures en juridisch advies,
- —
het doel van inspecties, onderzoeken en audits,
tenzij een hoger openbaar belang openbaarmaking gebiedt.
[…]
- 4.
Wanneer het gaat om documenten van derden, wordt de derde door de instelling geraadpleegd om te kunnen beoordelen of een uitzondering van de leden 1 of 2 van toepassing is, tenzij het duidelijk is dat het document wel of niet openbaar moet worden gemaakt.’
5
Artikel 7 van voornoemde verordening, ‘Behandeling van initiële verzoeken’, bepaalt in lid 2:
‘In geval van volledige of gedeeltelijke afwijzing kan de verzoeker binnen vijftien werkdagen na ontvangst van het antwoord van de instelling een confirmatief verzoek indienen, welk verzoek ertoe strekt de instelling haar standpunt te doen herzien.’
6
Artikel 12 van verordening nr. 1049/2001, ‘Rechtstreekse toegang in elektronische vorm of via een register’, bepaalt in lid 2 het volgende:
‘In het bijzonder wetgevingsdocumenten, dat wil zeggen documenten die zijn opgesteld of ontvangen in de loop van procedures tot aanneming van in of voor de lidstaten bindende besluiten, dienen, met inachtneming van de artikelen 4 en 9, rechtstreeks toegankelijk te worden gemaakt.’
Verordening nr. 1367/2006
7
Artikel 2, ‘Definities’, van verordening (EG) nr. 1367/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 6 september 2006 betreffende de toepassing van de bepalingen van het Verdrag van Aarhus betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden op de instellingen en organen van de Unie (PB 2006, L 264, blz. 13) bepaalt in lid 1, onder d), i):
‘Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
[…]
- d)
‘milieu-informatie’: alle informatie in geschreven, visuele, auditieve, elektronische of enige andere materiële vorm over:
- i)
de toestand van elementen van het milieu, zoals lucht en atmosfeer, water, bodem, land, landschap en natuurgebieden met inbegrip van vochtige biotopen, kust- en zeegebieden, biologische diversiteit en haar componenten, met inbegrip van genetisch gemodificeerde organismen, en de interactie tussen deze elementen’.
8
Artikel 6 van deze verordening, ‘Toepassing van uitzonderingen met betrekking tot verzoeken om toegang tot milieu-informatie’, bepaalt in lid 1, eerste volzin:
‘Met betrekking tot artikel 4, lid 2, eerste en derde streepje, van [verordening nr. 1049/2001], met uitzondering van onderzoek, met name naar mogelijke inbreuken op het Gemeenschapsrecht, wordt een hoger openbaar belang geacht openbaarmaking te gebieden indien de gevraagde informatie betrekking heeft op uitstoot in het milieu.’
Verordening nr. 1907/2006
9
Punt 27 van de tabel in bijlage XVII bij verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (Reach), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie (PB 2006, L 396, blz. 1, met rectificatie in PB 2007, L 136, blz. 3), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 552/2009 van de Commissie van 22 juni 2009 (hierna: ‘verordening nr. 1907/2006’), bepaalt met betrekking tot de beperkingsvoorwaarden voor nikkel:
- ‘1.
[Mag] niet worden gebruikt:
- a)
in staafjes die in gaatjes in de oren en in andere delen van het menselijke lichaam worden geplaatst, tenzij de hoeveelheid nikkel die uit dergelijke staafjes vrijkomt, niet groter is dan 0,2 μg [(microgram)]/cm2/week (migratielimiet);
- b)
in voorwerpen bestemd om in direct en langdurig contact met de huid te komen, zoals:
- —
oorbellen,
- —
halskettingen, armbanden en kettingen, enkelringen en vingerringen,
- —
armbandhorlogekasten, horlogebanden en -sluitingen,
- —
drukknopen, sluitingen, klinknagels, ritssluitingen en metalen merktekens, wanneer deze in kleding worden gebruikt,
indien de hoeveelheid nikkel die vrijkomt uit delen van deze voorwerpen die in direct en langdurig contact met de huid komen, groter is dan 0,5 μg/cm2/week;
- c)
in voorwerpen zoals de onder b) genoemde, wanneer deze een niet-nikkelen coating hebben, tenzij deze coating voldoende is om ervoor te zorgen dat de hoeveelheid nikkel die vrijkomt uit de delen van dergelijke voorwerpen die in direct en langdurig contact met de huid komen, niet groter is dan 0,5 μg/cm2/week gedurende een periode van ten minste twee jaar van normaal gebruik van het voorwerp.
- 2.
Voorwerpen die onder punt 1 vallen, mogen niet in de handel worden gebracht tenzij zij voldoen aan de in dat punt genoemde voorschriften.
- 3.
De door het [CEN] vastgestelde normen worden gebruikt als testmethoden om aan te tonen dat voorwerpen aan de punten 1 en 2 voldoen.’
Verordening nr. 1025/2012
10
Overweging 5 van verordening (EU) nr. 1025/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende Europese normalisatie, tot wijziging van de richtlijnen 89/686/EEG en 93/15/EEG van de Raad alsmede de richtlijnen 94/9/EG, 94/25/EG, 95/16/EG, 97/23/EG, 98/34/EG, 2004/22/EG, 2007/23/EG, 2009/23/EG en 2009/105/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van beschikking 87/95/EEG van de Raad en besluit nr. 1673/2006/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB 2012, L 316, blz. 12) is als volgt verwoord:
‘Op de interne markt spelen Europese normen een zeer belangrijke rol, bijvoorbeeld door het gebruik van geharmoniseerde normen voor het vermoeden van conformiteit van producten die op de markt zullen worden aangeboden met de essentiële eisen ten aanzien van die producten als vastgelegd in de desbetreffende harmonisatiewetgeving van de Unie. Deze eisen moeten precies worden gedefinieerd om een verkeerde interpretatie door de Europese normalisatieorganisaties te voorkomen.’
11
Artikel 2 van deze verordening, ‘Definities’, bepaalt in punt 1, onder c):
‘Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
- 1)
‘norm’: een door een erkende normalisatie-instelling vastgestelde technische specificatie voor herhaalde of voortdurende toepassing, waarvan de naleving niet verplicht is en die tot een van de volgende categorieën behoort:
[…]
- c)
‘geharmoniseerde norm’: een Europese norm die op verzoek van de Commissie is vastgesteld met het oog op de toepassing van harmonisatiewetgeving van de Unie’.
12
Artikel 10 van die verordening, ‘Normalisatieverzoeken aan Europese normalisatieorganisaties’, bepaalt in lid 1:
‘De Commissie kan binnen de grenzen van de bevoegdheden als bepaald in de Verdragen een of meer Europese normalisatieorganisaties verzoeken binnen een bepaalde termijn een Europese norm of een Europees normalisatieproduct op te stellen. Europese normen en Europese normalisatieproducten moeten marktgestuurd zijn, rekening houden met het algemeen belang en met de beleidsdoelen die duidelijk in het verzoek van de Commissie staan vermeld, en gebaseerd zijn op consensus. De Commissie bepaalt aan welke inhoudelijke vereisten het gevraagde document moet voldoen en binnen welke termijn het moet worden vastgesteld.’
13
Artikel 11 van voornoemde verordening, ‘Formele bezwaren tegen geharmoniseerde normen’, bepaalt in lid 1 het volgende:
‘Wanneer een lidstaat of het Europees Parlement van mening is dat een geharmoniseerde norm niet volledig beantwoordt aan de beoogde eisen die beschreven zijn in de desbetreffende harmonisatiewetgeving van de Unie, brengt deze lidstaat of het Europees Parlement de Commissie daarvan op de hoogte, met een gedetailleerde toelichting, en de Commissie besluit, na raadpleging van het comité dat is opgericht door middel van de overeenkomstige harmonisatiewetgeving van de Unie, als een dergelijk comité bestaat, of andere vormen van raadpleging van sectorale deskundigen:
- a)
de referenties van de betrokken geharmoniseerde norm wel of niet of met beperkingen in het Publicatieblad van de Europese Unie bekend te maken;
- b)
de referenties van de betrokken geharmoniseerde norm in het Publicatieblad van de Europese Unie te handhaven, te handhaven met beperkingen of in te trekken.’
14
De eventuele financiering door de Unie van Europese normalisatieorganisaties voor normalisatiewerkzaamheden wordt geregeld in artikel 15 van verordening nr. 1025/2012.
Richtlijn 2009/48
15
Artikel 13, ‘Vermoeden van overeenstemming’, van richtlijn 2009/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2009 betreffende de veiligheid van speelgoed (PB 2009, L 170, blz. 1) luidt als volgt:
‘Speelgoed dat in overeenstemming is met geharmoniseerde normen of delen daarvan, waarvan de referentienummers in het Publicatieblad van de Europese Unie zijn bekendgemaakt, wordt geacht in overeenstemming te zijn met de eisen die door die normen of delen daarvan worden bestreken, zoals beschreven in artikel 10 en bijlage II.’
Voorgeschiedenis van het geding
16
De voorgeschiedenis van het geding, zoals deze blijkt uit de punten 1 tot en met 4 van het bestreden arrest, is als volgt.
17
Rekwirantes zijn organisaties zonder winstoogmerk die als voornaamste taak hebben om het recht vrij toegankelijk te maken voor alle burgers. Op 25 september 2018 hebben zij het directoraat-generaal Interne markt, Industrie, Ondernemerschap en Midden- en Kleinbedrijf op grond van verordening nr. 1049/2001 en verordening nr. 1367/2006 verzocht om toegang tot documenten in het bezit van de Commissie (hierna: ‘verzoek om toegang’).
18
Het verzoek om toegang betrof vier geharmoniseerde normen die het CEN heeft vastgesteld overeenkomstig verordening nr. 1025/2012, te weten norm EN 71-5:2015, met als opschrift ‘Veiligheid van speelgoed — Deel 5: Chemisch speelgoed (sets) anders dan scheikundedozen’, norm EN 71-4:2013, ‘Veiligheid van speelgoed — Deel 4: Scheikundedozen en gerelateerde sets’, norm EN 71-12:2013, ‘Veiligheid van speelgoed — Deel 12: N-nitrosamines en N-nitroseerbare stoffen’ en norm EN 12472:2005+A1:2009, ‘Methode voor de simulatie van slijtage en corrosie voor het aantonen van de afgifte van nikkel uit voorwerpen die van een deklaag zijn voorzien’ (hierna: ‘opgevraagde geharmoniseerde normen’).
19
Bij brief van 15 november 2018 heeft de Commissie het verzoek om toegang afgewezen op grond van artikel 4, lid 2, eerste streepje, van verordening nr. 1049/2001.
20
Op 30 november 2018 hebben rekwirantes bij de Commissie een confirmatief verzoek ingediend krachtens artikel 7, lid 2, van verordening nr. 1049/2001. Bij het litigieuze besluit heeft de Commissie de weigering van toegang tot de opgevraagde geharmoniseerde normen bevestigd.
Beroep bij het Gerecht en bestreden arrest
21
Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 28 maart 2019, hebben rekwirantes beroep tot nietigverklaring van het litigieuze besluit ingesteld.
22
Bij beschikking van 20 november 2019, Public.Resource.Org en Right to Know/Commissie (T-185/19, EU:T:2019:828), zijn het CEN en veertien nationale normalisatie-instellingen, te weten de Asociación Española de Normalización (UNE), de Asociaţie de Standardizare din România (ASRO), de Association française de normalisation (AFNOR), Austrian Standards International (ASI), de British Standards Institution (BSI), het Bureau de normalisation/Bureau voor Normalisatie (NBN), Dansk Standard (DS), het Deutsche Institut für Normung eV (DIN), het Koninklijk Nederlands Normalisatie Instituut (NEN), de Schweizerische Normen-Vereinigung (SNV), Standard Norge (SN), de Suomen Standardisoimisliitto ry (SFS), het Svenska institut för standarder (SIS) en het Institut za standardizaciju Srbije (ISS) (hierna gezamenlijk: ‘interveniënten in eerste aanleg’), toegelaten tot interventie in zaak T-185/19 aan de zijde van de Commissie.
23
Ter ondersteuning van hun beroepen voerden rekwirantes twee middelen aan. Met hun eerste middel betoogden zij in essentie dat de Commissie het recht had geschonden en beoordelingsfouten had begaan bij de toepassing van de uitzondering in artikel 4, lid 2, eerste streepje, van verordening nr. 1049/2001 op grond dat, ten eerste, voor de opgevraagde geharmoniseerde normen geen auteursrechtelijke bescherming kon gelden en, ten tweede, niet was aangetoond dat de commerciële belangen van het CEN en zijn nationale leden door openbaarmaking zouden worden ondermijnd.
24
Met hun tweede middel betoogden rekwirantes dat de Commissie het recht onjuist had toegepast met betrekking tot het ontbreken van een hoger openbaar belang in de zin van dat artikel 4, lid 2, laatste zinsnede, en de motiveringsplicht niet was nagekomen, omdat zij had geoordeeld dat er geen hoger openbaar belang in de zin van die bepaling was dat openbaarmaking van de opgevraagde geharmoniseerde normen gebood en omdat zij haar weigering om het bestaan van een dergelijk hoger belang te erkennen onvoldoende had gemotiveerd.
25
In antwoord op het eerste middel heeft het Gerecht allereerst in punt 29 van het bestreden arrest in herinnering gebracht dat verordening nr. 1049/2001 beoogt aan het publiek een zo ruim mogelijke toegang tot documenten van de instellingen van de Unie te verlenen en dat dit recht volgens artikel 2, lid 3, van deze verordening zowel geldt voor documenten die deze instellingen zelf hebben opgesteld als voor documenten die zij hebben ontvangen van derden, waaronder natuurlijke of rechtspersonen, om vervolgens in de punten 30 en 31 vast te stellen dat aan dat recht bepaalde beperkingen zijn gesteld om redenen van openbaar of particulier belang.
26
Betreffende in de eerste plaats de eventuele aantasting van de bescherming van de commerciële belangen die voortvloeien uit de auteursrechtelijke bescherming van de opgevraagde geharmoniseerde normen en de vraag of deze geharmoniseerde normen auteursrechtelijk kunnen worden beschermd ofschoon zij deel uitmaken van het Unierecht, heeft het Gerecht in de punten 40 tot en met 43 van het bestreden arrest in essentie geoordeeld dat het aan de autoriteit waarbij een verzoek om toegang tot van derden afkomstige documenten is ingediend staat om objectieve en onderling overeenstemmende aanwijzingen te verschaffen die het bestaan van het door de betrokken derde gestelde auteursrecht kunnen bevestigen.
27
Dienaangaande heeft het Gerecht in de punten 47 en 48 van het bestreden arrest geoordeeld dat de Commissie geen fout had begaan door te oordelen dat in casu de betrokken geharmoniseerde normen voldeden aan de oorspronkelijkheidsdrempel die zij moesten bereiken om een ‘werk’ in de zin van de rechtspraak te vormen en dus in aanmerking te komen voor die bescherming.
28
Verder heeft het Gerecht in punt 54 van het bestreden arrest geoordeeld dat rekwirantes ten onrechte hadden aangevoerd dat, aangezien het Hof in het arrest van 27 oktober 2016, James Elliott Construction (C-613/14, EU:C:2016:821), heeft vastgesteld dat deze normen deel uitmaken van het ‘Unierecht’, zij vrij en kosteloos toegankelijk moeten zijn, zodat er op die normen geen uitzondering op het recht van toegang kan worden toegepast.
29
Wat in de tweede plaats het argument betreft dat de opgevraagde geharmoniseerde normen geen auteursrechtelijke bescherming genieten omdat zij geen ‘persoonlijke intellectuele schepping’ in de zin van de rechtspraak van het Hof vormen, hetgeen noodzakelijk is om voor deze bescherming in aanmerking te komen, heeft het Gerecht in punt 59 van het bestreden arrest in essentie geoordeeld dat dit argument onvoldoende was onderbouwd.
30
Wat in de derde plaats het bestaan betreft van een beoordelingsfout met betrekking tot de vraag of er sprake was van een ondermijning van beschermde commerciële belangen, heeft het Gerecht in de punten 65 en 66 van het bestreden arrest benadrukt dat de verkoop van normen een wezenlijk bestanddeel is van het bedrijfsmodel van alle normalisatie-instellingen. Aangezien de Commissie terecht had vastgesteld dat de opgevraagde geharmoniseerde normen auteursrechtelijke bescherming genoten, op grond waarvan zij pas na betaling van bepaalde vergoedingen toegankelijk waren voor geïnteresseerden, kon kosteloze openbaarmaking van die normen op basis van verordening nr. 1049/2001 de commerciële belangen van het CEN en zijn nationale leden concreet en daadwerkelijk schaden. Het Gerecht heeft hier in punt 71 van dat arrest aan toegevoegd dat het feit dat de Europese normalisatieorganisaties bijdragen tot de vervulling van taken van algemeen belang door certificeringsdiensten op het gebied van de naleving van de toepasselijke wetgeving te verrichten, niet afdoet aan hun status van particuliere entiteiten die een economische activiteit uitoefenen.
