Einde inhoudsopgave
Ontwikkelingen in het civielrechtelijk conservatoir beslag in Nederland (BPP nr. XV) 2013/6.3.3.1
6.3.3.1 Het arrest Bijl/Van Baalen c.s.
mr. M. Meijsen, datum 27-05-2013
- Datum
27-05-2013
- Auteur
mr. M. Meijsen
- JCDI
JCDI:ADS493429:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 30 juni 2006, LJN AV1559, NJ 2007, 483, m.nt. H.J. Snijders (Bijl/Van Baalen c.s.).
HR 19 mei 2000, LJN AA5870, NJ 2001, 407, m.nt. H.J. Snijders (Staat/Varkenshouders).
HR 30 juni 2006, LJN AV1559, NJ 2007, 483, m.nt. H.J. Snijders (Bijl/Van Baalen c.s.).
Paragraaf 6.3.2.2.
H.J. Snijders onder HR 30 juni 2006, LJN AV1559, NJ 2007/483, m.nt. H.J. Snijders (Bijl/Van Baalen c.s.).
Jansen 2008, p. 6.
Anders: Thoe Schwartzenberg 2007, p. 131, welke (zonder verdere uitleg) stelt dat het beroep op het systeem van de wet een sterk argument is.
Zie hieromtrent ook paragraaf 10.5.2 waarin de voor de beslagene onnodig belastende situatie aan de orde komt dat deze in het voorstel Europees bankbeslag in dergelijke omstandigheden een verzoek tot heroverweging dient in te stellen om het beslag te doen beeindigen.
H.J. Snijders onder HR 30 juni 2006, LJN AV1559, NJ 2007, 483, m.nt. H.J. Snijders (Bijl/Van Baalen c.s.), no. 4.
Jansen 2008, p. 6.
De Greve 2006, p. 183.
In het arrest Bijl/Van Baalen c.s.1 gaf de Hoge Raad invulling aan de toepassing van ‘summiere ondeugdelijkheid’ in de situatie van een afwijzend bodemvonnis, waartegen hoger beroep werd ingesteld, en oordeelde dat dit enkele feit nog niet noopt tot opheffing van het beslag.
Het ging hierbij om een geschil tussen grondeigenaar Bijl, eiser in cassatie, zijnde buurman van grondeigenaar/projectontwikkelaar Van Baalen c.s., verweerder in cassatie, met een voornemen landhuizen met botenhuis te bouwen. Bij schikking, die werd vastgelegd in een door de rechtbank opgestelde vaststellingsovereenkomst, deed Bijl afstand van zijn erfdienstbaarheid van uitzicht en zegde toe zijn bezwaren tegen de verlening van bouwvergunningen voor de landhuizen met botenhuis in te trekken. Bijl maakte vervolgens toch (bestuursrechtelijk) bezwaar tegen het verlenen van een vergunning voor de bouw van de landhuizen met botenhuis, welk bezwaar door de gemeente ongegrond werd verklaard, waartegen door Bijl vervolgens beroep werd ingesteld. Van Baalen c.s. vorderden in kort geding dat Bijl zijn bezwaren tegen de bouwvergunning zou intrekken. Deze vordering werd in eerste instantie afgewezen, maar in hoger beroep door het gerechtshof toegewezen. Van Baalen c.s. hebben vervolgens verlof gevraagd en verkregen voor het leggen van conservatoir derdenbeslag ter verzekering van een schadevordering, ontstaan door niet handelen conform de vaststellingsovereenkomst aan de zijde van Bijl. De vordering waarvoor beslag werd gelegd, werd in eerste aanleg afgewezen. Van Baalen c.s. hebben tegen deze beslissing hoger beroep ingesteld.
In een opheffingskortgeding vorderde Bijl vervolgens opheffing van het door Van Baalen c.s. gelegde conservatoire (derden)beslag, waarbij Bijl zich beriep op de summiere ondeugdelijkheid van het door Van Baalen c.s. ingeroepen recht, gegrond op het afwijzende vonnis in de bodemzaak. De voorzieningenrechter weigerde opheffing van het beslag, hetgeen door het gerechtshof in hoger beroep werd bekrachtigd. Van deze uitspraak heeft Bijl beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad overwoog als volgt (rov. 3.6):
(…) ‘dat een vordering tot opheffing van een conservatoir beslag op de grond dat de vordering tot verzekering waarvan dat beslag is gelegd, door de bodemrechter in eerste aanleg is afgewezen, in het geval tegen dat vonnis hoger beroep is ingesteld, niet zonder meer moet worden toegewezen, ook niet onder het voorbehoud van kennelijke misslagen in de uitspraak van de bodemrechter. Ook in een zodanig geval dienen de wederzijdse belangen van partijen te worden afgewogen. De omstandigheid dat de bodemrechter in eerste aanleg in de hoofdzaak reeds uitspraak heeft gedaan, dient daarbij wel te worden meegewogen. Van de voorzieningenrechter kan overigens niet worden gevergd dat hij in zijn vonnis mede een voorlopige beoordeling geeft van de kans van slagen van het door de beslaglegger tegen het vonnis in eerste aanleg ingestelde hoger beroep.’ (curs.: MM).
