Einde inhoudsopgave
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/5.3.4.3
5.3.4.3 Onbetaald gebleven handelingen
dr. mr. B.G.A. Heijnen, datum 01-03-2018
- Datum
01-03-2018
- Auteur
dr. mr. B.G.A. Heijnen
- JCDI
JCDI:ADS497862:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Omzetbelasting / Algemeen
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Voetnoten
Voetnoten
Met de woorden ‘in afwijking van’ in art. 185 lid 2 eerste alinea Btw-richtlijn suggereert de Uniewetgever dat de aldaar genoemde categorieën tevens onder art. 185 lid 1 Btw-richtlijn vallen. De woorden ‘met name’ in die bepaling geven vervolgens aanleiding te veronderstellen dat de onbetaald gebleven handelingen ook onder de reikwijdte van art. 184 Btw-richtlijn vallen.
Daar waar ik in het vervolg refereer aan de ‘hoofdregel’ doel ik op art. 184 en 185 lid 1 Btw-richtlijn (wél herziening). Omdat art. 185 lid 1 Btw-richtlijn onbetaald gebleven handelingen vervolgens als uitgangspunt van de hoofdregel uitsluit, doel ik met ‘uitgangspunt’ voortaan op de ‘afwijking op de hoofdregel’ (géén herziening). De ‘afwijking op de afwijking’ staat weer equivalent aan de ‘afwijking op het uitgangspunt’ (wél herziening).
Dit arrest heb ik behandeld in paragraaf 4.3.1.1.7.
Ook Terra & Kajus 2017 (paragraaf 10.6.2) lijken hiervan uit te gaan.
Uit het PIGI-arrest (HvJ 4 oktober 2012, nr. C-550/11, V-N 2012/54.14) kan bovendien worden opgemaakt dat lidstaten de vrijheid hebben de in art. 185 Btw-richtlijn opgesomde categorieën in eigen woorden in de nationale wetgeving op te nemen.
Paragraaf 3.3.6.2.
Paragrafen 5.3.5 en 7.3.1.2.2.
Op het moment van het afsluiten van het onderzoek op 31 december 2017.
Geregistreerd onder nr. C-396/16, V-N 2017/51.18.34 (zie uitvoerig paragraaf 7.2.2.1).
In gelijke zin: getuige de prejudiciële vragen, de verwijzende rechter in HvJ 23 november 2017, nr. C-246/16, V-N Vandaag 2017/2753 (Enzo di Maura).
HvJ 13 maart 2014, nr. C-107/13, V-N 2014/16.21 (FIRIN) (paragrafen 5.3.2.3-5.3.2.4)
Dit brengt mij tot de vraag naar de grondslag voor de categorie ‘niet-betaling’. Anders dan art. 90 lid 1 Btw-richtlijn, wordt ‘niet-betaling’ als zodanig niet in art. 185 Btw-richtlijn genoemd. Wel rept art. 185 Btw-richtlijn over ‘handelingen die geheel of gedeeltelijke onbetaald zijn gebleven’. Meer specifiek rijst de vraag of ‘niet-betaling’ met deze categorie gelijkgeschakeld moet worden. Deze vraag is uiterst relevant, omdat de categorie van de onbetaald gebleven handelingen, anders dan de andere categorieën (behoudens ‘diefstal’), in art. 185 Btw-richtlijn qua systematiek een andere (wispelturige) plaats inneemt. Deze kan als volgt worden samengevat:
Art. 184-185 Btw-richtlijn1
Hoofdregel2
De aftrek wordt wel herzien (art. 184 en 185 lid 1)
Afwijking (uitgangspunt)
De aftrek wordt niet herzien (art. 185 lid 2 eerste alinea)
Afwijking op de afwijking
De aftrek wordt wel herzien (art. 185 lid 2 tweede alinea)
Hoewel het op het eerste gezicht zeer verleidelijk is om ‘niet-betaling’ onder de categorie van de ‘handelingen die geheel of gedeeltelijk onbetaald zijn gebleven’ te scharen – de niet-betalende afnemer laat de handeling van de leverancier immers onbetaald – moet worden opgemerkt dat over de grondslag twijfel zou kunnen bestaan. Zo beargumenteert A-G De Wit in zijn conclusie bij HR 11 juli 2008, BNB 2008/2833 dat de categorie enkel vanuit de leverancier (wiens handelingen onbetaald blijven) moet worden bezien. Hij onderbouwt zijn visie als volgt (voetnoten zijn niet opgenomen):
