Einde inhoudsopgave
Douanewaarde in een globaliserende wereld (FM nr. 164) 2021/10.1
10.1 Inleiding
M.L. Schippers, datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
M.L. Schippers
- JCDI
JCDI:ADS258590:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Accijns en verbruiksbelastingen / Algemeen
Douane (V)
Voetnoten
Voetnoten
Het BEPS-project noopt tot herijking van verrekenprijsbeleid bij ondernemingen, wat op zichzelf de perfecte aanleiding kan vormen tot nadere afstemming van de vaststelling van de douanewaarde op de vaststelling van de douanewaarde. D.V. Pike, “BEPS” – The New Frontier for Customs Valuation, Georgetown Law. Zie nader onderdeel 1.1.
Zie in het bijzonder Commentary 23.1, Case Studies 14.1 en 14.2 en WCO Guide to Customs Valuation and Transfer Pricing (24 juni 2015, geüpdatet in 2018). Deze instrumenten worden in meer detail besproken in onderdeel 10.4.2.
HvJ EU 20 december 2017, nr. C-529/16 (Hamamatsu Photonics Deutschland GmbH tegen Hauptzollamt München), ECLI:EU:C:2017:984.
In de literatuur verschenen sedertdien onder andere de volgende artikelen: M. Friedhoff and M.L. Schippers, ECJ Judgment in Hamamatsu Case: An Abrupt End to Interaction Between Transfer Pricing and Customs Valuation?, EC Tax Review 28(1), p. 32–42; J. Tuominen, European Union - The Link between Transfer Pricing and EU Customs Valuation Law: Is There Any and How Could It Be Strengthened?, ITPJ 25(6), p. 436-453; E. De Angelis and T. Elshof, European Union – The Interplay between Transfer Pricing and Customs Valuation in Case of Retroactive Profit Adjustments: The Position of the ECJ in the Case Hamamatsu Photonics GmbH (C-529/16), ITPJ 25(4), p. 300-305; D. Rovetta, L.C. Beretta, A. Smiatacz, The Court of Justice of the European Union Judgment in the Hamamatsu Case: Defending EU Customs Valuation Law from the ‘Transfer Pricing Folly’ in Customs Matters, GTCJ 13(5), p. 187–190.
Zie de artikelen genoemd in voetnoot 5.
Verbondenheid kan vanuit douanerechtelijk perspectief ook volgen uit een familieband. De vaststelling van de transactiewaarde van ingevoerde goederen in die gevallen laat ik verder buiten beschouwing in dit onderzoek, omdat ik mij richt op B2B-transacties.
De aandacht voor de vaststelling van interne verrekenprijzen en de invloed ervan op de vaststelling van de douanewaarde is in zowel de praktijk als wetenschap toegenomen vanwege het BEPS-project alsmede economische globalisatie en de daarmee gepaard gaande intensivering van intragroepstransacties.1 Ook het verschijnen van diverse instrumenten van de Technische commissie douanewaarde van de WDO over de samenloop hebben daaraan bijgedragen.2 Vanuit Europeesrechtelijk perspectief is deze aandacht vooral toegenomen vanwege het arrest Hamamatsu Photonics Deutschland GmbH tegen Hauptzollamt München3.4 In deze zaak lijkt het Hof van Justitie te oordelen dat het onder de bepalingen van het CDW niet is toegestaan om de transactiewaarde van de ingevoerde goederen te baseren op een initiële verrekenprijs die retroactief wordt aangepast. De reikwijdte van het arrest is nog niet uitgekristalliseerd (onder het huidige douanewetboek) en het oordeel van het Hof van Justitie lijkt voor meer dan één interpretatie vatbaar.5