31
Bijgevolg heeft het Gerecht in punt 74 van het bestreden arrest het eerste middel in zijn geheel afgewezen.
32
Het tweede middel van rekwirantes bestond uit drie onderdelen.
33
Met betrekking tot het derde onderdeel van dit middel, ontleend aan een ontoereikende motivering van de weigering van de Commissie om het bestaan van een hoger openbaar belang te erkennen, heeft het Gerecht allereerst in punt 86 van het bestreden arrest opgemerkt dat de Commissie er in het litigieuze besluit op had gewezen dat er in het arrest van 27 oktober 2016, James Elliott Construction (C-613/14, EU:C:2016:821), geen verplichting was gecreëerd om geharmoniseerde normen proactief bekend te maken in het Publicatieblad van de Europese Unie en daarin evenmin was vastgesteld dat er automatisch een hoger openbaar belang is dat openbaarmaking van die normen gebiedt. Vervolgens heeft het Gerecht in de punten 87 en 88 van het bestreden arrest ook opgemerkt dat de Commissie de stellingen van rekwirantes had weerlegd betreffende de transparantieverplichtingen op het gebied van milieu, die een hoger openbaar belang zouden vormen dan het belang van de bescherming van de commerciële belangen van een natuurlijke of rechtspersoon, en dat zij daaraan had toegevoegd dat zij niet in staat was om enig hoger openbaar belang aan te wijzen dat een dergelijke openbaarmaking zou gebieden. Ten slotte heeft het Gerecht in punt 91 van het bestreden arrest opgemerkt dat de Commissie weliswaar verplicht was om de redenen te vermelden die rechtvaardigden dat in de onderhavige zaak een van de in verordening nr. 1049/2001 vastgestelde uitzonderingen op het recht op toegang werd toegepast, maar dat zij er niet toe gehouden was om inlichtingen te verstrekken die verder gaan dan nodig is om degene die om toegang verzoekt, in staat te stellen de redenen voor haar besluit te begrijpen en om het Gerecht in staat te stellen de rechtmatigheid van dat besluit te toetsen.
34
Met betrekking tot het bestaan van een hoger openbaar belang dat vrije toegang tot de wet verlangt, heeft het Gerecht ten eerste in de punten 99 tot en met 101 van het bestreden arrest vastgesteld dat in casu rekwirantes de categorie van geharmoniseerde normen volledig trachten uit te sluiten van de toepasselijkheid van het bij verordening nr. 1049/2001 ingevoerde stelsel van materiële uitzonderingen, zonder evenwel concrete redenen aan te voeren die de openbaarmaking van de opgevraagde geharmoniseerde normen zouden rechtvaardigen noch uit te leggen in hoeverre de openbaarmaking van deze normen voorrang moet krijgen boven de bescherming van de commerciële belangen van het CEN of zijn nationale leden.
35
Ten tweede woog het openbaar belang om de goede werking van het Europese normalisatiestelsel te waarborgen, dat tot doel heeft om het vrije verkeer van goederen te bevorderen en tegelijkertijd in alle Europese landen een gelijkwaardig minimumveiligheidsniveau te garanderen, zwaarder dan de garantie van vrije en kosteloze toegang tot geharmoniseerde normen.
36
Ten derde stelt verordening nr. 1025/2012 uitdrukkelijk een regeling vast waarbij openbaarmaking is beperkt tot enkel de referentiegegevens van de geharmoniseerde normen en maakt deze verordening het mogelijk dat personen die willen profiteren van het aan deze normen verbonden vermoeden van overeenstemming, tegen betaling toegang hebben tot die normen.
37
Ten vierde heeft het Gerecht in de punten 104 en 105 van het bestreden arrest geoordeeld dat de Commissie in het litigieuze besluit terecht had geoordeeld dat er geen enkel hoger openbaar belang was dat de openbaarmaking van de opgevraagde geharmoniseerde normen gebood uit hoofde van artikel 4, lid 2, laatste zinsnede, van verordening nr. 1049/2001. Het Gerecht heeft daar in punt 107 van dat arrest aan toegevoegd dat, naast het feit dat rekwirantes niet hadden vermeld wat exact de bron was voor het bestaan van een ‘constitutioneel beginsel’ dat een vrije en kosteloze toegang tot geharmoniseerde normen vereist, zij geenszins hadden gerechtvaardigd waarom voor deze normen het vereiste inzake de openbaarmaking en toegankelijkheid van een ‘wet’ zou moeten gelden terwijl die normen niet verplicht van toepassing zijn, alleen rechtsgevolgen hebben voor de betrokkenen en kosteloos kunnen worden geraadpleegd in bepaalde bibliotheken van de lidstaten.
38
Met betrekking tot het bestaan van een hoger openbaar belang dat voortvloeit uit de transparantieverplichting op het gebied van milieu, heeft het Gerecht in punt 119 van het bestreden arrest vastgesteld dat zowel het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden, op 25 juni 1998 te Aarhus ondertekend en namens de Europese Gemeenschap goedgekeurd bij besluit 2005/370/EG van de Raad van 17 februari 2005 (PB 2005, L 124, blz. 1), als verordening nr. 1367/2006 bepaalt dat het publiek toegang heeft tot milieu-informatie, hetzij op verzoek hetzij door de actieve verspreiding van informatie door de betrokken autoriteiten en instellingen. Aangezien deze autoriteiten en instellingen kunnen weigeren om een verzoek om toegang tot informatie in te willigen wanneer deze binnen de werkingssfeer van bepaalde uitzonderingen valt, hoeven zij die informatie evenwel niet actief te verspreiden.
39
Het Gerecht heeft hieruit in punt 129 van dat arrest afgeleid dat de opgevraagde geharmoniseerde normen niet behoorden tot de categorie van informatie die betrekking heeft op uitstoot in het milieu en dus niet onder het vermoeden van artikel 6, lid 1, eerste volzin, van verordening nr. 1367/2006 konden vallen, volgens hetwelk de openbaarmaking van dergelijke normen wordt geacht een hoger openbaar belang te dienen in de zin van artikel 4, lid 2, van verordening nr. 1049/2001.
40
Bijgevolg heeft het Gerecht in punt 130 van het bestreden arrest het tweede middel in zijn geheel afgewezen en het beroep verworpen.
Conclusies van partijen in hogere voorziening
41
Met hun hogere voorziening verzoeken rekwirantes het Hof:
- —
het bestreden arrest te vernietigen en toegang te verlenen tot de opgevraagde geharmoniseerde normen;
- —
subsidiair, de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht, en
- —
de Commissie te verwijzen in de kosten.
42
De Commissie en interveniënten in eerste aanleg verzoeken het Hof:
- —
de hogere voorziening af te wijzen, en
- —
rekwirantes te verwijzen in de kosten.
Verzoek tot heropening van de mondelinge behandeling
43
Bij akte, neergelegd ter griffie van het Hof op 17 augustus 2023, hebben interveniënten in eerste aanleg overeenkomstig artikel 83 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof verzocht om heropening van de mondelinge behandeling.
44
Ter ondersteuning van dit verzoek voeren zij aan dat de conclusie van de advocaat-generaal van 22 juni 2023 berust op tal van veronderstellingen die niet door feiten — zelfs niet door onjuiste feiten — worden ondersteund, welke veronderstellingen op zijn minst verdere discussie vereisen. Bovendien zijn zij van mening dat een grondig debat des te noodzakelijker is omdat de advocaat-generaal is uitgegaan van onjuiste veronderstellingen en dat de benadering die zij in haar conclusie heeft gevolgd, met name die volgens welke ‘het Europese normalisatiestelsel […] geen betaalde toegang tot [geharmoniseerde technische normen] vereist om te kunnen functioneren’, een risico in het leven roept voor het functioneren van dat systeem.
45
Volgens artikel 83 van zijn Reglement voor de procesvoering kan het Hof in elke stand van het geding, de advocaat-generaal gehoord, de heropening van de mondelinge behandeling gelasten, onder meer wanneer het zich onvoldoende voorgelicht acht of wanneer een partij na afsluiting van deze behandeling een nieuw feit aanbrengt dat van beslissende invloed kan zijn voor de beslissing van het Hof, of wanneer een zaak moet worden beslecht op grond van een argument waarover de partijen of de in artikel 23 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie bedoelde belanghebbenden hun standpunten niet voldoende hebben kunnen uitwisselen.
46
In casu is dat niet het geval. Interveniënten in eerste aanleg en de Commissie hebben hun beoordeling van het feitelijke kader van het geding immers ter terechtzitting uiteengezet. Zij hebben met name de gelegenheid gehad om hun standpunt kenbaar te maken over de weergave van de feiten in het bestreden arrest en in de hogere voorziening, alsook om uiteen te zetten waarom het Europese normalisatiestelsel volgens hen vereist dat tegen betaling toegang kan worden verkregen tot de opgevraagde geharmoniseerde normen. Het Hof is, de advocaat-generaal gehoord, dan ook van oordeel dat het over alle noodzakelijke gegevens beschikt om uitspraak te kunnen doen.
47
Wat voorts de kritiek betreft dat de conclusie van de advocaat-generaal richtsnoeren bevat die een risico vormen voor de werking van het Europese normalisatiestelsel, dient in herinnering te worden gebracht dat het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie en het Reglement voor de procesvoering van het Hof niet voorzien in de mogelijkheid voor de belanghebbende partijen om opmerkingen in te dienen in antwoord op de conclusie van de advocaat-generaal (arrest van 25 oktober 2017, Polbud — Wykonawstwo, C-106/16, EU:C:2017:804, punt 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
48
De advocaat-generaal heeft immers krachtens artikel 252, tweede alinea, VWEU tot taak om in het openbaar in volkomen onpartijdigheid en onafhankelijkheid met redenen omklede conclusies te nemen aangaande zaken waarin zulks overeenkomstig het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie vereist is. Het Hof is in dat verband niet gebonden door de conclusie van de advocaat-generaal of door de motivering op grond waarvan de advocaat-generaal tot die conclusie komt. Het feit dat een partij het oneens is met de conclusie van de advocaat-generaal, kan als zodanig dus geen grond voor de heropening van de mondelinge behandeling opleveren, ongeacht welke kwesties hij in zijn conclusie heeft onderzocht (arrest van 4 september 2014, Vnuk, C-162/13, EU:C:2014:2146, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
49
Gelet op een en ander is het Hof van mening dat er geen heropening van de mondelinge behandeling hoeft te worden gelast.
Hogere voorziening
50
Ter ondersteuning van hun hogere voorziening voeren rekwirantes twee middelen aan. Volgens het eerste middel heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de opgevraagde geharmoniseerde normen onder de uitzondering van artikel 4, lid 2, eerste streepje, van verordening nr. 1049/2001 vallen, die strekt tot bescherming van de commerciële belangen van een natuurlijke of rechtspersoon, met inbegrip van intellectuele eigendom. Het tweede middel is ontleend aan een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot het bestaan van een hoger openbaar belang in de zin van artikel 4, lid 2, laatste zinsnede, dat de openbaarmaking van die normen gebiedt.
51
Het tweede middel dient als eerste te worden onderzocht.
Argumenten van partijen
52
Met hun tweede middel betogen rekwirantes dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat er geen hoger openbaar belang in de zin van artikel 4, lid 2, laatste zinsnede, van verordening nr. 1049/2001 bestond dat openbaarmaking van de opgevraagde geharmoniseerde normen gebood.
53
In de eerste plaats verwijten rekwirantes het Gerecht in essentie dat het in de punten 98 tot en met 101 van het bestreden arrest heeft geoordeeld dat zij niet hadden aangetoond om welke specifieke redenen hun verzoek om toegang gerechtvaardigd was uit hoofde van het bestaan van een hoger openbaar belang dat openbaarmaking van de opgevraagde geharmoniseerde normen gebood.
54
Dienaangaande betogen zij om te beginnen dat de opgevraagde geharmoniseerde normen deel uitmaken van het Unierecht, dat vrij toegankelijk moet zijn. Vervolgens stellen zij dat deze normen betrekking hebben op een kwestie die van fundamenteel belang is voor de consument, namelijk de veiligheid van speelgoed. Ten slotte voeren zij aan dat dergelijke normen ook van groot belang zijn voor fabrikanten en voor alle andere deelnemers aan de toeleveringsketen, aangezien er voor de betrokken producten een vermoeden bestaat dat zij in overeenstemming zijn met de regelgeving van de Unie wanneer zij voldoen aan de uit die normen voortvloeiende vereisten.
55
In de tweede plaats stellen rekwirantes dat het Gerecht in de punten 102 en 103 van het bestreden arrest blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat het openbaar belang om de functionaliteit van het Europese normalisatiestelsel te waarborgen, zwaarder weegt dan de garantie van vrije en kosteloze toegang tot geharmoniseerde normen.
56
Bovendien valt de functionaliteit van het Europese normalisatiestelsel volgens rekwirantes niet onder de uitzondering van artikel 4, lid 2, eerste streepje, van verordening nr. 1049/2001, die enkel betrekking heeft op de bescherming van de commerciële belangen van natuurlijke personen of rechtspersonen, met inbegrip van intellectuele eigendom. Door te oordelen dat het openbaar belang om de functionaliteit van het Europese normalisatiestelsel te waarborgen onder die bepaling valt, heeft het Gerecht ten onrechte een uitzondering in het leven geroepen die niet is opgenomen in deze verordening.
57
In de derde plaats stellen rekwirantes dat het Gerecht in de punten 104 en 105 van het bestreden arrest blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door de beoordeling van de Commissie te bevestigen dat er in het arrest van 27 oktober 2016, James Elliott Construction (C-613/14, EU:C:2016:821), geen verplichting is gecreëerd tot proactieve bekendmaking van geharmoniseerde normen in het Publicatieblad van de Europese Unie, en dat daarin evenmin is vastgesteld dat er automatisch een hoger openbaar belang is dat openbaarmaking van die normen gebiedt.
58
In dit verband moeten de opgevraagde geharmoniseerde normen worden beschouwd als wetgevingsdocumenten omdat de procedure tot vaststelling ervan een voorbeeld van ‘gecontroleerde’ normatieve delegatie is. In het bijzonder worden de referentiegegevens van dergelijke normen bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie en verplicht de Commissie de lidstaten om iedere geharmoniseerde norm binnen een termijn van zes maanden ongewijzigd aan te nemen als nationale norm. Bovendien heeft de bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie tot gevolg dat producten die onder de Uniewetgeving vallen en die voldoen aan de in de geharmoniseerde normen vastgestelde technische vereisten, worden vermoed in overeenstemming te zijn met de regelgeving van de Unie.
59
In de vierde plaats voeren rekwirantes aan dat het Gerecht in punt 107 van het bestreden arrest blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te verklaren dat de geharmoniseerde normen alleen rechtsgevolgen hebben voor betrokkenen. Deze vaststelling druist namelijk in tegen de rechtspraak van het Hof volgens welke geharmoniseerde normen deel uitmaken van het Unierecht.
60
De Commissie, ondersteund door interveniënten in eerste aanleg, brengt hier om te beginnen tegen in dat het betoog van rekwirantes zo algemeen is dat het van toepassing zou kunnen zijn op elk verzoek om openbaarmaking van een geharmoniseerde norm.
61
Wat de specifiek door rekwirantes aangevoerde gronden betreft, merkt de Commissie ten eerste op dat de opgevraagde geharmoniseerde normen weliswaar inderdaad deel uitmaken van het Unierecht, maar dit niet betekent dat zij vrij toegankelijk moeten zijn. Wat ten tweede het feit betreft dat deze normen betrekking hebben op kwesties die van fundamenteel belang zijn voor de consument, merkt zij op dat dit betoog te algemeen is om zwaarder te kunnen wegen dan de redenen die rechtvaardigen dat openbaarmaking van de betrokken documenten wordt geweigerd. Ten derde kan het belang dat fabrikanten en andere deelnemers aan de toeleveringsketen met het oog op hun toegang tot de interne markt hebben bij geharmoniseerde normen, niet worden beschouwd als een hoger openbaar belang dat openbaarmaking van deze normen gebiedt.
62
Voorts stelt de Commissie dat vrije en kosteloze toegang tot geharmoniseerde normen systeemgevolgen zou hebben voor interveniënten in eerste aanleg, hun intellectuele-eigendomsrechten en hun commerciële inkomsten. In dit verband merkt zij op dat het Europese normalisatiestelsel zonder betaalde toegang tot deze normen niet zou kunnen functioneren, zodat de uitzondering van artikel 4, lid 2, van verordening nr. 1049/2001 van toepassing is. Hoe dan ook is er geen hoger openbaar belang dat openbaarmaking van die normen gebiedt.