“6.11. Correctie van de toegepaste aftrek bij niet betaling door de afnemer lijkt (...) op grond van onderdeel a van artikel 20 eerste lid van de richtlijn [art. 184 Btw-richtlijn; BH] te worden gebaseerd. In onderdeel b [art. 185 Btw-richtlijn; BH] wordt echter expliciet gerefereerd aan handelingen die geheel of gedeeltelijk onbetaald zijn gebleven. Daarmee wordt de suggestie gewekt dat onderdeel b is bedoeld voor die situatie [van niet-betaling; BH], en niet onderdeel a. Het komt mij voor dat onderdeel b van artikel 20, eerste lid, van de Zesde richtlijn [art. 185 Btw-richtlijn; BH] niet de basis kan zijn voor de hier besproken correctie van de afrek [aftrek; BH] bij de niet betalende afnemer. Onderdeel b lijkt namelijk gericht te zijn op de aftrek van de leverancier. Dit wordt bevestigd door het antwoord van de Commissie van de Europese Gemeenschappen op een vraag van een lid van het Europees Parlement betreffende de fiscale behandeling van de schadevergoeding die een huurder betaalt aan een verhuurder ingeval van diefstal of vernieling van het gehuurde goed:
“In het door het geachte Parlementslid vermelde geval is het mogelijk dat het langlopend huurcontract wordt ontbonden ten gevolge van vernieling of diefstal van het gehuurde goed. In artikel 11, onder c), van de Zesde Richtlijn (77/388/EEG), wordt bepaald dat in deze omstandigheden de maatstaf van heffing dienovereenkomstig wordt verlaagd. Elke betaling van huur, laat staan van schadevergoeding, verliest dan zijn hoedanigheid van tegenprestatie voor een dienst.
De richtlijn staat de Lid-Staten evenwel toe onder de in artikel 20, lid 1, onder b), gestelde voorwaarden, de verhuurder van het gestolen goed een heffing op te leggen die overeenstemt met de belastingaftrek bij de aankoop van het goed in kwestie.”
6.12. Het geval van gehele of gedeeltelijke niet-betaling wordt in één adem genoemd met de situatie waarin goederen worden vernietigd of gestolen. Duidelijk zal zijn dat in de laatste situatie de vooraftrek ten aanzien van die goederen zelf aan de orde is. Naar ik meen geldt dit eveneens voor niet betaalde handelingen. Onderdeel b ziet op de vooraftrek bij de leverancier van de niet betaalde handeling. Voor deze zienswijze pleit ook het feit dat de hoofdregel volgens onderdeel b is dat geen correctie plaatsvindt in geval van niet betaalde handelingen. Het zou toch merkwaardig zijn indien volgens de richtlijn als hoofdregel geen correctie zou plaatsvinden bij de niet betalende afnemer, terwijl bovendien als hoofdregel ingevolge artikel 11 C, eerste lid, wel correctie bij de leverancier dient plaats te vinden.
6.13. Met artikel 29, tweede lid, eerste volzin, wordt dan ook in feite uitvoering gegeven aan artikel 20, eerste lid, onderdeel a, van de Zesde richtlijn. Indien reeds het hogere bedrag aan voorbelasting in aftrek is gebracht en later blijkt dat minder wordt voldaan, dient in overeenstemming met artikel 20, eerste lid, onderdeel a de aftrek te worden herzien.”
