Einde inhoudsopgave
De strafbaarstelling van arbeidsuitbuiting in Nederland (SteR nr. 39) 2018/1.1
1.1 Aanleiding
mr. drs. S.M.A. Lestrade, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. drs. S.M.A. Lestrade
- JCDI
JCDI:ADS383756:1
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Economisch strafrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld de Preambule van de European Convention on Action against Trafficking in Human Beings (ETS No. 197) en het Explanatory Report van de European Convention on Action against Trafficking in Human Beings, note 36. Voorts Preambule 3 van de European Union Council Framework Decision on combating trafficking in human beings 2002/629/JBZ (PbEG 2002/L 203), Kamerstukken II 2003/04, 29 291, nr. 3, p. 2, Rijken 2009, p. 215 en EHRM 7 januari 2010, Rantsev v. Cyprus en Rusland, appl.nr. 25965/04, par. 282.
ILO 2012, p. 1.
Rijken 2003, p. 6, Aas 2007, p. 40, Scarpa 2008, p. 12-16, Obokata 2006, p. 122-124, Arocha 2010, p. 37, Shelley 2011, p. 135, Pérez Cepeda & Sánchez 2014.
Shelley 2010, p. 4, EU Commission Report 2016 on the progress made in the fight against trafficking in human beings, SWD 2016/159, p. 15, Joint Europol-Interpol report mei 2016, Executive summary on Migrant smuggling networks en Nationaal Dreigingsbeeld 2017 Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over mensenhandel, arbeidsuitbuiting, criminele uitbuiting en gedwongen dienstverlening, p. 54.
Zoals blijkt uit de diverse verdragen, rapporten en andere beleidsstukken die de afgelopen jaren door deze organisaties zijn ontwikkeld en tot doel hebben de mensenhandel te bestrijden. In hoofdstuk 4 volgt een bespreking van de belangrijkste verdragen en richtlijnen van deze organisaties. Zie ook Vermeulen 2010, p. 119 en Wylie & McRedmond 2010, p. 1 en 3-6.
Zowel op internationaal als nationaal niveau. Zie ook Van der Leun & Vervoorn 2004, p. 1 en Laczko 2005, p. 9. Weliswaar is in Nederland in 1863 de Trans-Atlantische slavenhandel opgeheven, maar zoals in hoofdstuk 2 zal blijken, daar was geen strafrechtelijk verbod aan gekoppeld.
Zie ook Esser & Dettmeijer-Vermeulen, Lestrade & Rijken, Nationaal Dreigingsbeeld 2017 Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over mensenhandel, arbeidsuitbuiting, criminele uitbuiting en gedwongen dienstverlening, p. 8.
Kunnen bootvluchtelingen uit Eritrea tegen kost en inwoning in Nederland werken zonder te spreken van mensenhandel? Is uitbuiting aan de orde bij de tewerkstelling van Hongaarse arbeiders in de bouw of bij Poolse champignontelers, Bulgaarse aspergestekers, Slowaakse aardbeienplukkers of Filipijnse matrozen die werken onder het Nederlandse minimumloon? Is de geïmporteerde Marokkaanse bruid die zorgt voor de kinderen en het huishouden slachtoffer van mensenhandel? Maakt de opa die zijn kleinkind aanzet tot een diefstal bij een supermarkt zich schuldig aan mensenhandel? Is degene die een Nederlandse schoonmaker in dienst heeft en € 2,50 per uur betaalt schuldig aan uitbuiting? Of nog relevanter: dient dit als zodanig strafbaar te zijn?
Het zijn actuele vragen die rijzen in onze gemondialiseerde samenleving. Een samenleving die wordt beïnvloed door migranten die op zoek zijn naar een beter leven in welvarender landen, maar waar ook binnen de landsgrenzen grote verschillen zijn tussen arm en rijk, en mensenhandel op de loer ligt.
