Het juridische begrip van godsdienst
Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/21.5:21.5 Conclusie
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/21.5
21.5 Conclusie
Documentgegevens:
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS454038:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Alles bij elkaar genomen adviseer ik om een benadering die geassocieerd kan worden met het ideaaltype van het liberaal gezindtepluralisme (incluis de objectiverende benadering) op alle gebieden van het recht los te laten en over te schakelen op een combinatie van een accommodationistische en communautaristische benadering. De vraag wat godsdienst(ig) is, komt dan in sterke mate buiten de sfeer van de Staat en de samenleving als geheel (algemeen aanvaarde maatschappelijke opvattingen) te liggen. In plaats daarvan is het primair het rechtssubject dat het recht op zelfdefinitie toekomt, tenzij het een dispuut betreft tussen een religieuze gemeenschap en een vrijwillig lidmaat van een religieuze gemeenschap. In dat geval dient de zelfdefinitie van het collectief te prevaleren. Anders wordt het vormen van religieuze gemeenschappen onmogelijk.
Om te voorkomen dat een gesubjectiveerd godsdienstbegrip problemen oplevert, stel ik drie oplossingen voor. Ten eerste een minimale objectivering van het juridische godsdienstbegrip waardoor de godsdienstvrijheid hanteerbaar blijft. De minimale objectivering bestaat eruit dat een godsdienstige of levensbeschouwelijke opvatting een bepaalde mate moet hebben van begrijpelijkheid, samenhang, belangrijkheid en serieusheid. Het aspect samenhang ziet op fundamentele levensvragen die geëxpliciteerd dienen te worden als vragen over de oorsprong, zin en doel van het bestaan. Opvattingen die geen betrekking hebben op dergelijke vragen zouden buiten het juridische begrip van godsdienst of levensovertuiging moeten vallen. Ten tweede een strikte toets van de oprechtheid van het rechtssubject. Deze toets moet niet theologisch van aard zijn maar daarentegen gericht zijn op 1) de feiten van de context waarbinnen de godsdienst wordt geoefend, 2) de conformiteit (consistentie) van het gedrag van het rechtssubject met zijn opvattingen. Ten derde het opnemen van een zelfde soort beperkingsclausule als artikel 9 EVRM heeft bij elk recht met een religieus object. Met een dergelijke beperkingsclausule heeft een kwalificatie als godsdienst(ig) niet gelijk juridische (onwenselijk geachte) consequenties. Bestuur en rechter hebben dan immers de mogelijkheid om die consequenties af te wegen tegen andere belangen zoals openbare orde, veiligheid, gezondheid en de rechten van anderen. Op deze manier kan worden voorkomen dat aanhangers van ongewenste godsdiensten een succesvol beroep doen op een recht met een religieus recht. Ook kan een beperkingsclausule in het geval dat er twijfel is over de oprechtheid van een religieuze claim, een oplossing zijn omdat de rechter dan het rechtssubject het voordeel van de twijfel kan geven en zijn opvattingen als religieus kan kwalificeren omdat hij altijd nog de mogelijkheid heeft om het gevolg van deze kwalificatie te matigen door het toepassen van de beperkingsclausule. Uiteraard moeten er dan wel daadwerkelijk zwaarwegende belangen zijn. De godsdienstvrijheid mag niet worden uitgehold vanwege het hanteren van een beperkingsclausule.
Mijn voorstel zorgt ervoor dat de zelfdefinitie van het rechtssubject in het recht een grotere rol toekomt en het leerstuk van interpretatieve terughoudendheid wordt geëerbiedigd. Daarnaast voorkomt het ongelijke behandeling van aanhangers van godsdiensten.