Geen afstemming op (eerder) oordeel van de bodemrechter
De Hoge Raad week hiermee af van de eerder geformuleerde ‘algemene regel’ dat een kort geding vonnis in beginsel dient te worden afgestemd op het (eerdere) oordeel van de bodemrechter (Staat/Varkenshouders).2 In rov. 3.2 van dit arrest oordeelde de Hoge Raad als volgt:
‘Indien zoals in dit geval de president in kort geding moet beslissen op een vordering tot het geven van een voorlopige voorziening nadat de bodemrechter reeds een vonnis in de hoofdzaak heeft gewezen, dient de president in beginsel zijn vonnis af te stemmen op het oordeel van de bodemrechter, ongeacht of dit oordeel is gegeven in een tussenvonnis of in een eindvonnis, in de overwegingen of in het dictum van het vonnis, en ongeacht of het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan. Onder omstandigheden kan er plaats zijn voor het aanvaarden van een uitzondering op dit beginsel, hetgeen het geval zal kunnen zijn indien het vonnis van de bodemrechter klaarblijkelijk op een misslag berust en de zaak dermate spoedeisend is dat de beslissing op een tegen dat vonnis aangewend rechtsmiddel niet kan worden afgewacht.’ (Curs: MM).
In Bijl/Van Baalen c.s. komt de Hoge Raad tot de vuistregel dat een afwijzende uitspraak van een rechter in eerste instantie met betrekking tot de hoofdzaak, niet zonder meer hoeft te leiden tot opheffing van een beslag. Het arrest kan enerzijds worden gezien als niet verdergaand dan in lijn met de hiervoor besproken niet rigide imperatieve toepassing van opheffingsgronden (en handhavingsgronden) door de Hoge Raad, waarbij de voorzieningenrechter, ook indien sprake is van een grond zoals bedoeld in artikel 705 lid 2 Rv dan wel een andere grond (welke dan valt onder de categorie niet limitatief), wordt geacht ook steeds een belangenafweging te maken.
Anderzijds kan men zich de vraag de stellen of de Hoge Raad hier wellicht bedoeld heeft te zeggen dat een afwijzing van de vordering door de bodemrechter niet leidt tot summiere ondeugdelijkheid van die vordering in de zin van artikel 705 lid 2 Rv. Alhoewel niet expliciet zo geformuleerd, duidt het feit dat de afwijzing van de vordering volgens de Hoge Raad wel in de belangenafweging dient te worden meegenomen op een dergelijke bedoeling:
‘De omstandigheid dat de bodemrechter in eerste aanleg in de hoofdzaak reeds uitspraak heeft gedaan dient daarbij wél te worden meegewogen’.3
Zou sprake zijn van een summierlijk ondeugdelijke vordering op grond van de afwijzing in eerste instantie, dan lijkt het niet logisch om in de belangenafweging andermaal rekening te houden met diezelfde afwijzing. Dan is er nog het accent dat op het woordje wel staat. Duidt dit erop dat de afwijzing van de vordering, anders dan tijdens de belangenafweging, dan (helemaal) niet in de besluitvorming omtrent de summiere ondeugdelijkheid zou moeten worden meegewogen? Een dergelijke benadering is naar mijn oordeel onjuist. Een uitspraak door de bodemrechter heeft betrekking op de summiere ondeugdelijkheid van de vordering die aan het beslag ten grondslag is gelegd, en dient dan ook in dat kader mee te wegen bij de primaire beoordeling in een opheffingskortgeding.
