Einde inhoudsopgave
De geschillenregeling ten gronde (VDHI nr. 108) 2011/II.2.2.b
II.2.2.b Het voorontwerp 2e tranche
prof.mr. C.D.J. Bulten, datum 28-04-2011
- Datum
28-04-2011
- Auteur
prof.mr. C.D.J. Bulten
- JCDI
JCDI:ADS382192:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
De twaalfde aanbeveling van de Commissie Vennootschapsrecht (zie Kamerstukken 31 058, nr. 3 (MvT), p. 19) zag op het gebruik van buitenstatutaire geschillenregelingen. Zij was van oordeel dat er ruimte moest zijn voor een buitenstatutaire regeling, alsook voor een rechterlijke toets van een dergelijke regeling. De autonomie van partijen moest voorop staan, eerst indien de eigen regeling tot een onaanvaardbare uitkomst leidde, mocht de rechter er van afwijken. Zie ook Bulten (2007), p. 364.
Zie voorontwerp r Tranche, in: Van den Ingh en Nowak (2006), p. 54 (tekstvoorstel) en p. 80 (toelichting). Art. 337 Voorontwerp luidde: `(1) Vorderingen tot toepassing van een in de statuten of overeenkomst opgenomen regeling voor de oplossing van geschillen als in deze afdeling bedoeld worden, tenzij uit de regeling anders voortvloeit, op vordering van de meest gerede partij beslist door de in artikel 336 lid 3 bedoelde rechter. (2) Op een in de statuten of een overeenkomst opgenomen regeling als bedoeld in het eerste lid kan geen beroep worden gedaan, voorzover inachtneming daarvan overdracht onmogelijk of uiterst bezwaarlijk maakt.'
Zie Rapport Gecombineerde Cie (2005), in: Van den Ingh en Nowak (2006), p. 321. Overigens vond de Gecombineerde Commissie dat aan de eigen regeling van partijen een aanzienlijk groter gewicht behoorde te worden toegekend dan in het voorontwerp het geval was.
Of, in de woorden uit de toelichting (Kamerstukken 31 058, nr. 3 (MvT), p. 101): 'Bij nadere overweging bleek deze bepaling te kunnen worden gemist (...).'
Zie voorontwerp r Tranche, in: Van den Ingh en Nowak (2006), p. 55 (tekstvoorstel) en p. 83 (toelichting). Het uitgangspunt dat de rechter tot taak had te waarborgen dat de minderheidsaandeelhouder een redelijke prijs ontving, werd 'aldus uitgewerkt dat de deskundigen de waarde in het economisch verkeer vaststellen'.
Zie voorontwerp r Tranche, in: Van den Ingh en Nowak (2006), p. 55 (tekstvoorstel).
Rapport Gecombineerde Cie 2
Zie Norbruis (2005/2), p. 431; Rutten en Gerretsen (2006), p. 18; Albicher en Van Mierlo (2006), p. 48; en Soerjatin (2006), p. 216. Ook in veel reacties uit de praktijk op het consultatiedocument werd de vraag opgeworpen wat precies onder de 'waarde in het economisch verkeer' werd begrepen. Met verschillende rekenmethodes kon deze waarde worden vastgesteld, maar die leidden ook tot verschillende uitkomsten.
Zie Kamerstukken 31 058, nr. 3 (MvT), p. 103.
Zie voorontwerp r Tranche, in: Van den Ingh en Nowak (2006), p. 56 (tekstvoorstel). Art. 343 lid 2 van het voorontwerp luidde: 'Een vordering tot uittreding komt ook toe aan de aandeelhouder die aan de vennootschap en zijn mede-aandeelhouders schriftelijk heeft medegedeeld dat hij zijn aandelen wil vervreemden en dat voornemen niet ten uitvoer kan leggen door: a. een statutaire verplichting in de zin van artikel 81 of 192 die de overdracht onmogelijk of uiterst bezwaarlijk maakt; b. een statutaire regeling in de zin van artikel 87 of 195 die de overdracht onmogelijk of uiterst bezwaarlijk maakt, tenzij de onmogelijkheid het gevolg is van een statutaire uitsluiting van de overdraagbaarheid als bedoeld in artikel 195 lid 2: c. een statutaire eis aan het aandeelhouderschap in de zin van artikel 87b of 195 b die de overdracht onmogelijk of uiterst bezwaarlijk maakt.'