63
Ten slotte wijst de Commissie erop dat de geharmoniseerde normen niet worden opgesteld in het kader van wetgevingsprocedures, maar op basis van een mandaat dat de Commissie aan een normalisatie-instelling heeft toegekend na vaststelling van een wetgevingshandeling. Bovendien moeten geharmoniseerde normen, zodra ze door een normalisatie-instelling zijn aangenomen, door de nationale leden van deze instelling worden omgezet in de nationale rechtsorden, overeenkomstig de interne procedureregels van die instelling. Hoe dan ook valt ook de rechtstreekse toegang waarin artikel 12, lid 2, van verordening nr. 1049/2001 voorziet onder de uitzondering van artikel 4, lid 2, eerste streepje, van deze verordening.
64
Bijgevolg is de Commissie van oordeel dat het tweede middel moet worden afgewezen.
Beoordeling door het Hof
65
Met hun tweede middel betogen rekwirantes in essentie dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat er geen hoger openbaar belang in de zin van artikel 4, lid 2, laatste zinsnede, van verordening nr. 1049/2001 was dat openbaarmaking van de opgevraagde geharmoniseerde normen gebood. Volgens hen bestaat er krachtens het rechtsstaatbeginsel, dat vrije toegang tot het Unierecht voorschrijft, een hoger openbaar belang dat toegang tot deze normen gebiedt voor alle natuurlijke of rechtspersonen met verblijfplaats of statutaire zetel in een lidstaat, op grond dat die normen deel uitmaken van het Unierecht.
66
Vooraf dient in herinnering te worden gebracht dat het recht op toegang tot documenten van de instellingen, organen en instanties van de Unie, ongeacht de informatiedrager waarop zij zijn vastgelegd, krachtens artikel 15, lid 3, VWEU en artikel 42 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: ‘Handvest’) geldt voor iedere burger van de Unie en iedere natuurlijke of rechtspersoon met verblijfplaats of statutaire zetel in een lidstaat. De uitoefening van dit recht wordt, wat de toegang tot documenten van het Parlement, de Raad en de Commissie betreft, geregeld in verordening nr. 1049/2001, die volgens artikel 1 ervan onder meer beoogt om ‘de beginselen, voorwaarden en beperkingen’ van voornoemd recht te bepalen ‘en wel zodanig, dat een zo ruim mogelijke toegang tot documenten wordt gewaarborgd’ en om regels vast te stellen ‘die een zo gemakkelijk mogelijke uitoefening van dit recht verzekeren’.
67
Artikel 2, lid 1, van deze verordening voorziet specifiek in een recht op toegang tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie. Krachtens artikel 2, lid 2, van die verordening kunnen deze instellingen bovendien volgens diezelfde beginselen en onder dezelfde voorwaarden en beperkingen, toegang tot documenten verlenen aan natuurlijke of rechtspersonen die geen verblijfplaats of statutaire zetel hebben in een lidstaat.
68
Volgens artikel 4, lid 2, eerste streepje en laatste zinsdeel, van voornoemde verordening weigeren die instellingen de toegang tot een document wanneer openbaarmaking ervan de bescherming van de commerciële belangen van een bepaalde natuurlijke of rechtspersoon, met inbegrip van intellectuele eigendom, zou ondermijnen, tenzij een hoger openbaar belang de openbaarmaking van dat document gebiedt.
69
Uit de bewoordingen van deze bepaling blijkt dus dat de daarin opgenomen uitzondering niet van toepassing is wanneer een hoger openbaar belang openbaarmaking van het betrokken document gebiedt.
70
Dienaangaande dient in de eerste plaats in herinnering te worden gebracht dat het Hof reeds heeft geoordeeld dat een geharmoniseerde norm die krachtens een richtlijn is vastgesteld en waarvan de referentiegegevens zijn bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie, wegens de rechtsgevolgen ervan deel uitmaakt van het Unierecht (zie in die zin arrest van 27 oktober 2016, James Elliott Construction, C-613/14, EU:C:2016:821, punt 40).
71
In het bijzonder heeft het Hof ten eerste reeds geoordeeld dat geharmoniseerde normen aan particulieren in het algemeen kunnen worden tegengeworpen mits die normen zelf zijn bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie (zie in die zin arrest van 22 februari 2022, Stichting Rookpreventie Jeugd e.a., C-160/20, EU:C:2022:101, punt 48).
72
Wat ten tweede de procedure voor de opstelling van geharmoniseerde normen betreft, moet worden opgemerkt dat deze door de Uniewetgever is vastgelegd in verordening nr. 1025/2012 en dat de Commissie op grond van de bepalingen in hoofdstuk III van deze verordening een centrale rol speelt in het Europese normalisatiestelsel.
73
Aldus moet in navolging van de advocaat-generaal in de punten 23 tot en met 31 van haar conclusie worden opgemerkt dat het opstellen van deze normen weliswaar is toevertrouwd aan een privaatrechtelijke entiteit, maar dat alleen de Commissie kan verzoeken om ontwikkeling van een geharmoniseerde norm ter tenuitvoerlegging van een richtlijn of een verordening. Krachtens artikel 10, lid 1, laatste volzin, van verordening nr. 1025/2012 bepaalt zij aan welke inhoudelijke vereisten de gevraagde geharmoniseerde norm moet voldoen en binnen welke termijn deze moet worden vastgesteld. Het opstellen van geharmoniseerde normen staat onder toezicht van de Commissie, die op grond van artikel 15 van die verordening ook voor financiering zorgt. Overeenkomstig artikel 11, lid 1, onder a), van deze verordening besluit zij of de referenties van de betrokken geharmoniseerde norm wel of niet of met beperkingen bekend worden gemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.
74
Ten derde bepaalt verordening nr. 1025/2012 in artikel 2, punt 1, weliswaar dat de naleving van geharmoniseerde normen niet verplicht is, maar er geldt, zoals blijkt uit overweging 5 van deze verordening, voor producten die aan deze normen voldoen een vermoeden van conformiteit met de essentiële eisen die ten aanzien van die producten zijn vastgesteld in de desbetreffende harmonisatiewetgeving van de Unie. Dit door deze wettelijke regeling verleende rechtsgevolg vormt een van de wezenlijke kenmerken van die normen en maakt deze tot een essentieel instrument voor marktdeelnemers bij de uitoefening van het recht op vrij verkeer van goederen of diensten op de markt van de Unie.
75
Meer in het bijzonder kan het voor marktdeelnemers moeilijk, zo niet onmogelijk zijn om een andere werkwijze te volgen dan die welke erin bestaat te zorgen voor overeenstemming met dergelijke normen, zoals een individueel deskundigenonderzoek, gelet op de daarmee gepaard gaande administratieve moeilijkheden en extra kosten (zie in die zin arrest van 12 juli 2012, Fra.bo, C-171/11, EU:C:2012:453, punten 29 en 30).
76
Zoals de advocaat-generaal heeft opgemerkt in punt 43 van haar conclusie, houdt dit in dat wanneer een wettelijke regeling van de Unie bepaalt dat de naleving van een geharmoniseerde norm leidt tot een vermoeden van conformiteit met de essentiële eisen van die regeling, iedere natuurlijke of rechtspersoon die dit vermoeden met betrekking tot een bepaald product of een bepaalde dienst op nuttige wijze wil aanvechten, moet aantonen dat dit product of deze dienst niet aan die norm voldoet of dat de norm gebrekkig is.
77
In casu verwijzen drie van de vier opgevraagde geharmoniseerde normen naar richtlijn 2009/48, namelijk norm EN 71-5:2015, met als opschrift ‘Veiligheid van speelgoed — Deel 5: Chemisch speelgoed (sets) anders dan scheikundedozen’, norm EN 71-4:2013, ‘Veiligheid van speelgoed — Deel 4: Scheikundedozen en gerelateerde sets’, en norm EN 71-12:2013, ‘Veiligheid van speelgoed — Deel 12: N-nitrosamines en N-nitroseerbare stoffen’. De referentiegegevens van deze normen zijn op 13 november 2015 bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie (PB 2015, C 378, blz. 1). Overeenkomstig artikel 13 van richtlijn 2009/48 wordt speelgoed dat in overeenstemming met die normen is vervaardigd geacht in overeenstemming te zijn met de eisen die door deze normen worden bestreken.
78
Norm EN 12472:2005+A1:2009, ‘Methode voor de simulatie van slijtage en corrosie voor het aantonen van de afgifte van nikkel uit voorwerpen die van een deklaag zijn voorzien’, verwijst naar verordening nr. 1907/2006.
79
Ofschoon, zoals blijkt uit punt 74 van het onderhavige arrest, de naleving van geharmoniseerde normen in het algemeen niet verplicht is, is deze norm in casu kennelijk wel verplicht, aangezien verordening nr. 1907/2006 in punt 27, lid 3, van de tabel in bijlage XVII daarbij bepaalt dat, in het geval van nikkel, de door het CEN vastgestelde normen worden gebruikt als testmethoden om aan te tonen dat de betrokken producten voldoen aan de leden 1 en 2 van dit punt 27.
80
Gelet op het voorgaande moet overeenkomstig de in punt 70 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak worden vastgesteld dat de opgevraagde geharmoniseerde normen deel uitmaken van het Unierecht.
81
In de tweede plaats, zoals de advocaat-generaal heeft opgemerkt in punt 52 van haar conclusie, bepaalt artikel 2 VEU dat de Unie is gegrondvest op het rechtsstaatbeginsel, dat vereist dat alle natuurlijke en rechtspersonen van de Unie vrije toegang hebben tot het Unierecht en dat justitiabelen ondubbelzinnig hun rechten en verplichtingen kunnen kennen (arrest van 22 februari 2022, Stichting Rookpreventie Jeugd e.a., C-160/20, EU:C:2022:101, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Deze vrije toegang moet in het bijzonder eenieder voor wie de door een wet geboden bescherming geldt in staat stellen om binnen de door het recht gestelde grenzen na te gaan of de adressaten van de in deze wet vastgelegde regels die regels daadwerkelijk naleven.
82
Aldus kan een geharmoniseerde norm, door de gevolgen die daar in een wettelijke regeling van de Unie aan worden toegekend, de rechten en verplichtingen van particulieren specificeren en kunnen deze specificaties voor hen noodzakelijk zijn om na te gaan of een bepaald product of een bepaalde dienst daadwerkelijk voldoet aan de eisen van de betrokken wettelijke regeling.
83
In de derde plaats dient eraan te worden herinnerd dat het transparantiebeginsel onlosmakelijk verbonden is met het beginsel van openheid, dat is verankerd in artikel 1, tweede alinea, en artikel 10, lid 3, VEU, in artikel 15, lid 1, en artikel 298, lid 1, VWEU, alsmede in artikel 42 van het Handvest. Dat beginsel maakt het onder meer mogelijk om een grotere legitimiteit en meer doelmatigheid en verantwoordelijkheid van de overheid ten opzichte van de burgers binnen een democratisch systeem te waarborgen (zie in die zin arrest van 22 februari 2022, Stichting Rookpreventie Jeugd e.a., C-160/20, EU:C:2022:101, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
84
Daartoe is een recht op toegang tot documenten gewaarborgd in artikel 15, lid 3, eerste alinea, VWEU en verankerd in artikel 42 van het Handvest, aan welk recht met name uitvoering is gegeven bij verordening nr. 1049/2001, waarvan artikel 2, lid 3, bepaalt dat zij van toepassing is op alle bij het Parlement, de Raad of de Commissie berustende documenten (zie in die zin arrest van 22 februari 2022, Stichting Rookpreventie Jeugd e.a., C-160/20, EU:C:2022:101, punt 36).
85
Tegen deze achtergrond moet worden vastgesteld dat een hoger openbaar belang in de zin van artikel 4, lid 2, laatste zinsnede, van verordening nr. 1049/2001 de openbaarmaking van de opgevraagde geharmoniseerde normen gebiedt.
86
Bijgevolg heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in de punten 104 en 105 van het bestreden arrest te oordelen dat er geen hoger openbaar belang was dat de openbaarmaking — uit hoofde van die bepaling — van de opgevraagde geharmoniseerde normen gebood.
87
Dientengevolge moet het tweede middel worden aanvaard en moet het bestreden arrest worden vernietigd zonder dat het eerste middel hoeft te worden onderzocht.
Beroep bij het Gerecht
88
Volgens artikel 61, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie vernietigt het Hof de beslissing van het Gerecht indien de hogere voorziening gegrond is. Het Hof kan dan zelf de zaak afdoen wanneer deze in staat van wijzen is. Dit is in casu het geval.
89
Zoals blijkt uit de punten 65 tot en met 87 van het onderhavige arrest had de Commissie in het litigieuze besluit moeten erkennen dat er een hoger openbaar belang in de zin van artikel 4, lid 2, laatste zinsdeel, van verordening nr. 1049/2001 bestond, dat voortvloeit uit het rechtsstaatbeginsel, het transparantiebeginsel, het beginsel van openheid en het beginsel van goed bestuur, en dat openbaarmaking van de opgevraagde geharmoniseerde normen gebiedt, aangezien deze normen wegens hun rechtsgevolgen deel uitmaken van het Unierecht.
90
Derhalve moet het litigieuze besluit nietig worden verklaard.
Kosten
91
Volgens artikel 184, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering beslist het Hof over de proceskosten wanneer de hogere voorziening gegrond is en het Hof de zaak zelf afdoet.
92
Ingevolge artikel 138, lid 1, van dit Reglement, dat op grond van artikel 184, lid 1, van dat Reglement van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, moet de in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten, voor zover dit is gevorderd.
93
Aangezien de Commissie in het ongelijk is gesteld, moet zij overeenkomstig de vordering van rekwirantes worden verwezen in de kosten van zowel de procedure bij het Gerecht als de procedure in hogere voorziening.
94
Volgens artikel 184, lid 4, van het Reglement voor de procesvoering kan een partij die in eerste aanleg heeft geïntervenieerd, wanneer zij niet zelf de hogere voorziening heeft ingesteld, alleen in de kosten van de hogere voorziening worden verwezen indien zij aan de schriftelijke of mondelinge behandeling bij het Hof heeft deelgenomen. Wanneer een dergelijke partij aan de procedure deelneemt, kan het Hof beslissen dat zij haar eigen kosten draagt. Aangezien interveniënten in eerste aanleg hebben deelgenomen aan de schriftelijke en de mondelinge behandeling van de hogere voorziening bij het Hof, dient te worden beslist dat zij in hun eigen kosten zullen dragen.
Het Hof (Grote kamer) verklaart:
- 1)
Het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 14 juli 2021, Public.Resource.Org en Right to Know/Commissie (T-185/19, EU:T:2021:445), wordt vernietigd.
- 2)
Besluit C(2019) 639 final van de Commissie van 22 januari 2019 wordt nietig verklaard.
- 3)
De Europese Commissie wordt verwezen in de kosten van zowel de procedure bij het Gerecht van de Europese Unie als de procedure in hogere voorziening.
- 4)
Het Europees Comité voor Normalisatie (CEN), de Asociación Española de Normalización (UNE), de Asociație de Standardizare din România (ASRO), de Association française de normalisation (AFNOR), Austrian Standards International (ASI), de British Standards Institution (BSI), het Bureau de normalisation/Bureau voor Normalisatie (NBN), Dansk Standard (DS), het Deutsche Institut für Normung eV (DIN), het Koninklijk Nederlands Normalisatie Instituut (NEN), de Schweizerische Normen-Vereinigung (SNV), Standard Norge (SN), de Suomen Standardisoimisliitto ry (SFS), het Svenska institut för standarder (SIS) en het Institut za standardizaciju Srbije (ISS) dragen hun eigen kosten van zowel de procedure in eerste aanleg als de procedure in hogere voorziening.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 05‑03‑2024
Conclusie 22‑06‑2023
Inhoudsindicatie
Hogere voorziening — Toegang tot documenten van de instellingen — Verordening (EG) nr. 1049/2001 — Geharmoniseerde normen — Vier door het Europees Comité voor normalisatie vastgestelde geharmoniseerde normen — Weigering van toegang — Uitzondering ter bescherming van de commerciële belangen van een derde — Bescherming op grond van het auteursrecht — Rechtsstaat
L. Medina
Partij(en)
Zaak C-588/21 P1.
Public.Resource.Org, Inc.,
Right to Know CLG
tegen
Europese Commissie
1.
Met hun hogere voorziening vorderen Public.Resource.Org, Inc. en Right to Know CLG (hierna: ‘rekwirantes’), organisaties zonder winstoogmerk die als voornaamste taak hebben om het recht vrij toegankelijk te maken voor alle burgers, vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 14 juli 2021, Public.Resource.Org en Right to Know/Commissie (T-185/19, EU:T:2021:445) (hierna: ‘bestreden arrest’). Bij dat arrest is hun beroep tot nietigverklaring van besluit C(2019) 639 final van de Commissie van 22 januari 2019, waarbij hun toegang wordt geweigerd tot vier door het Europees Comité voor normalisatie (CEN) vastgestelde geharmoniseerde technische normen (hierna: ‘GTN’) (hierna: ‘litigieus besluit’), ongegrond verklaard. De onderhavige zaak stelt de Grote kamer van het Hof in de gelegenheid om zich voor het eerst uit te spreken over de vraag of GTN — waarvan het Hof reeds heeft erkend dat zij deel uitmaken van het Unierecht en rechtsgevolgen hebben — voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking komen, en of de rechtsstaat, het transparantiebeginsel en het recht op toegang tot documenten, zoals vastgelegd in artikel 15 VWEU, vereisen dat GTN vrij en gratis toegankelijk zijn.
