Einde inhoudsopgave
Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen (O&R nr. 80) 2014/4.3.2
4.3.2 Systematisering begint met verband tussen verrijking en verarming
mr. S.R. Damminga, datum 07-11-2013
- Datum
07-11-2013
- Auteur
mr. S.R. Damminga
- JCDI
JCDI:ADS493948:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Overige verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Hoofdstuk 3, par. 3.2.2.
A kan wellicht naar huidig Nederlands recht zijn schade verhalen op de overheid, bijvoorbeeld op basis van het beginsel van de egalité devant les charges publiques. Dit beginsel houdt in dat burgers niet onevenredig mogen worden benadeeld door handelingen van de overheid waarmee het algemeen belang wordt gediend.
Zie par. 4.2.4 onder i.
Ook het argument dat B zijn verrijking niet waardeert en B met succes een beroep moet kunnen doen op een dergelijk verweer is niet sterk. In onze kredieteconomie zal B ongetwijfeld ter financiering van zijn activiteiten met enige regelmaat krediet opnemen, waarbij hij tot zekerheid van nakoming zijn onroerende zaken verhypothekeert (of reeds heeft verhypothekeerd). Een stijging van de waarde van zijn onroerende zaken levert hem financiële voordelen op die hij anders niet zou hebben gehad. Te denken valt aan een lagere rente wegens overwaarde of meer krediet onder hypothecair verband terwijl anders een hoger rentepercentage zou gelden omdat geen of alleen minder zekere vormen van zekerheid kunnen worden verschaft.
Op welke wijze kan artikel 6:212 het meest systematisch worden omlijnd? Dient men te beginnen met het ontwikkelen van criteria aan de hand waarvan kan worden beoordeeld of een verrijking ongerechtvaardigd is, of dient men eerst te onderzoeken wanneer een verrijking wordt genoten ten koste van een ander? Het is naar mijn mening niet perse onjuist om als eerste de vraag te stellen of een willekeurige verrijking ongerechtvaardigd is.
Naar mijn mening is het echter systematischer om eerst in kaart te brengen welke soorten ‘verrijkingen ten koste van een ander’ in aanmerking kunnen komen om als ongerechtvaardigd te worden aangemerkt. Zoals in de vorige paragraaf reeds is geconcludeerd, hoeft het vereiste ‘ongerechtvaardigd’ in artikel 6:212 dan alleen betrekking te hebben op verrijkingen die zijn ontstaan ten koste van een ander. Als vaststaat wat dient te worden verstaan onder ‘verrijkingen ten koste van een ander’, kan vervolgens een criterium worden ontwikkeld aan de hand waarvan kan worden beoordeeld of een verrijking ongerechtvaardigd is. Aangezien een dergelijk criterium is afgestemd op ‘verrijkingen ten koste van een ander’ in de zin van artikel 6:212, is het – in potentie – veel scherper.
Een voorbeeld ontleend aan de Oostenrijkse schrijver Wilburg illustreert dat in een systematische benadering eerst de vraag dient te worden gesteld of een verrijking wordt genoten ten koste van een ander.1 Stel dat de overheid een weg die langs het perceel van A loopt, maar niet langs het perceel van B, zodanig verlegt dat A niet langer via deze weg bereikbaar is, maar B wel. Het perceel van A daalt door de wegverlegging in waarde, terwijl het perceel van B in waarde stijgt omdat het beter bereikbaar is geworden. Wilburg meent dat A geen vordering tegen B heeft en dat A zijn eigen schade dient te dragen.2 Hij betoogt dat indien de vermogenstoename van B en de vermogensvermindering van A een verrijking van B ten koste van A vormen, het onmogelijk is om de vordering af te wijzen met behulp van een systematisch criterium. Voor een B’s verrijking ontbreekt immers een rechtsgrond, een feit dat de verrijking rechtvaardigt, zoals een overeenkomst, een wettelijke bepaling of een rechterlijke uitspraak. De vordering zou volgens Wilburg in deze benadering alleen kunnen worden afgewezen op de grond dat de verrijking van B niet onredelijk is. Een verwijzing naar de redelijkheid geeft echter geen enkel inzicht in de echte reden waarom een vordering niet ontstaat. De redelijkheid vormt daarom geen systematisch criterium om te beoordelen of een verrijking ongerechtvaardigd is.
Eventueel zou men in plaats van te verwijzen naar de redelijkheid de benadering van Meijer kunnen volgen. In de benadering van Meijer wordt onderzocht wanneer een verrijking ongerechtvaardigd is op grond van geschreven en ongeschreven recht, zonder dat aandacht wordt besteed aan de vraag of de verrijking is ontstaan ten koste van een ander.3 Men zou dan tegen de visie van Wilburg kunnen inbrengen dat niet de redelijkheid, maar ongeschreven normen meebrengen dat B’s verrijking niet ongerechtvaardigd is. Echter, deze ongeschreven normen zijn naar mijn mening net zo weinig inzichtelijk als ‘de redelijkheid’.
De reden waarom A in het hiervoor weergegeven voorbeeld geen afdracht van de verrijking van B dient te kunnen vorderen, is dat er geen relevant verband bestaat tussen A en B, alsmede tussen de verarming van A en de verrijking van B.4 Immers, ook als de weg niet werd verlegd, maar een extra weg zou zijn aangelegd, zou B zijn verrijkt; de verrijking van B is enkel ontstaan door overheidshandelen.
Het voorbeeld van Wilburg laat zien dat wanneer vaststaat dat een relevant verband aanwezig is tussen de verrijking en de verarming, een systematischer criterium kan worden ontwikkeld om te beoordelen of de verrijking ongerechtvaardigd is dan wanneer dit verband niet vaststaat. Volgens mij is daarom de meest wenselijke omlijning dat allereerst wordt onderzocht of een voldoende verband bestaat tussen de verrijking en de verarming. Ik onderzoek daarom in de volgende subparagrafen wanneer dit verband er is.