Einde inhoudsopgave
Zekerheid voor de vastgoedfinancier (R&P nr. VG9) 2019/3.5.1
3.5.1 Reparaties en onderhoud
S.J.L.M. van Bergen, datum 13-11-2018
- Datum
13-11-2018
- Auteur
S.J.L.M. van Bergen
- JCDI
JCDI:ADS622647:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Clark e.a. 2014, p. 657, met verwijzing naar Richards v Morgan (1753) 4 Y&C Ex 570; Palk v Mortgage Services Funding plc [1993] Ch 330 at 338; Downsview Nominees Ltd v First City Corpn Ltd [1993] AC 295 at 315.
Clark e.a. 2014, p. 657.
Zie Clark e.a. 2014, p. 657, met verwijzing naar Richards v Morgan (1753) 4 Y&C Ex 570; Moore v Painter (1842) 6 Jur 903; Tipton Grene Colliery Co v Tipton Moat Colliery Co (1877) 7 Ch D 192.
Clark e.a. 2014, p. 658.
Clark e.a. 2014, p. 657, met verwijzing naar Moore v Painter (1842) 6 Jur 903.
Clark e.a. 2014, p. 657, met verwijzing naar Barclays Bank plc v Alcorn [2002] EWCA Civ 817.
De hypotheekhouder is na inbezitneming gehouden om ‘in redelijkheid’ reparaties aan het onderpand uit te voeren.1 Dat betekent niet dat een hypotheekhouder alle reparaties hoeft uit te voeren die een eigenaar zelf zou doen.2 De verplichting valt of staat met de inkomsten die het in bezit genomen vastgoed oplevert (de geïnde huurpenningen). In algemene zin geldt dat een hypotheekhouder gehouden is om de netto-inkomsten (inkomsten na aftrek van de verschuldigde rente aan de hypotheekhouder zelf) aan te wenden voor onderhoud en (redelijke) reparaties.3 Dus als achteruitgang van het vastgoed voorkomen kan worden door uit de gerealiseerde inkomsten bepaalde werkzaamheden te verrichten, dan zal de hypotheekhouder hiertoe moeten overgaan. Een uitzondering wordt evenwel gemaakt voor ‘normaal’ verval, dat wil zeggen verval dat door enkel tijdsverloop intreedt. Dit wordt de hypotheekhouder in principe niet aangerekend en hoeft hij ook niet te verhelpen.4
In het omgekeerde geval, als de netto-inkomsten niet toereikend zijn voor het bekostigen van de werkzaamheden, vervalt in beginsel ook de verplichting die uit te voeren. De hypotheekhouder is niet gehouden om zijn vordering op de schuldenaar te laten oplopen door kosten te maken voor reparatie en onderhoud aan het pand. Tot slot moeten de te maken kosten in verhouding staan tot de eventuele toename van de waarde van het vastgoed. Als de kosten deze waardevermeerdering overstijgen, is de hypotheekhouder niet verplicht ze uit te voeren.5 Sterker nog: dergelijk handelen wordt als onverantwoord aangemerkt en kan ertoe leiden dat de gemaakte kosten voor rekening van de hypotheekhouder blijven.6