I. Voorgeschiedenis van het geding
2.
Rekwirantes hebben op grond van verordening (EG) nr. 1049/20012. en verordening (EG) nr. 1367/20063. de Europese Commissie verzocht om toegang tot documenten in het bezit van de Commissie (hierna: ‘verzoek om toegang’). Het verzoek om toegang betrof vier GTN die het CEN overeenkomstig verordening (EU) nr. 1025/20124. heeft vastgesteld, te weten de normen:
- i)
‘Veiligheid van speelgoed — Deel 5: Chemisch speelgoed (sets) anders dan scheikundedozen’;
- ii)
‘Veiligheid van speelgoed — Deel 4: Scheikundedozen en gerelateerde sets’;
- iii)
‘Veiligheid van speelgoed — Deel 12: N-Nitrosamines en N-nitroseerbare stoffen’, en
- iv)
‘Methode voor de simulatie van slijtage en corrosie voor het aantonen van de afgifte van nikkel uit voorwerpen die van een deklaag zijn voorzien’
(hierna: ‘opgevraagde GTN’). GTN i) tot en met iii) verwijzen naar richtlijn 2009/48/EG5. (richtlijn speelgoedveiligheid) en GTN iv) verwijst naar verordening (EG) nr. 1907/20066..
3.
Bij brief van 15 november 2018 heeft de Commissie het verzoek om toegang afgewezen op grond van artikel 4, lid 2, eerste streepje, van verordening nr. 1049/2001. Zij heeft dit afwijzend besluit bevestigd bij het litigieuze besluit.
4.
Verordening nr. 1025/2012 zet de in 1985 ontwikkelde ‘nieuwe-aanpakregeling’ op het gebied van de technische harmonisatie en normalisatie voort, die de inhoud van de wetgeving beperkt tot ‘essentiële eisen’ en de technische details overlaat aan GTN. Deze verordening wijst formeel slechts drie Europese normalisatieorganisaties (ENO's) aan voor het opstellen van GTN: het CEN, verantwoordelijk voor normalisatie in de meeste sectoren; het Comité européen de normalisation électrotechnique (Cenelec, Europees Comité voor elektrotechnische normalisatie), verantwoordelijk voor normalisatie in de elektrotechniek, en het Europees Instituut voor Telecommunicatienormen (ETSI), verantwoordelijk voor normalisatie op het gebied van informatie en communicatie.
II. Procedure bij het Gerecht en bestreden arrest
5.
Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 28 maart 2019, hebben rekwirantes beroep tot nietigverklaring van het litigieuze besluit ingesteld. In wezen stelden rekwirantes met hun eerste middel dat de Commissie artikel 4, lid 2, eerste streepje, van verordening nr. 1049/2001 onjuist had uitgelegd en/of toegepast, en met hun tweede middel dat de Commissie artikel 4, lid 2, laatste zinsnede, van verordening nr. 1049/2001 had geschonden. Het Gerecht heeft beide middelen afgewezen en het beroep verworpen.
III. Analyse
A. Eerste middel in hogere voorziening — Beoordelingsfout bij de toepassing van de uitzondering van artikel 4, lid 2, eerste streepje, van verordening nr. 1049/2001
1. Eerste onderdeel van het eerste middel in hogere voorziening — Het Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door de vraag naar de auteursrechtelijke bescherming van de opgevraagde GTN onjuist te beoordelen
a) Eerste grief: GTN komen niet voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking, omdat zij deel uitmaken van het Unierecht
6.
Rekwirantes betogen in wezen dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door niet te erkennen dat voor de opgevraagde GTN geen auteursrechtelijke bescherming kan gelden omdat zij deel uitmaken van het Unierecht en de rechtsstaat vrije toegang tot de wet vereist. De Commissie en interveniënten (het CEN en de overige 14 interveniënten in eerste aanleg) betogen dat de hogere voorziening ongegrond moet worden verklaard. Zij voeren in wezen aan dat het normalisatiestelsel van de Europese Unie is gebaseerd op erkenning van het auteursrecht van de ENO's op GTN.
1) Inleiding
7.
Ik acht het nodig deze conclusie te beginnen met een overzicht van de arresten van het Hof in de zaken Fra.bo, James Elliott Construction en Stichting Rookpreventie Jeugd e.a.7., aangezien deze de achtergrond van de onderhavige zaak vormen.
8.
In de eerste plaats heeft het Hof in het arrest Fra.bo (punten 27–32) in wezen erkend dat nationale normalisatie- en conformiteitsbeoordelingsinstanties weliswaar privaatrechtelijke entiteiten zijn, maar toch overheidsbevoegdheden kunnen uitoefenen, en dat nationale technische normen, ook al zijn zij de jure vrijwillig, de facto een bindende werking kunnen hebben. De oorzaak daarvan is dat andere manieren om aan het afgeleid Unierecht te voldoen duurder zouden zijn voor de producenten, aangezien zij zouden moeten investeren in het vinden van methoden die ten minste een gelijkwaardig beschermingsniveau als dat van die normen kunnen garanderen, en aangezien elke andere methode om aan de essentiële eisen in het afgeleid recht te voldoen geen vermoeden van conformiteit met die eisen genereert. Het Hof heeft erkend dat een technische norm de facto een bindend karakter kan hebben (punt 30) en geoordeeld dat ‘[artikel 34 VWEU] […] aldus [moet] worden uitgelegd dat het van toepassing is op de normerings- en certificeringsactiviteiten van een privaatrechtelijke organisatie wanneer de nationale wetgeving de door deze organisatie gecertificeerde producten als in overeenstemming met het nationale recht beschouwt en dit de verhandeling van producten die door deze organisatie niet zijn gecertificeerd, bemoeilijkt’ (punt 32).
9.
In de tweede plaats heeft het Hof in het belangrijke arrest James Elliott Construction (punt 40) geoordeeld dat GTN door hun rechtsgevolgen deel uitmaken van het Unierecht. Het Hof heeft geoordeeld dat ‘[een GTN] als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, die krachtens [een richtlijn] is vastgesteld en waarvan de referentiegegevens zijn bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie, deel uitmaakt van het Unierecht, aangezien aan de hand van de bepalingen van een dergelijke norm wordt vastgesteld of het in [die richtlijn] neergelegde vermoeden [van conformiteit] al dan niet van toepassing is op een bepaald product’. Voorts staat in punt 42 van dat arrest:
‘Dat de conformiteit van een bouwproduct met de in [die richtlijn] neergelegde fundamentele voorschriften in voorkomend geval ook kan worden aangetoond op een andere manier dan door het bewijs te leveren dat dit product in overeenstemming is met [GTN], neemt niet weg dat een [GTN] bepaalde rechtsgevolgen heeft’
(cursivering van mij). Ten slotte moet volgens punt 43 van het arrest James Elliott Construction ‘[o]verigens [worden] opgemerkt dat de opstelling van een dergelijke [GTN] weliswaar is opgedragen aan een privaatrechtelijke instelling, maar een noodzakelijke en door de fundamentele voorschriften uit deze richtlijn strikt afgebakende maatregel vormt die op initiatief van de Commissie alsook onder de leiding en het toezicht van de Commissie wordt doorgevoerd. Deze norm heeft slechts rechtsgevolgen voor zover de Commissie vooraf de referentiegegevens ervan heeft bekendgemaakt in de C-reeks van het [Publicatieblad van de Europese Unie]’ (cursivering van mij). Evenwel zij opgemerkt dat de erkenning van GTN als deel van het Unierecht sinds 2018 wordt bevestigd in de L-reeks (wetgeving) in plaats van in de C-reeks (mededelingen en bekendmakingen).
10.
In de derde plaats heeft de Grote kamer van het Hof in het arrest Stichting Rookpreventie Jeugd e.a. (punten 33–49) geoordeeld dat aan normen [in die zaak de normen van de Internationale Organisatie voor Standaardisatie (ISO)] een bindend karakter kan worden verleend. Het Hof heeft in wezen geoordeeld dat het niet noodzakelijk is dat de wetgevingshandeling verduidelijkingen van technische aard bevat en dat het feit dat in de richtlijn enkel wordt verwezen naar een ISO-norm (maar niet de volledige tekst ervan is opgenomen) de geldigheid van die richtlijn niet aantast. In punt 48 heeft het Hof echter geoordeeld dat ‘het rechtszekerheidsbeginsel […] bepaalt dat technische normen die door een normalisatie-instelling als de ISO zijn vastgesteld en waaraan bij een wetgevingshandeling van de Unie een bindend karakter is verleend, slechts aan particulieren in het algemeen kunnen worden tegengeworpen indien zij zelf zijn bekendgemaakt in het [Publicatieblad van de Europese Unie]’.
11.
Zoals ik in deze conclusie zal toelichten, vormen bovenstaande arresten, in hun onderlinge samenhang gelezen, gelet op het feit dat GTN bepaalde verplichtingen opleggen en de rechtsgevolgen ervan door het grote publiek kunnen worden ingeroepen, een solide basis op grond waarvan het Hof zich kan uitspreken over de passende voorwaarden voor toegang tot GTN. Tegelijkertijd zij erop gewezen dat deze analyse niet noodzakelijkerwijs van toepassing is op andere soorten normen die door ENO's worden opgesteld.
12.
Voorts moet worden benadrukt dat een van de vier opgevraagde GTN — namelijk norm iv) zoals genoemd in punt 2 van deze conclusie — in feite duidelijk bindend is, zoals de Commissie ter terechtzitting heeft erkend. De reden daarvoor is dat punt 27 van bijlage XVII bij verordening nr. 1907/2006 met betrekking tot nikkel bepaalt dat ‘[d]e door het [CEN] vastgestelde normen worden gebruikt als testmethoden om aan te tonen dat voorwerpen aan de leden 1 en 2 voldoen’ (cursivering van mij). Die opgevraagde norm is dus vergelijkbaar met die welke aan de orde was in het arrest Stichting Rookpreventie Jeugd e.a. (punt 30), die ook dwingend was, omdat in de Uniewetgeving dezelfde term wordt gebruikt (‘worden’).
13.
Wat de drie andere in de onderhavige zaak aan de orde zijnde opgevraagde GTN betreft, staat in overweging 2 van de richtlijn speelgoedveiligheid te lezen:
‘Richtlijn 88/378/EEG[8.] [bevat] alleen de essentiële veiligheidseisen voor speelgoed […]. De technische details worden overeenkomstig richtlijn 98/34/EG[9.] […] door het [CEN] en het [Cenelec] vastgesteld. Overeenstemming met de aldus vastgestelde [GTN], waarvan het referentienummer in het [Publicatieblad van de Europese Unie] wordt bekendgemaakt, vestigt het vermoeden van overeenstemming met de eisen van richtlijn 88/378/EEG. De ervaring heeft geleerd dat deze basisbeginselen in de speelgoedsector goed werken en moeten worden behouden.’
14.
Het is moeilijk om GTN onder te brengen in een reeds bestaande categorie van het Unierecht en er is dan ook een grondiger analyse nodig om vast te stellen of GTN vrij en gratis toegankelijk moeten zijn en/dan wel of zij voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking komen. Hoewel het Hof reeds heeft erkend dat GTN rechtsgevolgen hebben, deel uitmaken van het Unierecht en bindend kunnen zijn, is het nog niet ingegaan op de precieze aard van GTN. Rekwirantes voeren primair aan dat GTN niet auteursrechtelijk kunnen worden beschermd, omdat zij deel uitmaken van het Unierecht en de rechtsstaat vrije toegang tot de wet vereist. Om te beoordelen of dit middel kan worden aanvaard, moeten dus de samenstellende elementen van GTN worden geanalyseerd, zoals welke instelling of entiteit GTN vaststelt als handelingen die deel uitmaken van het Unierecht, op welke rechtsgrondslag en volgens welke procedure GTN worden vastgesteld, wat precies de rechtsgevolgen van GTN zijn en wat de aard van die handelingen is.
15.
Er moet namelijk worden onderzocht of GTN in de loop der tijd zodanig zijn geëvolueerd dat zij rechtshandelingen sui generis van de Unie vormen (normalisatiehandelingen van de Unie) voor zover zij strikt gereglementeerde maatregelen ter uitvoering van afgeleide Uniewetgeving zijn. Zo heeft het Hof in het arrest Short Selling10. erkend dat het in de artikelen 290 en 291 VWEU beschreven implementatiesysteem niet exclusief is en dat er andere regelgevingsinstrumenten kunnen worden vastgesteld om de details van een wetgevingshandeling uit te werken. Daarom geef ik het Hof in overweging om deze gelegenheid aan te grijpen en de broodnodige duidelijkheid te verschaffen over de juridische aard van GTN en welke plaats zij innemen in de rechtsorde van de Unie.
2) Aard van GTN als rechtshandelingen van de Unie
i) Instelling of entiteit die GTN vaststelt
16.
Mijn belangrijkste stelling in deze conclusie is dat GTN moeten worden beschouwd als handelingen van de instellingen, organen of instanties van de Europese Unie. De Commissie speelt namelijk een centrale rol in het door de Uniewetgever opgezette normalisatiestelsel van de Unie. Evenals advocaat-generaal Campos Sánchez-Bordona in de zaak James Elliott Construction11. ben ik van mening dat ‘[GTN] moeten worden aangemerkt als ‘handelingen van de instellingen, de organen of de instanties van de Unie’ in de zin van artikel 267 VWEU’ en, zoals ik hierna zal toelichten, ook in de zin van het Unierecht in het algemeen en met het oog op de toegang tot het Unierecht in het bijzonder.
17.
Zoals in de conclusie in de zaak James Elliott Construction is uiteengezet, zijn er verschillende argumenten die deze gevolgtrekking ondersteunen:
- a)
het gebruik van nieuweaanpakrichtlijnen of -verordeningen mag niet afdoen aan de bevoegdheid van het Hof;
- b)
de Commissie oefent een aanzienlijke controle uit op de procedure voor de opstelling van GTN door ENO's, en
- c)
de drie ENO's functioneren (als enige normalisatieorganisaties van de Europese Unie) onder regie van de Europese Unie.
Gelet op deze elementen zal ik aantonen dat de Commissie moet worden beschouwd als de instelling die GTN vaststelt (aangezien ENO's in feite slechts voorbereidende organen zijn met een beperkte beoordelingsmarge), of in ieder geval als de instelling die gezamenlijk met de ENO's verantwoordelijk is voor de vaststelling van GTN.
18.
De Derde kamer van het Hof heeft naar aanleiding van de conclusie van advocaat-generaal Campos Sánchez-Bordona in de zaak James Elliott Construction in herinnering gebracht dat ‘het Hof volgens de rechtspraak bevoegd is om handelingen uit te leggen die weliswaar zijn vastgesteld door organen die niet kunnen worden aangemerkt als ‘instellingen, organen en instanties van de Unie’, maar die naar hun aard wel maatregelen ter uitvoering of toepassing van een handeling van Unierecht zijn’ (punt 34).
19.
Zoals in de rechtsleer terecht is opgemerkt, wordt de in die conclusie toegepaste interpretatie echter niet uitgesloten door het arrest van het Hof in die zaak, voor zover het Hof ‘geen antwoord heeft gegeven op de […] vraag of [GTN] moeten worden geacht van de Commissie afkomstig te zijn, [terwijl] de ENO slechts als voorbereidend orgaan [optreedt].’ Het is van belang dat het Hof zich in die zaak niet hoefde uit te spreken over de vraag of de door de Commissie uitgeoefende controle voldoende is om de uiteindelijke verantwoordelijkheid voor GTN van de ENO's aan de Commissie over te dragen en of de Commissie in feite bepaalde bevoegdheden op het gebied van GTN aan de ENO's heeft gedelegeerd.12.
20.
Op basis van mijn voorafgaande overwegingen ben ik van mening dat GTN geen eenvoudige uitvoeringsmaatregelen van een privaatrechtelijke organisatie (ENO) zijn, maar dat zij — in het kader van het door de Uniewetgever opgezette normalisatiestelsel van de Unie — moeten worden geacht te zijn vastgesteld door de Commissie, of dat die instelling hoe dan ook samen met de ENO verantwoordelijk is voor de vaststelling van GTN.
21.