Aldus is A-G De Wit van oordeel dat art. 20 lid 1 onderdeel b Zesde richtlijn (art. 185 Btw-richtlijn) (de ‘onbetaald gebleven handelingen’) ziet op de herziening van de aftrek bij de leverancier en art. 20 lid 1 onderdeel a Zesde richtlijn (art. 184 Btw-richtlijn) de basis vormt voor herziening van de aftrek bij de afnemer.4
Dit is een interessante gedachte. En hoewel voor dit standpunt in de context van de bepaling wat te zeggen valt (ik kom daarover in navolgende paragraaf te spreken) en de gekozen systematiek (hoofdregel en twee afwijkingen) zou kunnen verklaren (ook daarover later meer), meen ik dat het betoog van de A-G om meerdere redenen niet kan worden aanvaard. De eerste reden houdt verband met de wijzigingen die art. 20 lid 1 Zesde richtlijn heeft ondergaan bij de invoering van de Btw-richtlijn. Zoals eerder opgemerkt, veronderstellen de woorden ‘met name’ in art. 185 lid 1 Btw-richtlijn (de pendant van art. 20 lid 1 onderdeel b Zesde richtlijn) dat de ‘handelingen die geheel of gedeeltelijk onbetaald zijn gebleven’ (als hoofdregel) ook onder art. 184 Btw-richtlijn (de pendant van art. 20 lid 1 onderdeel a Zesde richtlijn) vallen (zie ook hiervoor). Daaruit volgt dat art. 184 Btw-richtlijn ook betrekking heeft op de positie van de leverancier en dus niet beperkt is tot die van de afnemer. Het aanvaarden van het betoog van de A-G zou betekenen dat art. 184 Btw-richtlijn zowel de categorie van ‘onbetaald gebleven handelingen’ (vanuit de leverancier bezien) als die van ‘niet-betaling’ (vanuit de afnemer bezien) zou bevatten. Dit zou de duiding van de (gehele) bepaling naar mijn idee nodeloos gecompliceerd maken. Dit is niet wenselijk. De tweede reden (die hiermee verband houdt) ziet op de door mij in voorgaande paragraaf geventileerde gedachte dat ‘niet-betaling’ door de afnemer moet worden aangemerkt als een ‘wijziging in de elementen die voor het bepalen van de aftrek in aanmerking zijn genomen’, waardoor art. 185 lid 1 Btw-richtlijn ook betrekking zou moeten hebben op de afnemer. Ook hier geldt dat wanneer het standpunt van de A-G moet worden gevolgd, art. 185 lid 1 Btw-richtlijn twee soorten niet-betaling zou bevatten: één vanuit het perspectief van de leverancier (de ‘onbetaald gebleven handelingen’) en één vanuit het oogpunt van de afnemer (de niet bij naam genoemde ‘niet-betaling’). Om dezelfde reden als hiervoor acht ik dit onwenselijk. Het derde argument heeft (in het verlengde hiervan) te maken met de woordelijke interpretatie van ‘handelingen die geheel of gedeeltelijk onbetaald zijn gebleven’. Hoewel niet uitgesloten kan worden dat deze (ook) betrekking heeft op de positie van de leverancier (hij verricht immers de handeling), komt het mij voor dat de niet-betalende afnemer (‘niet-betaling’) prima aan deze definitie voldoet: hij laat de handeling (weliswaar verricht door de leverancier) immers onbetaald.5 Ter verdere onderbouwing merk ik op dat de Engelse tekst van de Btw-richtlijn een meer neutralere term kent. In plaats van handelingen (supplies) wordt gesproken van transacties (transactions). Dit pleit temeer voor de opvatting dat de ‘onbetaald gebleven handelingen’ (ook) betrekking hebben op de afnemer van de prestatie. De vierde en vijfde reden hebben betrekking op de opvatting van de A-G dat art. 185 lid 1 Btw-richtlijn enkel op de leverancier gericht is. In de eerste plaats heb ik moeite met de feitelijke onderbouwing van de A-G. Naar mijn idee kan de visie van de A-G niet zonder meer worden gestoeld op het antwoord van de Europese Commissie op de vraag van het betreffende parlementslid (zie citaat). Het antwoord behelst in mijn optiek niet meer dan het standpunt van de Europese Commissie dat een lidstaat de aftrek bij vernieling of diefstal (krachtens art. 20 lid 1 onderdeel b Zesde richtlijn) bij de eigenaar van het goed kan corrigeren. Dat in voornoemd voorbeeld de eigenaar tevens de leverancier was (omdat sprake was verhuur) is iets van feitelijke aard en is in mijn optiek niet ter zake doende. Wanneer de verhuur bijvoorbeeld als