Zie voorontwerp r Tranche, in: Van den Ingh en Nowak (2006), p. 87 (toelichting). Zie voor kritiek op de verhouding tussen overdrachtsverplichtingen, kwaliteitseisen en de algemene of specifieke uittredingsgronden: Rensen (2005/2), p. 451; en Norbruis (2005/2), p. 430.
De Nederlandse Antilliaanse vennootschap is sinds 10 oktober 2010 niet langer, zie § 1.3.2. Voor het gemak verwijs ik niettemin naar de bepalingen uit het (oude) BWNA.
Art. 2:253 BWNA luidt:`1. Indien in de algemene vergadering door handelingen of gebeurtenissen die een houder van aandelen op naam redelijkerwijs niet heeft kunnen verhinderen een zodanige meerderheid is ontstaan dat een medeaandeelhouder, alleen of samen met een groepsmaatschappij van de medeaandeelhouder of krachtens een overeenkomst met andere stemgerechtigden, meer dan de helft van de bestuurders, leden van het algemeen bestuur in de zin van artikel 18 of commissarissen kan benoemen of ontslaan, ook indien alle stemgerechtigden stemmen, kan die houder van aandelen op naam tegen de vennootschap een vordering tot uittreding als omschreven in artikel 251 instellen. De vordering kan ook worden ingesteld tegen de medeaandeelhouder, de groepsmaatschappij of de andere in dit lid bedoelde stemgerechtigden. De vennootschap wordt in elk geval mede in het geding geroepen. 2. Op de vordering als bedoeld in het eerste lid zijn het tweede tot en met het vijfde lid van artikel 251 en het tweede tot en met het zesde lid van artikel 252 van overeenkomstige toepassing. 3. Tenzij het vierde lid van artikel 251 overeenkomstige toepassing heeft gevonden, vervalt de bevoegdheid tot het instellen van de vordering zes maanden na het einde van de dag waarop de aandeelhouder kennis heeft genomen van het ontstaan van een meerderheid als bedoeld in het eerste lid of daarvan is verwittigd.
De toelichting gaf als voorbeeld dat een aandeelhouder die geen gebruik maakte van zijn voorkeursrecht bij een aandelenemissie, niet een uittredingsrecht toekwam. Zie MvT (nr. 3) BWNA in Murray e.a. (2006), p. 281.
Art. 2:254 BWNA luidt:`1. De in artikel 251 bedoelde vordering tot uittreding komt ook toe aan: a. de aandeelhouder die als zodanig niet of niet langer voldoet aan in de statuten gestelde kwaliteitseisen en dientengevolge een of meer van de aan zijn aandeel verbonden rechten niet kan uitoefenen b. de aandeelhouder die aan de vennootschap en zijn medeaandeelhouders op naam schriftelijk heeft medegedeeld dat hij zijn aandelen wil vervreemden tegen daarbij genoemde voorwaarden en dat voornemen niet ten uitvoer kan leggen door de werking van een statutaire blokkeringsregeling in de zin van artikel 111 of 211 die de overdracht uitsluit of uiterst bezwaarlijk maakt. 2. In de gevallen bedoeld in het eerste lid vindt het zevende lid van artikel 252 geen toepassing. 3. Tenzij het vierde lid van artikel 251 overeenkomstige toepassing heeft gevonden, vervalt de bevoegdheid tot het instellen van de vordering zes maanden na het einde van de dag waarop de aandeelhouder is komen te verkeren in een situatie als bedoeld in het eerste lid onder a of de in het eerste lid onder b bedoelde schriftelijke mededeling door de vennootschap is ontvangen
Zie ook Frielink (2006), p. 165-166.