Uit een recente mededeling van de Commissie blijkt dat deze instelling erkent dat het door ENO's verrichte werk een openbaar karakter heeft, aangezien in de normalisatiestrategie van de Unie ‘naast groene en maatschappelijke beginselen, ook democratische kernwaarden en belangen van de EU […] [moeten] worden geïntegreerd’, omdat technische normen van uitgesproken strategisch belang zijn voor de EU. Zij erkent ook dat de controle over GTN nog meer moet worden verschoven van ENO's naar haarzelf, wanneer zij stelt dat haar de bevoegdheid moet worden verleend om rechtstreeks — door middel van uitvoeringshandelingen — gemeenschappelijke specificaties (technische documenten die een alternatief vormen voor de door ENO's opgestelde GTN) op te stellen, teneinde ervoor te zorgen dat het openbaar belang in aanmerking wordt genomen.13.
22.
Bovendien worden bovenstaande overwegingen ook bevestigd door de analyse van de procedure voor de vaststelling van GTN.
ii) Procedure voor de vaststelling van GTN
23.
In de eerste plaats vindt een GTN zijn oorsprong in een normalisatieverzoek (het ‘mandaat’ van de Commissie aan de ENO). De bevoegdheid om te verzoeken om opstelling van een GTN ter uitvoering van een bepaalde richtlijn of verordening ligt uitsluitend bij de Commissie en niet bij ENO's of andere instanties. Daarom richt de Commissie zich tot de betrokken ENO, die vervolgens optreedt als een voorbereidend orgaan dat met dat mandaat is belast. De Commissie kiest welke ENO zij de opdracht geeft om binnen de door haar gestelde termijn een ontwerp-GTN op te stellen volgens door haar gekozen strikte inhoudelijke criteria. Het mandaat is gedetailleerd en omvat een specifiek tijdschema voor het opstellen van de GTN ter ondersteuning van de uitvoering van specifieke afgeleide Uniewetgeving. Ik merk op dat het mandaat de criteria bevat voor het opstellen van een GTN en dat deze criteria in de regel zeer gedetailleerd zijn.14. De ENO is verplicht de Commissie op de hoogte te houden van de voortgang van het ontwerpproces.
24.
In dit verband wijs ik erop dat dit mandaat verstrekkende gevolgen heeft, niet alleen omdat het aan de ENO's de nodige richtsnoeren geeft voor het ontwikkelingsproces van de GTN, maar ook omdat GTN overeenkomstig het arrest van het Hof in de zaak Anstar moeten worden uitgelegd in het licht van het mandaat dat eraan ten grondslag ligt.15. Wat de inhoud van een mandaat betreft, mag de Commissie alleen technische taken delegeren en mag zij geen politieke beslissingsbevoegdheid aan de ENO's delegeren.16.
25.
In de tweede plaats moet de ENO de ontwerp-GTN, zodra deze klaar is, aan de Commissie voorleggen en ook dan is alleen de Commissie bevoegd om een conformiteitsbeoordeling te verrichten, teneinde na te gaan of de ontwerp-GTN in overeenstemming is met het oorspronkelijke mandaat. Die beoordeling kan volgens het vademecum drie vormen aannemen. Het is van belang dat uitsluitend de Commissie mag oordelen of de resultaten van de beoordeling van de ontwerp-GTN bevredigend zijn. Het vademecum (blz. 8) bepaalt dat ‘specificaties die zijn opgesteld door ENO's ter ondersteuning van wetgeving van de Unie nooit automatisch [kunnen] worden beschouwd als overeenstemmend met het oorspronkelijke verzoek, aangezien dit een politieke verantwoordelijkheid is. Als de verzoekende autoriteit moet de Commissie altijd beoordelen of haar oorspronkelijke verzoek is nageleefd […], in samenwerking met de ENO's […], voordat zij besluit de referentiegegevens van een geleverde norm bekend te maken in het Publicatieblad van de Europese Unie’.
26.
In de derde plaats wordt de norm die door de ENO onder nauw toezicht van de Commissie is opgesteld, pas een GTN indien en wanneer de Commissie in het Publicatieblad van de Europese Unie de referentiegegevens van die norm bekendmaakt. Indien de Commissie meent dat de ontwerp-GTN niet voldoende overeenstemt met het mandaat, verzoekt zij de betrokken ENO deze te wijzigen of ziet zij af van bekendmaking van de ontwerp-GTN of een deel daarvan in het Publicatieblad van de Europese Unie. Bovendien wordt de beoordelingsbevoegdheid van ENO's nog verder beperkt doordat het Europees Parlement en de lidstaten tegen de ontwerp-GTN bezwaar mogen maken.
27.
Ten slotte houdt de Commissie niet alleen nauwlettend toezicht op het ontwerpen van GTN, maar verstrekt zij ook aanzienlijke financiële middelen (tot 35 % van de begroting van het CEN). De samenwerking met de Commissie wordt geregeld door een overeenkomst in de vorm van bepaalde algemene richtsnoeren die periodiek worden vernieuwd en waarin het belang van normalisatie voor het Europese beleid en het vrije verkeer van goederen en diensten wordt benadrukt.17.
28.
De levenscyclus van de totstandkoming en de vaststelling van een GTN begint en eindigt bij de Commissie. Hoewel de ontwerpnorm door de ENO wordt opgesteld, blijft het een feit dat deze geen deel uitmaakt van het Unierecht zolang de Commissie de referentiegegevens ervan niet in het Publicatieblad van de Europese Unie heeft bekendgemaakt. Hieruit volgt dat het de Commissie is die dat voorbereidend document tot een rechtshandeling van de Unie maakt.
29.
Zoals in de rechtsleer algemeen wordt erkend18., houdt de ‘nieuwe aanpak’ in het Unierecht een complexere techniek in. Volgens veel commentatoren wordt in de huidige versie, die is vastgelegd in verordening nr. 1025/2012, een sterkere ‘juridisering’ ingevoerd, zodat de instellingen van de Unie niet kunnen ontkennen dat zij controle hebben over de inhoud van GTN.19.
30.
Zoals advocaat-generaal Campos Sánchez-Bordona in zijn conclusie in de zaak James Elliott Construction reeds heeft opgemerkt, ‘[geeft] [z]owel de mogelijkheid van de lidstaten en het Europees Parlement om formeel bezwaar te maken alsook het handelen van de Commissie voorafgaand aan de publicatie van [referentiegegevens van GTN] aan dat hier sprake is van ‘gecontroleerde’ delegatie van regelgeving aan een privaatrechtelijke normalisatie-instelling’ (punt 55). Bovendien ‘[komt] [h]et privaatrechtelijke karakter van het CEN […] overduidelijk tot uiting bij het opstellen van niet-geharmoniseerde Europese technische normen. Heel anders echter is de werkwijze van het CEN bij het uitvoeren van mandaten van de Commissie tot het opstellen van [GTN]’ (punt 56 van die conclusie).20.
31.
Voorts worden de normalisatiemandaten van de Commissie, net zoals gedelegeerde handelingen en uitvoeringshandelingen, geregeld door de comitologieverordening21., teneinde een vergelijkbaar niveau van toezicht door de lidstaten en het Europees Parlement te waarborgen.
32.
Thans moeten de rechtsgevolgen van GTN worden onderzocht.
iii) Gevolgen van GTN
33.
Om te beginnen is het belangrijk een onderscheid te maken tussen gewone of niet-geharmoniseerde normen, die vrijwillig zijn en op zichzelf geen rechtsgevolgen hebben, en GTN. Laatstgenoemde vormen een bepaald soort technische normen in die zin dat zij:
- a)
deel uitmaken van het Unierecht;
- b)
in dwingende Uniewetgeving worden genoemd of in ieder geval noodzakelijke uitvoeringsmaatregelen van die wetgeving vormen, zoals hierboven besproken, en
- c)
belangrijke rechtsgevolgen hebben die er door het Unierecht aan worden verbonden, zoals hieronder zal blijken.
Volgens het vademecum (blz. 8) ‘ondersteunen’ GTN ‘de uitvoering van Uniewetgeving’, maar vormen zij in werkelijkheid meer dan een louter ‘steun’. Zij zijn feitelijk onmisbaar voor de correcte uitvoering van het betrokken afgeleide Unierecht.
34.
Bovengenoemde gevolgen zijn de volgende. GTN worden vastgesteld op basis van de door de Uniewetgever in verordening nr. 1025/2012 vastgestelde procedure en aan deze GTN kleeft het uiterst belangrijke vermoeden van conformiteit, dat wil zeggen dat conformiteit met een bepaalde GTN inhoudt dat wordt voldaan aan de essentiële eisen van het overeenkomstige afgeleide Unierecht, en aldus het vrije verkeer van de betrokken goederen of diensten binnen de Unie waarborgt.
35.
In het licht van het voorgaande en gelet op het feit dat elke GTN een verwijzing naar het overeenkomstige afgeleide recht bevat, zoals in de rechtsleer is opgemerkt22., kan worden geconcludeerd dat GTN weliswaar oorspronkelijk zijn opgevat als een vrijwillig mechanisme van overeenstemming met de essentiële eisen van het afgeleide Unierecht, maar in feite door het Hof zijn erkend als mechanismen met potentieel bindende rechtsgevolgen.23.
36.
Stricto sensu bepaalt verordening nr. 1025/2012 dat GTN vrijwillig zijn, aangezien marktdeelnemers (ten minste in theorie) alternatieve middelen hebben om aan te tonen dat zij voldoen aan de essentiële eisen van het relevante afgeleide recht. Zoals hierboven is uiteengezet, is een van de belangrijkste kenmerken van GTN evenwel dat er rechtens een vermoeden van conformiteit uit voortvloeit. Dit maakt GTN tot een essentieel instrument, met name voor marktdeelnemers, om het recht op vrij verkeer te genieten, aangezien zij, zodra zij aan de eisen van een GTN voldoen, van dat rechtsgevolg profiteren en hun goederen en diensten vrij op de Uniemarkt kunnen circuleren.
37.
Met andere woorden, naleving van GTN geeft de fabrikant of dienstverrichter het voordeel van het vermoeden van conformiteit. Wanneer zijn aansprakelijkheid aan de orde komt wegens daarmee verband houdende problemen, ongevallen of geschillen, kan hij zich daarop beroepen. In een dergelijk scenario hoeft hij alleen maar aan te tonen dat hij heeft voldaan aan de relevante GTN, terwijl het aan de tegenpartij (een consument of een concurrent) is om dat vermoeden te weerleggen.
38.
Dergelijke belangrijke rechtsgevolgen leiden tot praktische problemen en verbreken het evenwicht tussen de partijen. Naleving van GTN levert een cruciaal vermoeden van conformiteit op, maar zij zijn niet vrij toegankelijk, waardoor het voor het grote publiek moeilijk wordt om GTN te raadplegen en het voor zowel marktdeelnemers als het grote publiek moeilijk wordt om potentiële alternatieven voor GTN te beoordelen en daar daadwerkelijk gebruik van te maken teneinde aan essentiële eisen van afgeleid recht te voldoen.
39.
De onderhavige zaak is vergelijkbaar met de zaak die heeft geleid tot het arrest Stichting Rookpreventie Jeugd e.a. In die zaak heeft de nationale rechter het Hof verzocht zich uit te spreken over de vraag of een richtlijn geldig is in het licht van het transparantiebeginsel wanneer in die richtlijn — door middel van een verwijzing — een ISO-norm is opgenomen die niet vrij toegankelijk is. In die zaak heeft het Hof geoordeeld dat het rechtszekerheidsbeginsel de bekendmaking van het Unierecht vereist voordat dit recht aan natuurlijke en rechtspersonen kan worden tegengeworpen. Dit arrest is echter gebaseerd op de premisse dat die richtlijn niet voorzag in een beperking met betrekking tot de toegang tot documenten op grond van verordening nr. 1049/2001. Het Hof heeft opgemerkt dat door die opneming van ISO-normen in de richtlijn verplichtingen werden opgelegd aan rechtspersonen, omdat zij via nationale normalisatieorganisaties toegang hadden tot die normen. Wat natuurlijke personen betreft, heeft het Hof in punt 48 van dat arrest echter geoordeeld dat het rechtszekerheidsbeginsel vereist dat technische normen die door een normalisatie-instelling als de ISO zijn vastgesteld en waaraan bij een wetgevingshandeling van de Unie een bindend karakter is verleend, slechts aan particulieren in het algemeen kunnen worden tegengeworpen indien zij zelf zijn bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie (en er dus niet enkel naar wordt verwezen). In een dergelijk geval kan het grote publiek namelijk niet weten welke methoden nodig zijn om de emissies van tabaksproducten te meten, tenzij het toegang heeft tot die normen.
40.
In de onderhavige zaak bepalen de essentiële veiligheidseisen voor speelgoed in bijlage II bij de richtlijn speelgoedveiligheid (‘Bijzondere veiligheidseisen’), deel II (‘Ontvlambaarheid’), punt 3, bijvoorbeeld slechts dat ‘[s]peelgoed, met uitzondering van speelgoedklappertjes, […] niet ontplofbaar [mag zijn] en […] geen elementen of stoffen [mag bevatten] die bij gebruik overeenkomstig artikel 10, lid 2, eerste alinea, zouden kunnen ontploffen’. Zoals rekwirantes hebben opgemerkt, kan de lijst van stoffen en de in chemische sets toegestane maximumhoeveelheid, die het vermoeden van conformiteit met de essentiële eisen opleveren, evenwel alleen door middel van raadpleging van de relevante GTN worden ontdekt.
41.
Met andere woorden, de richtlijn en de essentiële eisen noemen het te behalen resultaat, maar niet de middelen om dit te bereiken. Hieruit blijkt dat het voor een natuurlijke persoon of een rechtspersoon zonder toegang tot de relevante GTN in de praktijk onmogelijk is te onderzoeken of een product aan de essentiële eisen voldoet.
42.
Wanneer een fabrikant (of een dienstverrichter) het risico neemt om een product (of een dienst) op de markt te brengen dat (of die) niet voldoet aan GTN, heeft dit tot gevolg dat het product en de fabrikant (of de dienst en de dienstverrichter) niet profiteren van het vermoeden van conformiteit met de essentiële eisen van het afgeleide Unierecht. Hieruit volgt dat de fabrikant of de dienstverrichter in geval van een geschil moet bewijzen dat het product wel degelijk in overeenstemming is met het toepasselijke afgeleide Unierecht. Volgens mij komt dit er duidelijk op neer dat de facto alle fabrikanten of dienstverrichters altijd zullen trachten aan GTN te voldoen, omdat geen enkele rationele fabrikant of dienstverrichter bereid zou zijn een groot commercieel risico te nemen en een dergelijke bewijslast te dragen.
43.
Met andere woorden, de naleving van GTN leidt tot het vermoeden van conformiteit met de essentiële eisen van het afgeleide Unierecht, waardoor een GTN voor natuurlijke personen of rechtspersonen die dat vermoeden met betrekking tot een bepaald product of een bepaalde dienst willen aanvechten hetzelfde effect heeft als een bindende regel. Dat betekent dat de naleving van GTN een directe invloed heeft op de bewijslast.
44.
Bijgevolg heeft de naleving van GTN rechtsgevolgen voor fabrikanten en dienstverrichters alsook voor een persoon die het vermoeden van conformiteit aanvecht, zelfs wanneer de GTN (zoals de drie hier aan de orde zijnde GTN die uitvoering geven aan de richtlijn speelgoedveiligheid) formeel en in theorie niet bindend zijn.
45.
Het feit dat GTN de facto bindend zijn omdat zij in het algemeen de enige aanvaarde methode op de markt zijn om aan het betreffende afgeleide Unierecht te voldoen, wordt bevestigd door een in opdracht van de Commissie uitgevoerde studie:
‘[GTN] zijn praktisch gezien bijna verplicht voor de meeste economische actoren’.
Bovendien wordt er in dezelfde studie op gewezen dat de prijs van GTN een van de belangrijkste belemmeringen is voor een effectief gebruik ervan.24.
46.
De essentiële eisen van het afgeleide Unierecht verlenen rechten aan particulieren, die krachtens het Unierecht kunnen worden toegepast en gehandhaafd.25. De essentiële eisen in het afgeleide Unierecht kunnen echter niet los van elkaar worden gezien, aangezien het in de praktijk onmogelijk is om de conformiteit van een product of dienst te bevestigen zonder te verwijzen naar de overeenkomstige GTN. Op die manier kan het publiek zijn rechten tegen de fabrikant of dienstverrichter krachtens dat afgeleide recht niet uitoefenen indien het zich niet op de relevante GTN kan beroepen.
47.
Hieruit volgt dat GTN onmisbaar zijn voor de handhaving van het overeenkomstige afgeleide Uierecht. Het feit dat GTN de facto bindend zijn is ook erkend door het Gerecht in de zaak ‘Global Garden’ (arrest van 26 januari 2017, GGP Italy/Commissie, T-474/15, EU:T:2017:36, punt 67) en door het Hof van Justitie in het arrest Fra.bo. In dat arrest heeft het Hof geoordeeld dat ‘in de praktijk nagenoeg alle Duitse consumenten enkel door [een Duitse conformiteitsbeoordelingsinstantie] gecertificeerde koperfittingen kopen’ (punt 30). Zoals het Hof in dat arrest tevens heeft uiteengezet, is het voor marktdeelnemers in het algemeen moeilijk, zo niet volstrekt onmogelijk, om via een andere weg na te gaan of aan de technische norm is voldaan, gelet op de tijd en de kosten die daarvoor nodig zijn. Het feit dat bedrijven betalen voor GTN ondersteunt eveneens deze conclusie. Ik zie niet in waarom ondernemingen die aan concurrentie zijn blootgesteld, zouden betalen voor GTN als deze niet de facto bindend zouden zijn. De hele opzet van het normalisatiestelsel van de Unie vooronderstelt dat in principe alle actoren GTN gebruiken.
