Administratieplicht en aansprakelijkheid voor het boedeltekort
Einde inhoudsopgave
Administratieplicht en aansprakelijkheid voor het boedeltekort (O&R nr. 115) 2019/4.3:4.3 Conclusie ten aanzien van nevenschikking of lex specialis
Administratieplicht en aansprakelijkheid voor het boedeltekort (O&R nr. 115) 2019/4.3
4.3 Conclusie ten aanzien van nevenschikking of lex specialis
Documentgegevens:
mr. drs. C.M. Harmsen, datum 01-07-2019
- Datum
01-07-2019
- Auteur
mr. drs. C.M. Harmsen
- JCDI
JCDI:ADS180236:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Op de consequenties van de gelijktijdige toepasselijkheid van de artikelen 3:15i BW en 2:10 BW ga ik in paragraaf 5.2 tot en met 5.4 nader in.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het is gevaarlijk om uitsluitend uit de beperkt beschikbare passages in de parlementaire geschiedenis af te leiden wat de bedoeling van de wetgever was ten aanzien van de verhouding tussen artikel 2:10 BW en 3:15i BW. Wel duidelijk is dat nergens uit de parlementaire geschiedenis bij de totstandkoming van artikel 2:10 BW en artikel 3:15i BW (en hun voorgangers) volgt dat artikel 2:10 BW beoogd was als een lex specialis ten opzichte van artikel 3:15i BW te laten gelden. Dat zou dan betekenen dat de wetgever beide artikelen – bewust of onbewust – nevengeschikt heeft bedoeld te zijn.
Uit de relevante literatuur volgt dat er twee richtingen lijken te zijn ten aanzien van de verhouding tussen artikel 2:10 BW en artikel 3:15i BW. De eerste richting is dat artikel 2:10 BW geldt voor rechtspersonen naar Nederlands recht en dat artikel 3:15i BW geldt voor een ieder die een bedrijf of zelfstandig een beroep uitoefent, met uitzondering van rechtspersonen waarop artikel 2:10 BW van toepassing is. Zij die de tweede richting voor juist achten zijn van mening dat artikel 3:15i BW van toepassing is op een ieder die een bedrijf of zelfstandig een beroep uitoefent, waaronder privaatrechtelijke rechtspersonen naar Nederlands recht, en dat daarnaast artikel 2:10 BW van toepassing is op privaatrech telijke rechtspersonen naar Nederlands recht die vallen onder het bereik van artikel 2:10 BW. In de interne verhouding binnen de privaatrechtelijke rechtspersoon naar Nederlandse recht rust de administratieplicht op het bestuur, hetgeen in artikel 2:10 BW tot uitdrukking is gebracht.
Naar mijn mening moet de tweede richting voor juist worden gehouden, zij het dat overtuigend positief bewijs daarvoor moeilijk te vinden is. Voor mij geeft de doorslag dat bij de inwerkingtreding van artikel 2:14 (oud) BW in 1976 in de parlementaire geschiedenis geen aanknopingspunt te vinden is dat het de bedoeling was van de wetgever om artikel 2:14 (oud) BW als een lex specialis te laten gelden ten opzichte van artikel 6 WvK. Dit is bij latere wetswijzigingen ook niet meer aan de orde geweest en daaruit leid ik af dat de visie op de verhouding tussen het huidige artikel 2:10 BW en artikel 3:15i BW van de wetgever niet gewijzigd is. Wanneer de wetgever op enig moment duidelijkheid had willen scheppen, in de zin dat expliciet duidelijk moest worden dat de artikelen 3:15i en 2:10 BW niet nevengeschikt zijn zoals uit de tekst volgt maar in een verhouding staan van lex generalis en lex specialis, dan had dat op verschillende momenten na 1976 kunnen gebeuren. Zonder dat ligt de juistheid van de nevengeschiktheid van beide artikelen (meer) voor de hand als de juiste verhouding dan die van lex generalis/lex specialis.1
Mijn conclusie dat sprake is van nevengeschiktheid van de artikelen 3:15i BW en 2:10 BW betekent ook dat ik aan de toevoeging “het bestuur” in artikel 2:10 BW geen zelfstandige betekenis toe ken. De normplichtige van artikel 2:10 BW is de rechtspersoon en in de interne verhoudingen binnen de rechtspersoon rust de administratieplicht op het bestuur. Dat zou ook zo zijn geweest, wanneer de woorden “het bestuur” in artikel 2: 10 BW zouden ontbreken.