Zie Kamerstukken 31 058, nr. 3 (MvT), p. 108-109. Zie ook Bulten (2007), p. 361.
Voorontwerp 2e Tranche, in: Van den Ingh en Nowak (2006), p. 88 (toelichting).
Voorontwerp r Tranche, in: Van den Ingh en Nowak (2006), p. 88. De uitsluiting van de oproeping in vrijwaring, voeging en tussenkomst was geïnspireerd op de Antilliaanse regeling, zie art. 2:252 lid 6 laatste zin BWNA. Zo worden voor deze regeling onnodige procedure complicaties zoveel mogelijk voorkomen, zie Frielink (2006), p. 165. De complicaties worden echter verplaatst: partijen moeten separate procedures aanhangig maken om hun geschillen opgelost te zien.
Zie Norbruis (2005/2), p. 432; Rutten en Gerretsen (2006), p. 15 en 19; en Soerjatin (2006), p. 211-213. Ook de Adviescommissie burgerlijk procesrecht maakte kritische opmerkingen, zie Kamerstukken 31 058, nr. 3 (MvT), p. 109.
Advies Gecombineerde Cie (2005), in: Van den Ingh en Nowak (2006), p. 323-324.
Zie Kamerstukken 31 058, nr. 3 (MvT), p. 21 en 109.
De 'bak met stroop' kwam van Rutten en Gerretsen (2006), p. 19. Zie ook kritisch Soerjatin (2006), p. 217.
Veel van de in het voorontwerp gedane wijzigingen kwamen in het wetsvoorstel FlexBV terug. Deze wijzigingen bespreek ik bij de desbetreffende onderwerpen in dit boek. Enkele suggesties uit het voorontwerp werden niet in het wetvoorstel Flex-BV opgenomen. Voor zover van belang, ga ik thans in op deze gestrande voorstellen.
In het voorontwerp werd een 'voorprocedure' gecreëerd.1 Indien partijen van mening verschilden of een in de statuten of overeenkomst opgenomen regeling voor de oplossing van geschillen van toepassing was op de concrete situatie, dan konden zij zich tot de geschillenregelingrechter wenden voor een antwoord.2 De ondergrens voor de toepassing van de eigen regeling werd verwoord in lid 2. Was de aandelenoverdracht met inachtneming van de eigen regeling onmogelijk of uiterst bezwaarlijk, dan werd een beroep op de statutaire of contractuele bepalingen niet gehonoreerd.3
Een dergelijke extra procedure vinden we in het wetsvoorstel Flex-BV gelukkig niet terug.4 De nodeloze vertraging door eerst te procederen over de inhoud en bedoeling van de eigen regeling, blijft achterwege. De vraag of de eigen regeling toegepast moet worden, is geplaatst in de sleutel van de vraag of deze de overdracht onmogelijk of uiterst bezwaarlijk maakt. De onduidelijke term 'niet kan worden toegepast' uit het voorontwerp werd vervangen door de toets van 'onmogelijk of uiterst bezwaarlijk'.