Het argument van de wetsgeschiedenis
De gedachtegang van de Hoge Raad in het onderhavige arrest wordt naar mijn idee aanzienlijk minder sterk waar de laatste alinea van rov. 3.5 van het arrest aan de redengeving wordt toegevoegd. Hierin wordt met name verwezen naar de opvatting van de wetgever, dat ook voor een vooralsnog onbewezen vordering beslag kan worden gelegd, hetgeen niet zou stroken met de door Bijl aangevoerde stelling dat in de onderhavige situatie opheffing van het beslag dient plaats te vinden. Wordt een uitspraak van de bodemrechter, resultante van een procedure op tegenspraak, waarin beide partijen bewijs hebben kunnen leveren, hier feitelijk gekwalificeerd als van een mindere orde? Ik meen dat het niet steekhoudend is om in deze omstandigheden de hiervoor vermelde opvatting van de wetgever als argument aan te voeren. In dit stadium is namelijk geen sprake meer van een vooralsnog onbewezen vordering, integendeel, er is sprake van een afgewezen vordering. Bovendien dient, zoals eerder werd betoogd, de situatie waarin een vordering onaannemelijk is en een belangenafweging kan leiden tot handhaving van het beslag, te worden gezien als een uiterste op een spectrum.4 Het is daarom onjuist om deze situatie te verheffen tot een algemeen geldend uitgangspunt, zoals hier gebeurt.
Snijders merkt in verband met het voorgaande, in zijn (kritische) noot onder Bijl/Van Baalen c.s., naar ik meen terecht, op dat dit argument langs de zaak heen gaat. Het gaat er hier niet om waarvoor een beslag kan worden gelegd (de door de Hoge Raad genoemde vooralsnog onbewezen vordering), maar op welke grond het conservatoir beslag weer kan worden opgeheven.5 Jansen stelt in dit verband, naar ik meen ook terecht, dat het feit dat voor een onbewezen vordering beslag kan worden gelegd, nog niet betekent dat dit beslag niet dient te worden opgeheven indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van de hoofdvordering is gebleken.6
Het argument van het systeem en de tekst van de wet
Ter motivering van zijn uitspraak in het arrest Bijl/Van Baalen c.s. refereert de Hoge Raad aan het systeem en de tekst der wet, ter adstructie van de bijzondere positie van het opheffingskortgeding, ten opzichte van de eerder door de Hoge Raad geformuleerde vuistregel dat een kort geding vonnis in beginsel dient te worden afgestemd op het (eerdere) oordeel van de bodemrechter:
(…) ‘Artikel 705 Rv dient immers te worden uitgelegd in samenhang met artikel 704 lid 2 Rv, waarin is bepaald dat een conservatoir beslag van rechtswege vervalt indien de eis in de hoofdzaak wordt afgewezen en deze afwijzing in kracht van gewijsde is gegaan. Deze laatstgenoemde bepaling, die beoogt te voorkomen dat een conservatoir beslag blijft liggen als het zijn zin heeft verloren, is minder goed te verenigingen met de door het onderdeel bepleite uitleg van artikel 705 Rv.’ (…)
In de doctrine is vrij algemeen afwijzend gereageerd op deze redenering.7 Ik sluit mij hierbij aan. Artikel 705 lid 2 is immers bedoeld voor een geheel andere situatie dan die bedoeld in artikel 704 lid 2 Rv. Laatstgenoemd artikel ziet op de situatie van verval van het beslag van rechtswege, en moet worden gezien als een beschermingsmaatregel ten behoeve van de beslagene (zo je wilt: een open-eindjes-regeling) die is bedoeld om een beslag niet onnodig te laten voortduren indien hiervoor immers geen reden meer is, wanneer de hoofdvordering is afgewezen en deze uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan. Op deze wijze behoeft de beslagene niet nog eens een procedure te starten indien de gronden aan het beslag zijn ontvallen.8
De situatie van een opheffingskortgeding is naar mijn mening geheel anders van aard: er is geen sprake van het afhechten van ‘open eindjes’, maar van een beoordeling door een voorzieningenrechter van de vordering die aan het beslag ten grondslag is gelegd op basis van de dan bekende informatie die door partijen naar voren kan worden gebracht. De onderlinge samenhang tussen de artikelen 705 lid 2 Rv en 704 lid 2 Rv lijkt mij eerder hierin gelegen dat geen beroep op artikel 705 lid 2 Rv behoeft te worden gedaan indien sprake is van een vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan. Een andere uitleg leidt tot een beoordeling van de summiere ondeugdelijkheid van een vordering in een opheffingskortgeding zonder inhoud.
Snijders merkt op dat dit stelsel (van de wet) geen specifieke oplossing biedt voor de onderhavige casus: niet duidelijk is, aldus deze auteur, waarom de afstemmingsregel van het arrest Staat/Varkenshouders wel zou stroken met het stelsel voor de kort geding voorzieningen algemeen maar niet in het stelsel voor de kort geding voorzieningen tot opheffing van een conservatoir beslag in het bijzonder.9 Ook Jansen wijst erop dat de wetsgeschiedenis de mogelijkheid dat reeds vonnis is gewezen in de hoofdzaak, onbesproken laat10, en is, evenals De Greve, niet overtuigd door de verwijzingen naar de wetsgeschiedenis door de Hoge Raad.11