Einde inhoudsopgave
Het bestuursverbod bij de commanditaire vennootschap (IVOR nr. 93) 2013/3.5.3.2.2
3.5.3.2.2 RULPA 1976
Mr. A.J.S.M. Tervoort , datum 11-07-2013
- Datum
11-07-2013
- Auteur
Mr. A.J.S.M. Tervoort
- JCDI
JCDI:ADS444967:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Rechtswetenschap / Rechtsgeschiedenis
Ondernemingsrecht / Personenvennootschappen
Voetnoten
Voetnoten
Aslanides (1978), p. 265-266, Pierce (1979), p. 1315 en p. 1324.
Sell (1978), p. 464, Pierce (1979), p. 1316-1317 en p. 1325, Donnell (1980), p. 408.
Pierce (1979), p. 1318-1319, Kessler (1979), p. 164-165, Donnell (1980), p. 409, Wilke (1985), p. 530-531, Basile (1985), p. 1211-1212, Kempin (1985), p. 447.
Pierce (1979), p. 1316, Kleinberger (2004), p. 627.
Donnell (1980), p. 407-408, Freedberger (1983), p. 572, Kempin (1985), p. 447. Bishop leest wel een vertrouwenstoets in deze tekst; zie Bishop (2004), p. 691.
Brumder (1980), p. 122-123 en p. 129. Anders Ratigan (1983), p. 972, die van oordeel is dat RULPA 1976 in haar streven het doen van investeringen door limited partners aan te moedigen hun belangen in te sterke mate heeft laten prevaleren boven die van vennootschapscrediteuren.
Onder RULPA 1976 wordt, zoals hierboven in 3.5.3.1.2 beschreven, wat de gevolgen van overtreding van het bestuursverbod betreft gedifferentieerd naar de aard van de werkzaamheden van de bedrijvige limited partner. Deze differentiatie bestaat hierin dat art. 303 RULPA 1976 een onderscheid maakt tussen (1) werkzaamheden van de limited partner die ‘substantially the same’ zijn als die van een general partner en (2) andere werkzaamheden van de limited partner. Indien hij werkzaamheden verricht die substantially the same zijn als die van een general partner, dan wordt hij eo ipso geacht het bestuursverbod te hebben overtreden, ook wanneer hij bij derden niet het vertrouwen heeft gewekt dat hij de general partner is.1 In zoverre is deze regel eerder als een verruiming dan een terugdringing van de werkingsomvang van het bestuursverbod aan te merken. De bedrijvige limited partner is in deze situatie als een general partner voor vennootschapsschulden aansprakelijk. Over de vraag of hij daarmee ook aansprakelijk wordt voor vennootschapsschulden die zijn ontstaan vóórdat hij in overtreding was, en hoe hij kan voorkomen dat hij na het staken van zijn bestuursbemoeienis aansprakelijk blijft voor alsdan nieuw ontstane verbintenissen van de vennootschap zwijgt RULPA 1976.2 Daarnaast ontbreekt in RULPA 1976 enige aanwijzing over wat dient te worden verstaan onder ‘substantially the same’, hetgeen in de literatuur de nodige kritiek heeft opgeroepen.3 Indien de overtreding van het bestuursverbod bestaat uit werkzaamheden van de limited partner die niet substantially the same zijn als die van een general partner geldt een milder aansprakelijkheidsregime: de bedrijvige limited partner is dan slechts aansprakelijk jegens de vennootschapscrediteur die met de vennootschap heeft gehandeld in de wetenschap dat de limited partner zich in algemene zin met het bestuur heeft ingelaten.4 Opmerkelijk is dat RULPA 1976 zwijgt over de vraag of dit wetenschapsvereiste een vertrouwenstoets insluit. Het is dus niet zeker of voor het aannemen van aansprakelijkheid van de bedrijvige limited partner die werkzaamheden verricht die niet substantially the same zijn als die van een general partner, is vereist dat de crediteur niet alleen wist van de bestuursbemoeienis van de bedrijvige limited partner, maar er bovendien op heeft vertrouwd dat deze de general partner was.5 Zo dit vertrouwensvereiste door RULPA 1976 niet wordt gesteld is ook deze bepaling van art. 303 RULPA 1976 veeleer als een uitbreiding van de aansprakelijkheid van de bedrijvige limited partner dan als een beperking daarvan aan te merken.6