De bescherming van de minderheidsaandeelhouder vond haar weerslag in de prijsbepaling van de over te dragen aandelen. In het voorontwerp gaf art. 339 lid 1 aan dat voor de prijsbepaling de waarde in het economisch verkeer gold.5 Het volgende artikel sloot hierop aan door te bepalen dat een eigen waarderingsregeling `billijk' behoorde te zijn.6
De Gecombineerde Commissie had kritiek op de 'open norm' van de waarde in het economisch verkeer. Bovendien liet zo'n wettelijke norm zich niet goed verklaren in verband met het voornemen de eigen regeling van de aandeelhouders meer op de voorgrond te plaatsen.7 Deze kritiek op de dwingende norm 'waarde in het economisch verkeer' werd in de literatuur breed gedeeld.8 Zo kwam een te gering gewicht toe aan de vrijheid van aandeelhouders. In het wetsvoorstel Flex-BV keerde de wettelijke waarderingsnorm dan ook niet terug.9
Geheel nieuw was het uittredingsrecht in specifieke gevallen.10 De aandeelhouder die door een statutaire eis aan het aandeelhouderschap of een statutaire verplichting bekneld was geraakt, had het recht zijn aandelen over te dragen. Ook een statutaire blokkeringsregeling die tot gevolg had dat een aandeelhouder niet in staat was zijn aandelen te vervreemden, vormde grond voor een speciaal uittredingsrecht. Hierbij gold niet een termijn waarbinnen het recht uitgeoefend moest zijn. De aandeelhouders mochten niet 'vast komen te zitten' in de vennootschap. Een reële mogelijkheid om de vennootschap te verlaten moest voorhanden zijn.11
De inspiratie voor de formulering van de specifieke uittredingsrechten kwam van de Antilliaanse regeling.12 In art. 2:253 BWNA is de aandeelhouder die buiten zijn toedoen in een minderheidspositie komt te verkeren een uittredingsrecht gegeven.13 De reden voor zo'n recht ligt vooral in de overweging dat het vennootschapsrecht in het Caribische deel van het Koninkrijk een vergaande mate van vrijheid van inrichting kent. De bescherming van de minderheidsaandeelhouders moest volgens de toelichting een extra accent krijgen. De bescherming kwam zo'n aandeelhouder niet toe indien hij het ontstaan van zijn benarde positie redelijkerwijs had kunnen verhinderen.14 Een vordering tot uittreding is er ex art. 2:254 BWNA ook voor de aandeelhouder die niet langer aan een kwaliteiteis voldoet en daardoor de aan zijn aandelen verbonden rechten niet kan uitoefenen.15 Hij moet zijn aandelen kunnen overdragen volgens de algemene uittredingsregels van art. 2:251 en 2:252 BWNA.
Is er in de statuten een — voor de Nederlands Antilliaanse vennootschap in beginsel niet verplichte — blokkeringsregeling opgenomen, dan mag de aandeelhouder zijn voornemen tot uittreding op grond van lid 1 sub b van art. 2:254 BWNA tot uitvoer brengen. Deze twee uittredingsrechten vervallen overigens binnen zes maanden.16
De bijzondere uittredingsgronden stonden niet meer in het wetsvoorstel Flex-BV. De wetgever koos voor een andere wijze van bescherming van de minderheidsaandeelhouder. Bij een statutenwijziging die een nadeliger positie voor hem tot gevolg had, geldt op grond van art. 192 Wv Flex-BV bijvoorbeeld dat de aandeelhouder niet gebonden is indien hij tegenstemt.17 Voor de invoering van een statutaire eis aan het aandeelhouderschap die meebrengt dat vervreemding van de aandelen onmogelijk of uiterst bezwaarlijk is, geldt de procedure van art. 195b Wv FlexBV. In het kort houdt deze in dat de aandeelhouder zijn aandelen aan een ander kan overdragen als de BV geen gegadigden aanwijst.