48.
Mijns inziens vloeit het de facto bindende karakter van GTN niet alleen voort uit het bestaan van de GTN zelf, maar ook uit het ontbreken van realistische alternatieven. De voortdurende ontwikkeling van GTN wordt sterk ondersteund en gestimuleerd. Als gevolg van dit proces zijn de nationale normalisatieorganisaties beperkt in hun mogelijkheden om alternatieven voor GTN te bieden (aangezien zij in de eerste plaats verplicht zijn GTN ongewijzigd om te zetten), en lijkt er voor andere particuliere actoren geen financiële prikkel te bestaan om op die markt te concurreren. Ook in de nationale rechtspraak en rechtsleer wordt vastgesteld dat het onrealistisch is om te stellen dat het gebruik van GTN vrijwillig is.26.
49.
Uit het voorgaande volgt dat GTN de facto bindend zijn, in die zin dat men er in ieder geval niet omheen kan door de bewijswaarde die eraan is verbonden.
50.
Voorts ben ik van mening dat, zelfs indien het Hof tot de conclusie zou komen dat GTN niet de facto bindend zijn (wat ze wel zijn), dit mijn analyse niet zou wijzigen, aangezien het ongetwijfeld zou volstaan om te stellen dat GTN — ongeacht of zij stricto sensu bindend zijn — duidelijke rechtsgevolgen hebben die hun door de Uniewetgeving worden toegekend.
51.
Ten slotte moet elke lidstaat, zodra de GTN definitief zijn vastgesteld en de referentiegegevens ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie zijn gepubliceerd, elke GTN ongewijzigd als nationale norm aannemen en hiermee strijdige normen binnen zes maanden intrekken. Overeenkomstig artikel 17 VEU ziet de Commissie, als hoedster van de Unieverdragen, ‘toe op de toepassing van zowel de Verdragen als de maatregelen die de instellingen krachtens deze Verdragen vaststellen [en] op de toepassing van het recht van de Unie’. Zij moet er dus op toezien dat de GTN hun volledige werking ontplooien, en zo nodig een beroep wegens niet-nakoming instellen krachtens artikel 258 VWEU. Het Hof heeft namelijk duidelijk gemaakt dat het in strijd is met de verplichting van de lidstaten om het Unierecht correct uit te voeren om aanvullende eisen te stellen aan onder GTN vallende producten.27. Het Hof heeft deze uitspraak gedaan met betrekking tot de GTN zelf en niet met betrekking tot de essentiële eisen van het afgeleide recht. Hieruit volgt dat de Commissie ervoor moet zorgen dat GTN hun volledige werking ontplooien, hetgeen betekent dat zij afdwingbaar moeten zijn.28.
3) Gevolgen van de vereisten van de rechtsstaat voor GTN
i) Algemene overwegingen
52.
In de eerste plaats volgt uit artikel 2 VEU dat de rechtsstaat vereist dat alle natuurlijke en rechtspersonen van de Unie vrije toegang hebben tot het Unierecht. Dit is gebaseerd op het fundamentele beginsel dat eenieder de mogelijkheid moet hebben het recht te kennen en dat eenieder het recht moet eerbiedigen.29. Daarom bepaalt artikel 297 VWEU dat het Unierecht moet worden bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.
53.
In de tweede plaats verwijst het Hof in dit verband naar het legaliteitsbeginsel30. en het rechtszekerheidsbeginsel31.. Dit laatste beginsel vereist ook dat natuurlijke personen en rechtspersonen kennis hebben van het recht. In dit verband heeft het Hof reeds geoordeeld dat regels voor die personen geen rechtsgevolgen hebben wanneer zij niet door middel van bekendmaking aan derden zijn meegedeeld.32.
54.
In de derde plaats wordt het concept van vrije toegang tot de wet ook erkend door het transparantiebeginsel.33. Het spreekt voor zich dat het Unierecht alleen doeltreffend kan zijn indien het kan worden gehandhaafd. Zoals hierboven is opgemerkt, wordt de handhaving van de wet verzekerd door de publicatie ervan. Hieruit volgt dat GTN, wanneer zij niet worden gepubliceerd, niet volledig kunnen worden gehandhaafd. Zoals hierboven in de punten 33 tot en met 51 van deze conclusie is gesteld, maken GTN deel uit van het Unierecht en hebben zij duidelijk omschreven rechtsgevolgen. Derhalve wordt met de huidige regeling, waarbij alleen een verwijzing naar GTN maar niet de tekst ervan wordt gepubliceerd, aan het grote publiek een essentieel aspect van doeltreffend en afdwingbaar Unierecht ontnomen.
55.
De vaststelling in punt 107 van het bestreden arrest dat rekwirantes niet hebben aangetoond ‘wat exact de bron is voor het bestaan van een ‘constitutioneel beginsel’ dat een vrije en kosteloze toegang tot [GTN] vereist’, kan derhalve niet worden aanvaard.
56.
Bovendien heeft het Hof in het arrest Skoma-Lux geoordeeld dat het Unierecht toegankelijk moet zijn voor Unieburgers: overeenkomstig het rechtszekerheidsbeginsel moeten Unievoorschriften de betrokkenen in staat stellen exact de omvang van de op hen rustende verplichtingen te bepalen, hetgeen enkel kan worden gewaarborgd door de regelmatige bekendmaking van deze voorschriften in de officiële taal van de adressaat. Op basis hiervan heeft het Hof geconcludeerd dat verordeningen of richtlijnen van de Unie geen rechtsgevolgen hebben voor particulieren indien zij niet regelmatig in de taal van een lidstaat zijn bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie, ‘ook al hadden deze personen via andere wegen van deze regeling kennis kunnen nemen’.34. Zoals ik hieronder zal toelichten, is toegang tot GTN tegen betaling of toegang via bepaalde geselecteerde bibliotheken of enkele ‘informatiepunten’35. — anders dan het Gerecht heeft geoordeeld (punten 103 en 107 van het bestreden arrest) — uiteraard niet geschikt en niet toereikend om de eerbiediging van de rechtsstaat te waarborgen.
57.
Zoals bijvoorbeeld de Raad van Europa heeft opgemerkt, is ‘het beginsel van rechtszekerheid […] essentieel voor het vertrouwen in het rechtsstelsel en de rechtsstaat […]. Het is ook essentieel voor productieve zakelijke regelingen, teneinde ontwikkeling en economische vooruitgang te genereren […]. Om dit vertrouwen te bereiken, moet de staat de tekst van het recht gemakkelijk toegankelijkmaken.’36.
58.
Derhalve moet worden beoordeeld of het rechtszekerheidsbeginsel vereist dat GTN vrij en gratis toegankelijk zijn dan wel of aan die toegang bepaalde voorwaarden kunnen worden verbonden.
ii) Reikwijdte van de toegang tot GTN die passend is in de onderhavige zaak
59.
Om te beginnen wijs ik erop dat de Commissie zich in casu beijvert om de status quo te behouden, terwijl zij onlangs in haar EU-strategie voor normalisatie van 2022 duidelijk heeft bepleit dat ‘[ENO's] gratis toegang tot normen en andere producten [moeten] overwegen. De Commissie is bereid om via de bestaande forums een constructieve dialoog met de [ENO's] aan te gaan om hen te ondersteunen bij het verwezenlijken van deze doelstelling’ (zie punt 21 van deze conclusie).
60.
Uit de rechtstradities van de lidstaten volgt dat ‘het rechtsstaatbeginsel […] in het algemeen [vereist] dat formeel vastgestelde rechtsnormen worden bekendgemaakt. Het doel is dat zij op een zodanige wijze voor het publiek toegankelijk worden gemaakt dat de betrokkenen op betrouwbare wijze kennis kunnen nemen van de inhoud ervan. Deze mogelijkheid mag ook niet op onbillijke wijze worden bemoeilijkt.’37.
61.
Ik ben het eens met rekwirantes dat burgers moeten kunnen profiteren van een handeling die rechtsgevolgen heeft, deel uitmaakt van het Unierecht — zoals GTN — en derhalve ten uitvoer moet kunnen worden gelegd. In dit verband hoeft enkel te worden verwezen naar de feiten die ten grondslag liggen aan het arrest James Elliott Construction, waarin de vraag naar de uitlegging van GTN aan de orde was in het kader van een particuliere vordering betreffende gebrekkige bouwproducten. Aangezien GTN reële rechtsgevolgen hebben voor natuurlijke personen en rechtspersonen, vereist de rechtsstaat dat deze personen toegang hebben tot GTN. Gelet op het feit dat GTN het openbaar belang dienen en een rol spelen die functioneel gelijkwaardig is aan die van rechtsregels, moet de afdwingbaarheid (en dus de toegankelijkheid) ervan dienovereenkomstig worden aangepast.38.
62.
Kennelijk plegen de meeste lidstaten (met uitzondering van Ierland en de voormalige lidstaat het Verenigd Koninkrijk) officiële teksten uit te sluiten van auteursrechtelijke bescherming. Als het gaat om de auteursrechtelijke bescherming van nationale normen ligt de situatie anders. Zoals ik in punt 33 van deze conclusie heb uiteengezet, verschillen GTN echter, gelet op de bijzondere rol die zij krachtens het Unierecht spelen, totaal van nationale normen.
63.
De arresten James Elliott Construction en Stichting Rookpreventie Jeugd e.a. wijzen sterk op de noodzaak om GTN officieel bekend te maken (zoals ook is opgemerkt in de rechtsleer). Anders zou de doeltreffendheid van wettelijke verwijzingen naar dergelijke normen ernstig wordt beperkt doordat zij niet afdwingbaar zijn tegen particulieren in het algemeen, net zomin als tegen ondernemingen die geen daadwerkelijke toegang tot GTN hebben gehad. De toegang tot GTN tegen betaling kan immers nooit in de plaats komen van de verplichting tot officiële bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie. Dit geldt zelfs voor grote ondernemingen, omdat deze normen uiteindelijk nog steeds betrekking hebben op hun klanten, die in feite de echte adressaten zijn. Hoe kan een burger met zekerheid weten dat een onderneming bij het vervaardigen van haar product of het verrichten van een dienst de GTN in acht heeft genomen, indien die burger de inhoud van die GTN niet kan kennen? Een burger mag niet de mogelijkheid worden ontnomen om ‘officieel’ kennis te nemen van de inhoud van een GTN die hem direct of indirect kan raken.39.
64.
Door het verband tussen GTN en afgeleid recht vallen GTN noodzakelijkerwijs onder de publieke taken, aangezien zij een onmisbare (of ‘noodzakelijke’) aanvulling vormen op de doeltreffende uitvoering van het afgeleide Unierecht (en aldus de doeltreffende totstandbrenging van de interne markt van de Unie bevorderen). Aangezien de ENO's publieke taken uitvoeren (namelijk de ontwikkeling van GTN ter aanvulling van de Uniewetgeving), zouden deze normalisatieorganisaties daarvoor in voorkomend geval een vergoeding uit overheidsmiddelen kunnen ontvangen (zoals reeds gedeeltelijk het geval is gezien de financiering door de Commissie van alle drie de ENO's).40.
65.
Uit het voorgaande volgt dat de rechtsstaat vereist dat GTN vrij en gratis toegankelijk zijn. GTN moeten als normalisatiehandelingen die deel uitmaken van het Unierecht, afgeleid Unierecht ten uitvoer leggen en rechtsgevolgen hebben, in het Publicatieblad van de Europese Unie worden bekendgemaakt om de afdwingbaarheid en toegankelijkheid ervan te verzekeren.
4) GTN komen als onderdeel van het Unierecht niet voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking
66.
Gelet op het voorgaande blijft de vraag hoe deze conclusie kan worden verenigd met het feit dat GTN volgens de contractuele regelingen van de Commissie en de ENO's auteursrechtelijk worden beschermd.
67.
De gegrondheid van het argument van het CEN en de Commissie dat toegang tot de opgevraagde GTN wegens die bescherming onmogelijk is, hangt af van de vraag of men aanvaardt dat GTN krachtens het Unierecht voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking komen.
68.
Mijn overwegingen met betrekking tot het primaire argument in punt 20 (dat GTN in werkelijkheid moeten worden geacht door de Commissie te zijn vastgesteld) zijn mutatis mutandis van toepassing, zelfs indien het Hof tot de slotsom zou komen dat GTN niet moeten worden beschouwd als ‘handelingen van de instellingen, organen of instanties van de Unie’. Uit het oogpunt van het Unierecht in het algemeen en van de toegang tot het Unierecht in het bijzonder blijft het immers een feit dat GTN deel uitmaken van het Unierecht en dat zij, gelet op hun onmisbare rol bij de uitvoering van het dwingende afgeleide Unierecht en op de rechtsgevolgen ervan, in beginsel geen auteursrechtelijke bescherming mogen genieten.
69.
Bijgevolg heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door deze kwestie niet te behandelen en niet te beoordelen of het recht (en GTN als handelingen die deel uitmaken van het Unierecht) überhaupt voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking komen. Het Gerecht heeft slechts verwezen naar het arrest James Elliott Construction en erop gewezen dat het Hof het huidige systeem van bekendmaking van GTN niet ongeldig heeft verklaard (hoewel dit in die zaak niet aan de orde was). Daarmee heeft het geen antwoord gegeven op de beslissende vraag of een handeling die deel uitmaakt van het Unierecht voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking komt.
70.
Opgemerkt zij dat, anders dan de Commissie en interveniënten betogen, verordening nr. 1025/2012 niet kan worden beschouwd als de basis voor de auteursrechtelijke bescherming van GTN. Deze verordening bevat geen bepaling die vaststelt dat GTN voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking komen. Indien de Uniewetgever van mening was geweest dat GTN voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking komen, zou hij een bepaling in die zin in de verordening hebben opgenomen of dit ten minste in een overweging hebben vermeld.
71.
Hieruit volgt dat de uitzondering van artikel 4, lid 2, eerste streepje, van verordening nr. 1049/2001 — op basis waarvan het Gerecht het bestreden arrest heeft gewezen en dus de toegang tot de opgevraagde GTN heeft geweigerd — niet van toepassing is in de context van de onderhavige zaak. Derhalve geeft het arrest blijk van een onjuiste rechtsopvatting en moet het worden vernietigd.
b) Tweede grief van het eerste onderdeel van het eerste middel in hogere voorziening: zelfs indien GTN voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking komen, heeft vrije toegang tot de wet voorrang op auteursrechtelijke bescherming
72.
Subsidiair betogen rekwirantes in wezen dat, zelfs indien de opgevraagde GTN voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking komen, vrije toegang tot de wet voorrang moet hebben op auteursrechtelijke bescherming.
73.
Om te beginnen wijs ik erop dat verordening nr. 1049/2001 zelf het concept van vrije toegang tot de wet erkent en dat in overweging 6 staat te lezen:
‘in gevallen waarin de instellingen optreden in hun hoedanigheid van wetgever, inbegrepen in het geval van gedelegeerde bevoegdheden, [dienen] documenten […] zo veel mogelijk rechtstreeks toegankelijk te worden gemaakt’
(cursivering van mij).
74.
Voorts druist het bestreden arrest in tegen het transparantiebeginsel en de vaste rechtspraak van het Hof. Zo heeft het Hof in voltallige zitting het belang van dit beginsel in het wetgevingsproces bevestigd: volgens dit beginsel moeten documenten die deel uitmaken van een dergelijk proces in beginsel openbaar worden gemaakt. Het Hof heeft in herinnering gebracht dat door de openbaarmaking van de in het wetgevingsproces gebruikte documenten de transparantie en openheid van dat proces worden verhoogd en het recht van de Europese burgers wordt versterkt om de informatie die ten grondslag heeft gelegen aan een wetgevingshandeling te controleren. Zelfs de adviezen van de juridische diensten van de instellingen van de Europese Unie die betrekking hebben op een wetgevingsproces hoeven niet in het algemeen vertrouwelijk te zijn en het Hof heeft opgemerkt dat verordening nr. 1049/2001 in beginsel verplicht tot openbaarmaking ervan.41. Het belang van het transparantiebeginsel moet het Hof ook leiden wanneer het gaat om GTN.
75.
Bovendien heeft het Hof in het arrest Stichting Rookpreventie Jeugd e.a. (punten 40–42 en 73) erkend dat het recht bekend moet worden gemaakt, en opgemerkt dat normen niet aan particulieren kunnen worden tegengeworpen indien zij niet zijn bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.