een levering had gekwalificeerd, dan had de correctie van de aftrek naar mijn idee bij de huurder (de afnemer) moeten plaatsvinden. In de tweede plaats laten de hiervoor besproken categorieën (paragraaf 5.3.4.1) mijns inziens geen ruimte voor de opvatting dat art. 185 Btw-richtlijn beperkt is tot de leverancier. Het gaat daarbij immers om geannuleerde aankopen en de verkregen rabatten. Art. 185 Btw-richtlijn ziet daarmee zonder twijfel (ook) op de afnemer. Als de bepaling enkel betrekking zou hebben gehad op de leverancier, dan had het voor de hand te spreken van geannuleerde verkopen en verstrekte rabatten. De zesde reden kan worden gevonden in de systematiek van art. 185 lid 2 Btw-richtlijn. Het komt mij voor dat – zou art. 185 Btw-richtlijn betrekking hebben op de leverancier – herziening van de aftrek alleen aan de orde zou moeten kunnen zijn, wanneer de maatstaf van heffing met betrekking tot de handelingen van de leverancier op grond van art. 90 lid 1 Btw-richtlijn zou zijn verlaagd. Andersom: herziening van de maatstaf van heffing zou niet aan de orde moeten zijn, wanneer lidstaten krachtens art. 90 lid 2 Btw-richtlijn geen herziening van de maatstaf zouden voorschrijven. Het is nu juist opvallend dat beide bepalingen uitgaan van een ander uitgangspunt: wel herziening van de omzet (art. 90 lid 1 Btw-richtlijn) en geen herziening van de aftrek (art. 185 lid 2 eerste alinea Btw-richtlijn). Wanneer de bepaling (enkel) betrekking zou hebben op de leverancier, dan had een systematische afstemming meer voor de hand gelegen. De zevende (en meest gewichtige) reden heeft van doen met de idee lidstaten in staat te stellen hoofd te bieden aan art. 90 Btw-richtlijn. Deze bepaling schrijft weliswaar als uitgangspunt voor dat de maatstaf van heffing in geval van niet-betaling wordt verlaagd (lid 1), maar geeft lidstaten tegelijkertijd de ruimte om verlaging van de maatstaf van heffing bij niet-betaling (geheel) uit te sluiten door niet-betaling niet op te nemen in de lijst van gevallen waarin de maatstaf van heffing wordt verlaagd (lid 2).6 Wanneer een lidstaat gebruikt maakt van deze afwijkingsbevoegdheid en op grond van art. 185 lid 2 Btw-richtlijn niet de mogelijkheid zou hebben om af te wijken van de hoofdregel (art. 184 en 185 lid 1 Btw-richtlijn) (zie hiervoor en hierna7), dan zou dit een ontoelaatbare breuk met het neutraliteitsbeginsel van de btw tot gevolg hebben.
Met de visie dat art. 185 Btw-richtlijn niet beperkt is tot de leverancier bevind ik mij in goed gezelschap. In zijn conclusie van 12 oktober 2017 in de thans8 bij het HvJ aanhangige zaak T-29 stelt A-G Saugmandsgaard Øe zich eveneens op het standpunt dat niet-betaling door de afnemer (vanwege het treffen van een schuldeisersakkoord) onder de reikwijdte van de ‘handelingen die geheel of gedeeltelijk onbetaald zijn gebleven’ valt.10 Ik citeer:
“70. (...) meen ik dat de verrichtingen waarop de procedure van preventief akkoord betrekking heeft, onder het begrip „handelingen die geheel of gedeeltelijk onbetaald zijn gebleven” in de zin van artikel 185, lid 2, van de btw-richtlijn vallen (...).
71. Het praktische gevolg van een preventief akkoord is immers dat het de gehele of gedeeltelijke niet-betaling meebrengt van de prijs van de verrichtingen waarop dat preventieve akkoord betrekking heeft. (...)”
Ook A-G Kokott lijkt deze mening te zijn toegedaan. In haar conclusie bij het FIRIN-arrest11 stelt zij (cursivering van mijn hand):
“47. (...) Dat (...) artikel 185, lid 2, eerste alinea, van de btw-richtlijn de herziening van de aftrek van voorbelasting in beginsel uitsluit wanneer handelingen geheel of gedeeltelijk onbetaald zijn gebleven. In dat geval behoudt de belastingplichtige dus zijn recht op aftrek van voorbelasting, hoewel hij helemaal niet heeft betaald.”
Ik kom dan ook tot de gevolgtrekking dat het spiegelbeeld van ‘niet-betaling’ uit art. 90 lid 1 Btw-richtlijn moet worden gevonden in de categorie van de ‘handelingen die geheel of gedeeltelijk onbetaald zijn gebleven’ uit art. 185 Btw-richtlijn.