Mensenhandel wordt ook wel aangeduid als de slavenhandel van deze tijd. De handel is gericht op de uitbuiting van personen. Dit betreft een ernstig delict dat een inbreuk vormt op de lichamelijke en geestelijke integriteit en persoonlijke vrijheid van individuen.1 Er zijn geen exacte cijfers te geven, maar vermoed wordt dat het bestaan van het verschijnsel omvangrijk is. De International Labour Organisation (ILO) schat het aantal slachtoffers van mensenhandel in 2012 wereldwijd op 20,9 miljoen.2
Mensenhandel vindt grensoverschrijdend over de hele wereld plaats en floreert bij de kloof tussen rijke en arme landen.3 De veronderstelling is dat het verschijnsel een steeds grotere vlucht neemt door de toenemende globalisering.4 Deze misdaad kan dan ook gezien worden als een dringend en serieus probleem in onze maatschappij.
Op internationaal, Europees en nationaal niveau bestaat geen twijfel dat deze ernstige vorm van criminaliteit moet worden bestreden. Over de aanpak van het fenomeen is veelvuldig gedebatteerd binnen politieke instituties zoals de Verenigde Naties (VN), de Raad van Europa (RvE), de Europese Unie (EU), de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) en tal van non-gouvernementele organisaties.5
De wenselijkheid van het bestrijden van mensenhandel staat buiten kijf. Maar tegelijkertijd moet ervoor worden gewaakt dat acceptabele werksituaties niet worden gecriminaliseerd en daardoor migratie, (internationale) samenwerking of de economische handel belemmert. Deze dissertatie richt zich op deze tweestrijd.
Mensenhandel is een breed begrip. Zoals later in dit onderzoek aan de orde komt, betreft het zowel de handel in de voorfase, als de exploitatie in de vervolgfase. Daarbij kan het gaan om uitbuiting binnen de seksindustrie, maar ook daarbuiten: de arbeidsuitbuiting in andere economische industrieën, bijvoorbeeld de agrarische sector, de horeca of de fabrieksindustrie. Gedwongen orgaandonatie wordt eveneens onder het begrip geschaard.
In Nederland is mensenhandel strafbaar gesteld in artikel 273f Sr. Deze strafbepaling kent een lange geschiedenis en is in de loop der jaren steeds meer uitgebreid. De bepaling is uitgegroeid tot een gecompliceerde delictsomschrijving en de langste in het Wetboek van Strafrecht.
Dit boek spitst zich toe op de arbeidsuitbuiting in Nederland, dat is de mensenhandel die is gericht op uitbuiting buíten de seksindustrie en de mensenhandel buíten de gedwongen orgaandonatie. In lijn met internationale en Europese ontwikkelingen, is arbeidsuitbuiting pas sinds 2005 strafbaar gesteld onder de huidige mensenhandelbepaling. De eerste nationale strafbaarstelling van mensenhandel met het oog op seksuele uitbuiting dateert daarentegen al uit 1911. De criminalisering van arbeidsuitbuiting betreft aldus – anders dan seksuele uitbuiting – een relatief nieuw fenomeen waar nog weinig onderzoek naar is gedaan.6 Dit gegeven heeft de doorslag gegeven voor de focus van deze dissertatie.
Artikel 273f Sr is tekstueel ruim geformuleerd. Daardoor lijkt de bepaling aanvaardbare werksituaties te criminaliseren. De Hoge Raad heeft de bepaling in elk geval gedeeltelijk beperkt door te vereisen dat bepaalde gedragingen in de delictsomschrijving moeten zijn begaan ‘onder omstandigheden waarbij uitbuiting kan worden verondersteld’. Het blijft echter onduidelijk wat precies onder arbeidsuitbuiting valt.7 Dit begrip is in de wet en jurisprudentie enkel voorzien van een omschrijving, maar niet van een afgebakende definitie. De brede strafbepaling – ook al is het deels slechts tekstueel en niet materieel – zaait verwarring. Dat uitbuiting voorts geen duidelijke definitie kent, vergroot de confusie. Het maakt het gecompliceerd voor politie, justitie en hulporganisaties te beoordelen wanneer mensenhandel en uitbuiting aan de orde zijn.
De wereldwijd gesignaleerde vrees voor een toenemend aantal slachtoffers van mensenhandel, de ernst van het delict, de gecompliceerdheid van de Nederlandse strafbepaling in artikel 273f Sr en de onduidelijkheid over wat arbeidsuitbuiting precies behelst, vormen de aanleiding voor dit proefschrift.