1) Geen auteursrechtelijke bescherming van de vier opgevraagde GTN (bij gebreke van ‘oorspronkelijkheid’)
76.
Hoewel de Unie de Berner Conventie42. niet heeft ondertekend, heeft zij ermee ingestemd te zijn gebonden door de artikelen 1 tot en met 21 ervan.43. Uit artikel 2, lid 4, van de Berner Conventie volgt dat ‘officiële teksten op het gebied van wetgeving, bestuur en rechtspraak’ niet automatisch auteursrechtelijk worden beschermd. Integendeel, ‘[h]et is aan de wetgeving van de landen van de [Berner] Unie voorbehouden om de aan [dergelijke] officiële teksten […] en aan officiële vertalingen van deze teksten te verlenen bescherming vast te stellen’.
77.
In het Unierecht wordt niet uitdrukkelijk bepaald of juridische of semi-juridische teksten die van de instellingen van de Unie uitgaan, voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking komen. Er kan echter worden aangevoerd dat uit artikel 297 VWEU volgt dat het Unierecht in beginsel niet voor dergelijke bescherming in aanmerking komt als een werk dat de rechthebbende een exclusief juridisch recht verleent om dat werk te reproduceren, te publiceren, te verkopen of te verspreiden.
78.
Zoals ik hierboven heb uiteengezet, ben ik van mening dat GTN niet voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking komen, maar voor het geval dat het Hof zou concluderen dat GTN wel daarvoor in aanmerking komen (quod non), zal ik uiteenzetten dat het Gerecht in het bestreden arrest niet heeft aangetoond dat de vier opgevraagde GTN hoe dan ook voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking komen.
i) Bevoegdheid om de auteursrechtelijke bescherming te beoordelen
79.
Rekwirantes betogen dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de Commissie niet bevoegd was om te onderzoeken of de vier opgevraagde GTN in aanmerking kwamen voor auteursrechtelijke bescherming. Er zij op gewezen dat het Gerecht in feite heeft geoordeeld dat een dergelijk onderzoek de omvang van de toetsing die de Commissie in het kader van een procedure voor toegang tot documenten dient te verrichten, te buiten gaat (punt 57 van het bestreden arrest).
80.
Deze redenering is onjuist. In de eerste plaats is deze vaststelling, zoals rekwirantes terecht aanvoeren, rechtstreeks in tegenspraak met de punten 48 en 49 van het bestreden arrest, waarin is geoordeeld dat de Commissie terecht had vastgesteld dat was voldaan aan de oorspronkelijkheidsdrempel en dat zij terecht had besloten dat de opgevraagde GTN in aanmerking kwamen voor auteursrechtelijke bescherming. Het is onduidelijk hoe het bestaan van een auteursrecht kan worden vastgesteld indien de Commissie niet het recht heeft dit te beoordelen. Het Gerecht heeft dus blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de Commissie niet bevoegd was om te onderzoeken of de gevraagde GTN voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking kwamen.
81.
In de tweede plaats betreft de onderhavige zaak, zoals rekwirantes terecht opmerken, een verzoek om toegang tot documenten die deel uitmaken van het Unierecht (namelijk de vier opgevraagde GTN). Dit verzoek is gebaseerd op een Unieverordening (namelijk verordening nr. 1049/2001). Het Hof heeft in dit verband geoordeeld dat artikel 4 van deze verordening geen verwijzing naar het nationale recht van een lidstaat bevat.44. De toegang tot documenten op grond van verordening nr. 1049/2001 en met name de toegang tot handelingen die deel uitmaken van het Unierecht moet derhalve worden beoordeeld door de instellingen van de Unie en worden onderworpen aan een juridische toetsing aan het Unierecht door de Unierechter. Het Gerecht heeft dit duidelijk miskend. Indien de opvatting van het Gerecht juist zou zijn, zou dit bovendien afbreuk doen aan het fundamentele recht van rekwirantes op doeltreffende rechtsmiddelen, waaronder hun recht om te worden gehoord. Op deze tegenstrijdigheid is ook door talrijke auteurs in de rechtsleer gewezen.45. Het is derhalve aan de instellingen van de Unie om aan de hand van de eigen Uniewetgeving te beslissen over het niveau van auteursrechtelijke bescherming die dient te worden verleend aan handelingen waarbij afgeleid Unierecht wordt uitgevoerd en om aldus te beslissen of GTN in aanmerking komen voor auteursrechtelijke bescherming.
82.
In de derde plaats heeft het Gerecht zijn oordeel over de onbevoegdheid van de Commissie om de auteursrechtelijke bescherming te beoordelen gebaseerd op de rechtspraak inzake octrooien. Die is hier echter niet van toepassing. Het Hof heeft in zijn in voltallige zitting vastgestelde advies 1/0946. opgemerkt dat ‘het Hof […] niet bevoegd is zich uit te spreken over rechtstreekse beroepen tussen particulieren op het gebied van octrooien [aangezien] daartoe […] de rechterlijke instanties van de lidstaten bevoegd [zijn]’.
83.
Voor zover het Gerecht zich baseert op de conclusie van advocaat-generaal Jääskinen in de zaak Donner (C-5/11, EU:C:2012:195) (punt 40 van het bestreden arrest) dat het auteursrecht, ondanks een steeds verdergaande harmonisatie, grotendeels door het nationale recht wordt beheerst, is het in het bestreden arrest ingenomen standpunt te theoretisch. Dit is reeds opgemerkt in de rechtsleer. Sinds 2012 geeft het Hof namelijk aan hoever de harmonisatie op het gebied van het auteursrecht is gevorderd. Hoe dan ook lijkt de conclusie waarnaar wordt verwezen uit haar verband te zijn gerukt, aangezien de nadruk in die zaak lag op rechtsmiddelen bij inbreuken op het auteursrecht. Het ging niet om het bestaan van auteursrechtelijke bescherming zoals in casu.47.
84.
Ik merk evenwel op dat het onderhavige beroep geen rechtstreekse vordering tussen particulieren in verband met een inbreuk op een octrooi (of auteursrecht) betreft en evenmin buiten de bevoegdheid valt die krachtens de Unieverdragen aan de Unierechter is toegekend. De vordering in eerste aanleg strekte veeleer tot nietigverklaring van een tot rekwirantes gericht besluit van de Commissie waarbij hun verzoek om toegang tot documenten van de Unie werd afgewezen. Voor dit soort vorderingen is de Unierechter bevoegd. In het bijzonder beperkt artikel 263 VWEU, anders dan het Gerecht heeft vastgesteld in punt 57 van het bestreden arrest, niet de middelen die in een vordering tot nietigverklaring kunnen worden aangevoerd. Het Gerecht heeft dus ten onrechte gepoogd een analogie te trekken tussen enerzijds particuliere geschillen over inbreuken op octrooien en anderzijds een weigering om toegang te verlenen tot documenten van de Unie waarbij de betwiste toepassing van artikel 4, lid 2, eerste streepje, van verordening nr. 1049/2001 aan de orde is.
85.
Hieruit volgt dat het Gerecht ten onrechte heeft geoordeeld dat de Commissie niet bevoegd was om het oorspronkelijkheidsvereiste te onderzoeken omdat een dergelijk onderzoek de omvang van de toetsing die de Commissie in het kader van een procedure voor toegang tot documenten dient te verrichten, te buiten zou gaan. Het staat namelijk aan de Commissie en de Unierechter om te bepalen of de opgevraagde GTN in aanmerking komen voor auteursrechtelijke bescherming en of zij aan het oorspronkelijkheidsvereiste voldoen.
86.
Het bestreden arrest geeft dus blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
ii) Geen auteursrecht aangetoond voor de opgevraagde GTN
87.
Het Gerecht heeft in wezen geoordeeld dat de Commissie geen fout heeft gemaakt door te stellen dat de auteurs van de GTN bij de opstelling ervan voldoende creatief zijn geweest om in aanmerking te komen voor auteursrechtelijke bescherming en dat de lengte van de teksten impliceert dat de auteurs bepaalde keuzen hebben gemaakt (onder meer met betrekking tot de structuur van het document), hetgeen auteursrechtelijke bescherming met zich meebrengt (punten 47–49 van het bestreden arrest).
88.
De benadering van het Gerecht geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
89.
Volgens vaste rechtspraak is het auteursrecht in de Unie weliswaar niet volledig geharmoniseerd, maar ‘[vormt] [h]et begrip ‘werk’ […] een autonoom begrip van het recht van de Unie, dat op uniforme wijze moet worden uitgelegd en toegepast en de combinatie van twee cumulatieve elementen veronderstelt. Ten eerste impliceert dit begrip dat het betrokken voorwerp oorspronkelijk is, in die zin dat het gaat om een eigen intellectuele schepping van de auteur ervan. Ten tweede kunnen alleen de bestanddelen die de uitdrukking van een dergelijke intellectuele schepping zijn, als een ‘werk’ worden aangemerkt.’48. Wil er sprake zijn van auteursrechtelijke bescherming, dan moet de auteur bij het maken van het werk zijn creatieve bekwaamheden tot uiting kunnen brengen door het maken van vrije en creatieve keuzen.49.
90.
Dit wordt bevestigd door de rechtspraak van het Hof. Zo heeft het Hof geoordeeld dat de omstandigheid dat de samenstelling van een databank aanzienlijke inspanningen en deskundigheid van de maker vergt, op zichzelf geen grond kan opleveren voor auteursrechtelijke bescherming indien deze inspanningen en deskundigheid niet gepaard zijn gegaan met originaliteit.50. Dit criterium is in deze context van fundamenteel belang.
91.
Naar mijn mening moet dit criterium worden toegepast in de context van GTN. Aangezien het Hof met name in het arrest James Elliott Construction heeft erkend dat het bevoegd is om GTN uit te leggen, staat het duidelijk aan de Unierechter om te beoordelen of GTN in aanmerking komen voor auteursrechtelijke bescherming en of ENO's die bescherming moeten genieten. Er mag namelijk geen situatie ontstaan waarin de lidstaten beslissen of het auteursrecht van toepassing is op een wettekst die deel uitmaakt van het Unierecht en krachtens het Unierecht cruciale rechtsgevolgen heeft. Deze conclusie is geenszins in strijd met de Berner Conventie voor de bescherming van werken van letterkunde en kunst, aangezien het aan de partijen bij deze conventie is om te beslissen of juridische teksten in hun rechtsstelsel al dan niet voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking komen.
92.
Ik ben het met rekwirantes eens dat noch de Commissie — in het litigieuze besluit — noch het Gerecht — in het bestreden arrest — de oorspronkelijkheid van de opgevraagde GTN en de vraag of zij daadwerkelijk ‘de persoonlijkheid van de auteur kunnen weerspiegelen’ naar behoren heeft onderzocht. Hetzelfde geldt voor het bestaan van vrije creatieve keuzen. Gelet op het concept en het doel van GTN, die gewoonlijk het resultaat zijn van wetenschappelijke testen gevolgd door een akkoord van een comité, concludeer ik dat niet prima facie kan worden aanvaard dat aan de oorspronkelijkheidsnorm is voldaan51., zoals het Gerecht in casu heeft gedaan. Deze conclusie dringt zich des te sterker op wanneer rekening wordt gehouden met het specifieke karakter van GTN (punten 16 e.v. van deze conclusie) en de procedure voor de vaststelling ervan (punten 23 e.v. van deze conclusie).
93.
Hoewel het aan de Commissie en het Gerecht staat om te bewijzen dat de uitzondering van artikel 4 van verordening nr. 1049/2001 van toepassing is, hebben zij zich slechts gebaseerd op zeer algemene beweringen en veronderstellingen, door te stellen dat de opgevraagde GTN auteursrechtelijk worden beschermd omdat uit de lengte van de teksten kan worden afgeleid dat de auteurs een aantal keuzen hebben moeten maken. Deze factoren bepalen evenwel niet of een specifiek document al dan niet oorspronkelijk is en dus auteursrechtelijk beschermd is. Het bestreden arrest is derhalve gebrekkig.
94.
Anders dan het Gerecht in punt 59 van het bestreden arrest heeft uiteengezet, hebben rekwirantes — voor zover dit mogelijk was zonder daadwerkelijke toegang tot de opgevraagde GTN — aangetoond dat de keuzemogelijkheden voor het CEN in verschillende opzichten beperkt waren. De inhoud en de lay-out van de GTN worden dus aan beperkingen onderworpen door de relevante bepaling van afgeleid recht waarvan zij zijn afgeleid, alsook door het mandaat dat de Commissie heeft verleend. Daardoor wordt de ruimte voor creativiteit en oorspronkelijkheid in beginsel aanzienlijk ingeperkt. Een vage verwijzing naar de lengte van een document volstaat dus niet om te bewijzen dat GTN het resultaat zijn van echte creatieve keuzen van het CEN.52.
95.
Bijgevolg heeft het Gerecht ten onrechte geoordeeld dat de Commissie op goede gronden kon concluderen dat de opgevraagde GTN auteursrechtelijk waren beschermd, zodat het bestreden arrest moet worden vernietigd.
2. Tweede onderdeel van het eerste middel in hogere voorziening — Het Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij zijn beoordeling van de gevolgen voor de commerciële belangen van het CEN
96.
Rekwirantes betogen in wezen dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij zijn beoordeling van de gevolgen voor de commerciële belangen van het CEN door zich ten onrechte te baseren op de aanname dat de openbaarmaking van de opgevraagde GTN het door artikel 4, lid 2, eerste streepje, van verordening nr. 1049/2001 beschermde belang zou ondermijnen, en door niet te beoordelen wat de specifieke gevolgen voor deze commerciële belangen zouden zijn.
a) Onrechtmatig beroep op een algemeen vermoeden
97.
Anders dan het Gerecht in punt 97 van het bestreden arrest heeft opgemerkt, lijkt de Commissie zich niet te hebben gebaseerd op een algemeen vermoeden van vertrouwelijkheid op grond waarvan het verlenen van toegang tot GTN automatisch afbreuk zou doen aan het door artikel 4, lid 2, eerste streepje, van verordening nr. 1049/2001 beschermde belang.
98.
Van een dergelijk algemeen vermoeden is noch in verordening nr. 1049/2001, noch in verordening nr. 1025/2012, noch in de rechtspraak van het Hof sprake. Voor de erkenning van een dergelijk vermoeden zou immers duidelijk moeten worden aangetoond dat de openbaarmaking van de betrokken documenten concreet, daadwerkelijk en op niet-hypothetische wijze53. het normalisatiestelsel van de Unie ernstig zou ondermijnen.
99.
In de eerste plaats vormen GTN slechts een minderheid van de door de ENO's vastgestelde normen en worden de ENO's in aanzienlijke mate door de Commissie gefinancierd. Volgens de verklaring die het CEN ter terechtzitting heeft afgelegd, is 4,6 % van het normalisatiebudget afkomstig van de verkoop van GTN, wat neerkomt op ongeveer 2 miljoen EUR per jaar, terwijl de financiering van de Commissie volgens het CEN zelf ‘ongeveer 20 % van de totale begroting van het CEN’ bedraagt (cursivering van mij).54. In de tweede plaats is ter terechtzitting gebleken dat het Europese normalisatiestelsel eigenlijk geen betaalde toegang tot GTN vereist om te kunnen functioneren (anders dan is vastgesteld in de punten 102 en 103 van het bestreden arrest). In feite vloeit de betalingsverplichting voort uit de contractuele relatie en de financieringsregelingen tussen de ENO's en de Commissie. Zo biedt het ETSI (dat ook financiering van de Commissie voor GTN ontvangt) reeds de mogelijkheid zijn GTN te raadplegen, af te drukken en gratis te downloaden van zijn website.55. Voorts blijkt uit de rechtsleer dat er grote prijsverschillen bestaan tussen in wezen dezelfde GTN in verschillende lidstaten, hetgeen symptomatisch is voor de problemen die voortvloeien uit de huidige regelingen voor de toegang tot GTN.56.
100.
Aangezien algemene vermoedens van vertrouwelijkheid een uitzondering vormen op de verplichting van de betrokken instelling van de Unie om een concreet en individueel onderzoek van elk document te verrichten, moeten zij bovendien strikt worden uitgelegd en toegepast. Het Hof heeft voor vijf categorieën documenten het bestaan van een algemeen vermoeden van vertrouwelijkheid erkend:
- i)
documenten van het administratieve dossier staatssteun;
- ii)
memories voor de rechterlijke instanties van de Unie;
- iii)
documenten die zijn uitgewisseld in het kader van toezicht op concentraties van ondernemingen;
- iv)
documenten betreffende niet-nakomingsprocedures, en
- v)
documenten betreffende een procedure krachtens artikel 101 VWEU.57.
101.