Ik wil slechts een enkele kanttekening plaatsen. Voor de tijdelijke uitsluiting van de overdracht van de aandelen (art. 195 Wv Flex-BV) is unanieme besluitvorming voorgeschreven. Als een minderheidsaandeelhouder voor wijziging van de statuten stemt, is de overdracht van zijn aandelen tijdelijk onmogelijk gemaakt. Kan hij vervolgens de uittredingsvordering van art. 2:343 BW instellen omdat hij zich in een benarde positie bevindt? Verdedigbaar is dat hij dit recht met zijn stem vóór heeft prijsgegeven. De unanimiteit biedt voldoende bescherming, enkel tegenstemmen volstaat om de onoverdraagbaarheid te blokkeren. Ik meen echter dat de minderheidsaandeelhouder bij tijdelijke onoverdraagbaarheid van aandelen nog wel kan uittreden. De vennootschap kan de in acht te nemen zorgplicht jegens de minderheidsaandeelhouder na de statutenwijziging dusdanig gaan schenden, dat het onredelijk is te verlangen dat de minderheidsaandeelhouder zijn tijd uitzit. Indien hij in zijn belangen wordt geschaad, is uittreding gerechtvaardigd. Het instellen van de uittredingsvordering is volgens mij door de gewijzigde omstandigheden in een dergelijk geval toegestaan.
Tot slot kende de uittreding in het voorontwerp nieuwe procedureregels. Het uitgangspunt was vooral een minderheidsaandeelhouder een snelle exit te bieden indien hij door zijn aandelenbezit bekneld kwam te zitten in een vennootschap. In een nieuw artikel 343a werden in lid 1 en lid 2 speciale regels voor een verwerende aandeelhouder of vennootschap opgenomen. De gedaagde die verweer wenste te voeren, moest dit op tijd (op de eerstdienende dag of uiterlijk veertien dagen later indien hij uitstel had gevraagd) kenbaar maken. Bleef een 'akte houdende verweer' achterwege, dan had hij het recht op het voeren van verweer prijsgegeven. Wat restte was enkel de prijsbepaling. De niet verschenen gedaagde werd in ieder geval veroordeeld tot overname van de aandelen. Bij zo'n strikte regeling omtrent verweer paste een dagvaardingstermijn van ten minste vier weken. De gedaagde had dan in ieder geval ruim de tijd om het voeren van verweer in overweging te kunnen nemen.18 Om de uittreding nog meer te versnellen en procedurele complicaties te vermijden, was bepaald dat een vordering tot oproeping in vrijwaring, voeging of tussenkomst niet was toegelaten. De gedachte was dat de uittredende (minderheids) aandeelhouder bepaalde tegen wie hij procedeerde. De gedaagde aandeelhouder moest op zijn beurt maar een vordering instellen en een afzonderlijke procedure starten wanneer hij van mening was dat ook andere aandeelhouders een deel van de aandelen moesten overnemen.19
De kritiek op deze procedurele versnellingen was niet mals.20 De prijs van het uitsluiten van een incident tot vrijwaring was volgens de Gecombineerde Commissie te hoog. De kans dat de kosten uiteindelijk niet ten laste komen van degene die de deze zou moeten dragen, nam aanzienlijk toe. Ook de gedaagde kon met een vrijwaringprocedure bij uitstek de hem gemaakte verwijten trachten te weerleggen. De Gecombineerde Commissie vroeg zich voorts af of de analyse in de toelichting ten aanzien van de toewijzing van de vordering indien verweer achterwege blijft, wel volledig was. Gold die toewijzing ook voor de met de uittreding samenhangende schadevergoedingsvorderingen?21 Ik merk op dat een gedaagde voor de zekerheid de 'ik zal verweren'-verklaring zou afleggen, en later zou bezien of hij daadwerkelijk verweer ging voeren. De tijdswinst zou in de praktijk dus niet optreden. Bovendien bleef onduidelijk of er niettemin zuivering van het verstek of verzet mogelijk bleef.
De wetgever nam naar aanleiding van de commentaren op het voorontwerp in het wetsvoorstel Flex-BV zowel de termijn voor het voeren van verweer als de uitsluiting van vrijwaring, voeging en tussenkomst terug.22
De in de literatuur algemeen gedeelde conclusie was dat de voorgestelde wijzigingen in een enkel geval een verbetering waren. Toch was de voorspelling dat het met een gewijzigde geschillenregeling 'roeien in een bak met stroop' blijft.23