In onderdeel 7.5.5 is reeds ingegaan op de vaststelling van de transactiewaarde van ingevoerde goederen bij verbonden partijen. Uit dit onderdeel volgt dat de aangever op verzoek van de douaneautoriteiten moet aantonen dat de transactiewaarde door de verbondenheid van personen niet is beïnvloed. Hij slaagt in zijn bewijslast als hij aantoont dat de transactiewaarde één van de testwaarden zeer dicht benaderd. In de praktijk kunnen testwaarden veelal niet geïdentificeerd worden door de strenge voorwaarden die gelden voor de toepassing ervan (onderdeel 7.5.5.4). Op basis van een onderzoek naar de omstandigheden van de verkoop moet in dat geval worden aangetoond dat geen sprake is van prijsbeïnvloeding (onderdeel 7.5.5.3). De aangever is vrij in zijn bewijslast en in de praktijk wordt verrekenprijsdocumentatie overgelegd als invulling van dit onderzoek. Net als voor de douanewaarde bij intragroepstransacties, moet voor de vaststelling van interne verrekenprijzen een ’zakelijkheidstoets’ worden aangelegd. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de vraag of i) verrekenprijsdocumentatie gebruikt kan worden om aan te tonen dat de transactiewaarde van ingevoerde goederen bij intragroepstransacties niet is beïnvloed, en op de vraag ii) in hoeverre interne verrekenprijsaanpassingen invloed (moeten) hebben op het (definitief) vaststellen van de transactiewaarde van de ingevoerde goederen bij intragroepstransacties.6
In onderdeel 10.2 wordt de problematiek rondom de samenloop nader geduid en wordt vanuit conceptueel oogpunt ingegaan op de vraag of er voor de vaststelling van de douanewaarde aansluiting gezocht moet worden bij de vaststelling van interne verrekenprijzen. Gelet op de elementen van het toetsingskader, zal blijken dat nadere afstemming gewenst is. Om aanbevelingen te formuleren voor (een nadere) afstemming tussen de vaststelling van de douanewaarde en interne verrekenprijzen bij intragroepstransacties, is het van belang om te onderzoeken hoe de douanewaarde en hoe interne verrekenprijzen tot stand komen bij intragroepstransacties. Voor de douanewaarde verwijs ik in dat kader naar onderdeel 7.5.4 en voor de vaststelling van interne verrekenprijzen naar onderdeel 10.3. In laatstgenoemd onderdeel zal ik ook telkens de verschillen met de wijze waarop de douanewaarde bij intragroepstransacties wordt vastgesteld benoemen. Ik merk daarbij op dat de verschillen thans nog geregeld worden aangevoerd om te bepleiten dat afstemming vanuit juridisch en operationeel opzicht onmogelijk is. Zoals in dit onderdeel wordt toegelicht, lijken de verschillen in toenemende mate overbrugd te kunnen worden, in het bijzonder doordat de vaststelling van interne verrekenprijzen frequenter en in toenemende mate lijkt plaats te vinden op transactie- en productniveau door het gebruik van technologische toepassingen. In de onderdelen 10.4 en 10.5 bespreek ik vanuit breder internationaal respectievelijk Europeesrechtelijk perspectief wat op basis van wettelijke bepalingen en jurisprudentie thans de speelruimte is om verrekenprijsdocumentatie te gebruiken om aan te tonen dat de prijs door de verbondenheid niet is beïnvloed en in hoeverre interne verrekenprijsaanpassingen in aanmerking genomen (moeten) worden voor het (definitief) vaststellen van de transactiewaarde van de ingevoerde goederen bij intragroepstransacties. De beantwoording van de twaalfde deelvraag van dit onderzoek komt aan bod in onderdeel 10.6. Deze deelvraag luidt:
“In hoeverre en op welke wijze kan de transactiewaarde worden toegepast bij een verkoop voor uitvoer tussen verbonden personen in de Europese Unie?”
In onderdeel 10.7 bespreek ik voorstellen voor (een nadere) juridische afstemming van de vaststelling van de douanewaarde op de vaststelling van interne verrekenprijzen onder het DWU.