Het is duidelijk dat GTN onder geen van deze categorieën vallen. In feite houden alle bovengenoemde categorieën verband met het specifieke procedurele karakter van de betrokken documenten. Dit geldt niet voor de opgevraagde GTN, die bovendien al ter inzage liggen in bibliotheken of informatiepunten, of te koop zijn. De opgevraagde GTN zijn dus niet vertrouwelijk en hebben, anders dan de bovengenoemde categorieën, geen betrekking op lopende administratieve of gerechtelijke procedures.
102.
Bijgevolg heeft het Gerecht ten onrechte geoordeeld dat de Commissie zich mocht beroepen op een dergelijke algemeen vermoeden om toegang tot de opgevraagde GTN te weigeren.
b) Geen beoordeling van de specifieke gevolgen voor commerciële belangen
103.
In het bestreden arrest (punt 64) zijn de stellingen van de Commissie over de auteursrechtelijke bescherming gewoon overgenomen als zijnde onweerlegbaar en is geconcludeerd dat kosteloze toegang leidt tot een aantasting van de commerciële belangen doordat ‘het CEN en zijn nationale leden aanzienlijk minder vergoedingen zullen ontvangen’. Dit is onjuist.
104.
In de eerste plaats betekenen de overwegingen van het Gerecht dat de vermeende auteursrechtelijke bescherming van GTN steeds voorrang heeft op het vermoeden van een recht van toegang krachtens verordening nr. 1049/2001. Dit is in strijd met de letter en de geest van deze verordening, die inhoudt dat eventuele uitzonderingen eng moeten worden uitgelegd om zo ruim mogelijke toegangsrechten te kunnen verlenen.58.
105.
In de tweede plaats is het Gerecht niet ingegaan op de specifieke feiten van de onderhavige zaak. De vaststelling dat de commerciële belangen zouden worden aangetast lijkt ongegrond (zie punt 99 van deze conclusie).
106.
Bijgevolg heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, aangezien het de weigering om toegang te verlenen tot de opgevraagde GTN niet kon rechtvaardigen door zich louter te baseren op het vermeende negatieve effect op deze commerciële belangen in de zin van artikel 4, lid 2, eerste streepje, van verordening nr. 1049/2001.
B. Tweede middel in hogere voorziening — Het Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door niet te erkennen dat er sprake is van een hoger openbaar belang
107.
In de eerste plaats betogen rekwirantes in wezen dat het Gerecht in de punten 98 tot en met 101 van het bestreden arrest blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Zoals uit mijn analyse van het eerste middel in hogere voorziening blijkt, ben ik het met rekwirantes eens dat hun verzoek om toegang tot de opgevraagde GTN gerechtvaardigd was op grond van het beginsel van de rechtsstaat. Door te oordelen dat rekwirantes geen specifieke redenen ter rechtvaardiging van hun verzoek hebben aangedragen, heeft het Gerecht de waarde van het argument van rekwirantes miskend en het bestreden arrest op onjuiste overwegingen gebaseerd.
108.
In eerste aanleg hebben rekwirantes vastgesteld dat een hoger openbaar belang voortvloeit uit het feit dat de opgevraagde GTN deel uitmaken van het Unierecht, dat vrij toegankelijk moet zijn. Voorts hebben zij betoogd dat de opgevraagde GTN betrekking hebben op rechtsgebieden waar een hoog niveau van consumentenbescherming, zoals bedoeld in artikel 169 VWEU, essentieel is. Het gaat daarbij om de veiligheid van speelgoed en om het maximumgehalte aan nikkel als belangrijkste contactallergeen en vermoedelijk kankerverwekkende stof. Redelijkerwijs kan worden aangevoerd dat consumenten de inhoud van die GTN moeten kennen, wil men een maximale speelgoedveiligheid garanderen en kanker verder voorkomen. Bijgevolg speelt de naleving van GTN een belangrijke rol bij de bescherming van Unieburgers (met name van kinderen in het geval van de opgevraagde GTN) tegen mogelijk onveilige en schadelijke producten. Naar mijn mening hebben rekwirantes ook voldoende aangetoond dat de opgevraagde GTN tevens van groot belang zijn voor fabrikanten, dienstverrichters en andere marktdeelnemers die deel uitmaken van de toeleveringsketen.
109.
In casu volstonden bovengenoemde overwegingen dan ook om te kunnen spreken van een hoger openbaar belang. Het Gerecht heeft op dit punt blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
110.
In de tweede plaats bekritiseren rekwirantes in wezen de vaststelling in de punten 102 tot en met 104 van het bestreden arrest dat het hoger openbaar belang om de functionaliteit van het normalisatiestelsel van de Unie te waarborgen, zwaarder weegt dan de vrije toegang tot GTN.
111.
De goede werking van het normalisatiestelsel van de Unie is een factor die geen verband houdt met de uitzondering van artikel 4, lid 2, eerste streepje, van verordening nr. 1049/2001, die betrekking heeft op de bescherming van de commerciële belangen van natuurlijke personen of rechtspersonen, met inbegrip van intellectuele eigendom. Het Gerecht heeft dan ook de facto een nieuwe uitzondering gecreëerd in het kader van artikel 4 van deze verordening, hetgeen niet is toegestaan.59. Uit de voorgaande overwegingen volgt dat de functionaliteit van het normalisatiestelsel van de Unie niet wordt bedreigd door het verlenen van vrije en onvoorwaardelijke toegang tot GTN.
112.
Voorts vereist artikel 12 van verordening nr. 1049/2001 dat de instellingen van de Unie documenten — voor zover mogelijk — rechtstreeks toegankelijk voor het publiek maken. Met name wetgevingsdocumenten — documenten die zijn opgesteld of ontvangen in de loop van procedures tot vaststelling van in of voor de lidstaten bindende besluiten — dienen, met inachtneming van de artikelen 4 en 9 van deze verordening, rechtstreeks toegankelijk te worden gemaakt. Zoals in het eerste middel in hogere voorziening is uiteengezet, zijn GTN documenten die deel uitmaken van Unierecht waarvan de naleving door elke persoon moet kunnen worden afgedwongen en moet het vereiste van toegankelijkheid dus ook gelden voor GTN.
113.
Uit alle voorgaande overwegingen volgt dat het bestreden arrest moet worden vernietigd, dat het litigieuze besluit nietig moet worden verklaard en dat de Commissie moet worden gelast rekwirantes toegang te verlenen tot de vier opgevraagde GTN.
IV. Conclusie
Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging om:
- i)
het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 14 juli 2021, Public.Resource.Org en Right to Know/Commissie (T-185/19, EU:T:2021:445) te vernietigen;
- ii)
besluit C(2019) 639 final van de Europese Commissie van 22 januari 2019, waarbij toegang tot de opgevraagde geharmoniseerde technische normen wordt geweigerd, nietig te verklaren;
- iii)
de Commissie te gelasten rekwirantes toegang tot die normen te verlenen;
- iv)
de Commissie te verwijzen in de kosten van de procedure in eerste aanleg en van de hogere voorziening, en
- v)
interveniënten te verwijzen in hun eigen kosten.
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 22‑06‑2023
Oorspronkelijke taal: Engels.
Verordening van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (PB 2001, L 145, blz. 43).
Verordening van het Europees Parlement en de Raad van 6 september 2006 betreffende de toepassing van de bepalingen van het Verdrag van Aarhus betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden op de communautaire instellingen en organen (PB 2006, L 264, blz. 13).
Verordening van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende Europese normalisatie, tot wijziging van de richtlijnen 89/686/EEG en 93/15/EEG van de Raad alsmede de richtlijnen 94/9/EG, 94/25/EG, 95/16/EG, 97/23/EG, 98/34/EG, 2004/22/EG, 2007/23/EG, 2009/23/EG en 2009/105/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van beschikking 87/95/EEG van de Raad en besluit nr. 1673/2006/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB 2012, L 316, blz. 12).
Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2009 betreffende de veiligheid van speelgoed (PB 2009, L 170, blz. 1).
Verordening van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (Reach), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie (PB 2006, L 396, blz. 1).
Richtlijn van de Raad van 3 mei 1988 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake de veiligheid van speelgoed (PB 1988, L 187, blz. 1).
Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (PB 1998, L 204, blz. 37).
Arrest van 22 januari 2014, Verenigd Koninkrijk/Parlement en Raad (C-270/12, EU:C:2014:18, punten 83 en 84).
Punt 40 van de conclusie (C-613/14, EU:C:2016:63).
Lundqvist, B., ‘European Harmonised Standards as ‘Part of EU Law’: The Implications of the James Elliott Case for Copyright Protection and, Possibly, for EU Competition Law’, Legal Issues of Economic Integration, deel 44, nr. 4, 2017, blz. 429 en 431.
Mededeling van de Commissie van 2 februari 2022 [COM(2022) 31 final] ‘EU-strategie voor normalisatie’, respectievelijk blz. 4 en 5 e.v. Zie ook de ‘Blauwe Gids’ van 2022: richtlijnen voor de uitvoering van de productvoorschriften van de EU (PB 2022, C 247, blz. 1, voetnoot 192).
Zie voor een goed voorbeeld mandaat M/445 van 9 juli 2009 voor de opgevraagde GTN ter ondersteuning van de richtlijn speelgoedveiligheid.
Arrest van 14 december 2017, Anstar (C-630/16, EU:C:2017:971, punten 35 en 36).
Commissie, Vademecum over Europese normalisatie — Deel I, SWD(2015) 205, blz. 7–9 (hierna: ‘vademecum’).
Zie Algemene richtsnoeren voor de samenwerking tussen CEN, Cenelec en ETSI en de Europese Commissie en de Europese Vrijhandelsassociatie — 28 maart 2003 (PB 2003, C 91, blz. 7).
Zie Schepel, H., ‘The new approach to the new approach: The juridification of harmonised standards in EU law’, Maastricht Journal of European and Comparative Law, deel 20(4), 2013, blz. 521.
De Bellis, M., ‘Op-Ed: ‘Private standards, EU law and access — The General Court's ruling in Public.Resource.Org’’, EU Law Live, 10 september 2021.
Zie ook het in dit verband belangrijke arrest James Elliott Construction, punt 43 (aangehaald in punt 9 van deze conclusie).
Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB 2011, L 55, blz. 13).
Soroiu, A., en Correia Magalhaes De Carvalho, M.F., ‘Lawtify Premium:Public.Resource.Org (T-185/19), a Judicial Take on Standardisation and Public Access to Law’, Review of European Administrative Law, deel 15(2), 2022, blz. 57. Zie ook Schepel, H., op. cit., blz. 521 en 523; Volpato, A., ‘The Harmonized Standards before the ECJ: James Elliott Construction’, Common Market Law Review, band 54(2), 2017, blz. 591; Van Gestel, R., en Van Lochem, P., ‘Private Standards as a Replacement for Public Lawmaking?’ in Marta Cantero Gamito, M., en Micklitz, H.-W. (red.), The Role of the EU in Transnational Legal Ordering, Edward Elgar Publishing 2020, blz. 31.
Zie EIM Business & Policy Research, Access to Standardisation — Study for the European Commission, [DG] Enterprise and Industry, 2010, respectievelijk blz. 17 en 9.
Zie de rechtspraak die in herinnering wordt gebracht in het arrest van 22 december 2022, Ministre de la Transition écologique en Premier ministre (Aansprakelijkheid van de staat voor luchtverontreiniging) (C-61/21, EU:C:2022:1015, punten 43–47).
Zie uitspraak van de rechtbank 's‑Gravenhage (Nederland) van 31 december 2008, LJN: BG8465. Zie Van Gestel, B., en Micklitz, H.-W., ‘European Integration Through Standardization: How Judicial Review is Breaking Down the Club House of Private Standardization Bodies’, CMLR, deel 50, 2013, blz. 176.
Arrest van 16 oktober 2014, Commissie/Duitsland (C-100/13, niet gepubliceerd, EU:C:2014:2293, punt 63).
Zie ook punt 61 van deze conclusie.
Arrest van 18 januari 2007, PKK en KNK/Raad (C-229/05 P, EU:C:2007:32, punt 109).
Arrest van 29 april 2004, Commissie/CAS Succhi di Frutta (C-496/99 P, EU:C:2004:236, punt 63).
Arrest van 12 november 1981, Meridionale Industria Salumi e.a. (212/80–217/80, EU:C:1981:270, punt 10).
Arrest van 20 mei 2003, Consorzio del Prosciutto di Parma en Salumificio S. Rita (C-108/01, EU:C:2003:296, punten 95 en 96).
Het wordt ook erkend door de grondwettelijke beginselen die zijn vastgelegd in verschillende bepalingen van het VEU — zoals artikel 1, tweede alinea, artikel 10, lid 3, en artikel 11, leden 2 en 3 — alsmede in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (artikel 42).
Arrest van 11 december 2007, Skoma-Lux (C-161/06, EU:C:2007:773, respectievelijk punten 38 en 51).
Plaatsen beheerd door nationale normalisatieorganisaties waar GTN kennelijk onder bepaalde voorwaarden toegankelijk zijn.
Report on the rule of law — Adopted by the Venice Commission at its 86th plenary session (Venetië, 25–26 maart 2011), CDL-AD(2011)003rev, punt 44.
Zie Van Waeyenberge, A., ‘La normalisation technique en Europe — L'empire (du droit) contre-attaque’, Revue internationale de droit économique: RIDE, nr. 3, 2018, blz. 314. Zie ook Aubry, H., Brunet, A., en Peraldi-Leneuf, F., ‘Le contrôle des normes: un garde-fou démocratique à perfectionner’, in Aubry, H., e.a. (red.), La normalisation en France et dans l'Union européenne. Une activité privée au service de l'intérêt général?, PUAM, Aix-en-Provence, 2012, blz. 104.
Alvarez Garcia, V., ‘La problemática de la publicidad oficial de las normas técnicas de origen privado que despliegan efectos jurídico-públicos’, Revista de Derecho Comunitario Europeo, nr. 72, 2022, blz. 467.
Zie ook Alvarez Garcia, V., op. cit., blz. 478.
Arrest van 16 februari 2022, Hongarije/Parlement en Raad (C-156/21, EU:C:2022:97, punt 58).
Conventie voor de bescherming van werken van letterkunde en kunst, op 9 september 1886 te Bern ondertekend (Akte van Parijs van 24 juli 1971), zoals gewijzigd op 28 september 1979.
Via artikel 1, lid 4, van het Auteursrechtverdrag van de Wereldorganisatie voor de Intellectuele Eigendom (WIPO), dat op 20 december 1996 te Genève is vastgesteld.
Arrest van 18 december 2007, Zweden/Commissie (C-64/05 P, EU:C:2007:802, punt 69).
Zie voor een bespreking van het bestreden arrest Kamara, I., ‘General Court EU: Commercial interests block the right to access European harmonised standards’, Journal of Standardisation, deel 1, 2022, paper 4, en Krämer, L., ‘L'environnement devant la Cour de justice de l'Union européenne’, Revue du droit de l'Union européenne, 1/2022, blz. 15.
Advies van 8 maart 2011 (Overeenkomst tot invoering van een gemeenschappelijk stelsel voor octrooigeschillenbeslechting) (EU:C:2011:123, punt 80).
Zie Blockx, F., ‘The General Court of the EU wanders into copyright law, and gets disoriented’, IPKat guest post, 15 juli 2021, met verdere verwijzingen.
Arrest van 12 september 2019, Cofemel (C-683/17, EU:C:2019:721, punt 29).
Arrest van 1 december 2011, Painer (C-145/10, EU:C:2011:798, punt 89).
Arrest van 1 maart 2012, Football Dataco e.a. (C-604/10, EU:C:2012:115, punt 42).
Blockx, F., op. cit.
Ook telefoonboeken zijn zeer uitgebreid en goed gestructureerd, maar dat betekent nog niet dat zij het resultaat zijn van creatieve keuzen. Zie bijvoorbeeld Feist Publications, Inc. v. Rural Telephone Service Co., 499 U.S. 340 (1991). Zie in dit verband Blockx, F., op. cit.
Zie bijvoorbeeld arrest van 1 juli 2008, Zweden en Turco/Raad (C-39/05 P en C-52/05 P, EU:C:2008:374, punten 43–66). Zie ook arrest van 25 januari 2023, De Capitani/Raad (T-163/21, EU:T:2023:15, punten 87–96 en aldaar aangehaalde rechtspraak) (waartegen geen hogere voorziening is ingesteld bij het Hof).
In het jaarverslag van het CEN van 2017 wordt echter op bladzijde 22 vermeld dat dit tot 35 % van zijn begroting kan bedragen.
Zie https://www.etsi.org/intellectual-property-rights (voor de reproductie van GTN is wel toestemming van het ETSI vereist).
Van Gestel, R., en Micklitz, H.-W., op. cit., blz. 181.
Arrest van 4 september 2018, ClientEarth/Commissie (C-57/16 P, EU:C:2018:660, punten 80 en 81).
Arrest van 18 december 2007, Zweden/Commissie (C-64/05 P, EU:C:2007:802, punt 66).
Zie dienaangaande arrest van 18 december 2007, Zweden/Commissie (C-64/05 P, EU:C:2007:802, punten 65 e.v.).