Einde inhoudsopgave
Overheidsaansprakelijkheid voor het verstrekken van onjuiste informatie (SteR nr. 45) 2019/3.4.5.2
3.4.5.2 De exoot – het arrest Blaricum/Roozen
S.A.L. van de Sande, datum 01-02-2019
- Datum
01-02-2019
- Auteur
S.A.L. van de Sande
- JCDI
JCDI:ADS504901:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
HR 30 januari 1987, NJ 1988/89 m.nt. M. Scheltema (Blaricum/Roozen). Vergelijkbaar zijn Hof ‘s-Hertogenbosch 19 juni 2012, ECLI:NL:GHSHE:2012:BW8960, r.o. 4.3.4.1 (Woningbouw Tilburg) en Rb. Arnhem 2 december 2009, NJF 2010/118, r.o. 4.5 (Ede/ Budding), waarmee Hof Arnhem 31 mei 2011, ECLI:NL:GHARN:2011:BQ7283, r.o. 5.20 (Ede/Budding) zich in hoger beroep verenigde. Vgl. nog HR 30 januari 1987, NJ 1988/90 m.nt. M. Scheltema, AB 1988/43 m.nt. P.J.J. van Buuren (Nibourg/Zuidwolde).
Schueler 2005, p. 147, schrijft dat de onrechtmatigheid van de voorafgaande mededeling overeenkwam met die van het vernietigde besluit.
HR 9 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT7774, NJ 2006/93 m.nt. M.R. Mok, AB 2006/ 286 m.nt. F.J. van Ommeren, JB 2005/275 m.nt. R.J.N. Schlössels (Kuijpers/Valkenswaard). Zie hierover paragraaf 3.4.3.4.
Afwijkend van het hiervoor geschetste beoordelingsstramien is het arrest Blaricum/Roozen (zie hierover ook paragraaf 5.3).1 In dit arrest leidde de Hoge Raad uit de vernietiging van een besluit door de bestuursrechter af dat inlichtingen met een gelijke strekking als onrechtmatig dienen te worden aangemerkt. Het college van burgemeester en wethouders van Blaricum had aan het makelaarskantoor dat voor Roozen optrad – in zeer stellige bewoordingen – informatie verstrekt omtrent de toelaatbaarheid van een bouwplan op het terrein van Roozen op grond van het bestemmingsplan. Deze informatie moest volgens de Hoge Raad worden aangemerkt als een op rechtsgevolg gerichte mededeling dat geen bouwvergunning zou worden verleend, althans kwam daar de facto op neer. Hierbij betrok de Hoge Raad dat – volgens het oordeel van het hof – geen wezenlijk verschil bestond met een op rechtsgevolg gerichte mededeling, nu de informatie ertoe had geleid dat de mogelijkheden voor Roozen tot verkoop van zijn terrein als bouwterrein waren geblokkeerd. Onder deze omstandigheden was de Hoge Raad van oordeel dat het verstrekken van informatie een beschikking waarbij een bouwvergunning wordt geweigerd zozeer nabijkomt, ‘dat het voor de beoordeling van de onrechtmatigheid en de schuld daarmede moet worden gelijkgesteld’. Uit de vernietiging van een nadien genomen besluit tot weigering van een bouwvergunning door de Afdeling rechtspraak volgde dat de weigering strijdig was met een wettelijk voorschrift. Hieruit leidt de Hoge Raad af dat ook de informatie berustte op een onjuiste uitleg van dit voorschrift. Dat brengt volgens de Hoge Raad mee dat door die weigering én door het verstrekken van de informatie onrechtmatig is gehandeld.
In het arrest Blaricum/Roozen wordt dus uit de uitspraak van de bestuursrechter afgeleid dat de verstrekte informatie berustte op een onjuiste uitleg van een wettelijk voorschrift, hoewel de bestuursrechter zich over die informatie niet had uitgesproken. Aan zijn oordeel was immers slechts het besluit tot weigering van de bouwvergunning onderworpen. Zijn oordeel hieromtrent wordt door de Hoge Raad doorgetrokken naar het verstrekken van informatie op de grond dat de informatieverstrekking ‘onder deze omstandigheden’ een beschikking waarbij een bouwvergunning wordt geweigerd zozeer nabij komt.2 Door deze motivering is het van belang om te bezien welke omstandigheden de Hoge Raad bedoelt. De Hoge Raad noemt dat de informatie is gegeven ‘door B&W zelf, die ook bevoegd waren de beslissing omtrent de aanvraag van een bouwvergunning te nemen’, en dat de informatie is verschaft ‘in zeer stellige bewoordingen’. Hierin ligt volgens de Hoge Raad besloten dat de informatie, ‘zo zij al niet moet worden aangemerkt als een op rechtsgevolg gerichte mededeling, (…) in ieder geval de facto neerkwam op een dergelijke mededeling’. Daarbij betrekt hij dat (volgens het hof) in elk geval wat betreft de feitelijke gevolgen daarvan geen wezenlijk verschil bestond met een mededeling die op rechtsgevolg was gericht, nu de informatie ertoe heeft geleid dat de mogelijkheden van Roozen tot verkoop van zijn terrein als bouwterrein zijn geblokkeerd. In de omstandigheid dat burgemeester en wethouders in zeer stellige bewoordingen een mededeling hadden gedaan, ligt volgens de Hoge Raad dus besloten dat deze mededeling – al dan niet de facto – moet worden aangemerkt als een op rechtsgevolg gerichte mededeling.
Deze laatste overweging is merkwaardig. Er was namelijk ten tijde van het doen van de mededeling geen sprake van een aanvraag om bouwvergunning. Het doen van de mededeling dat geen medewerking kan worden verleend aan enig bouwplan, was dan ook (de jure) niet gericht op rechtsgevolg. De Hoge Raad kent echter betekenis toe aan de omstandigheid dat de feitelijke gevolgen van de mededeling dezelfde waren als de gevolgen die een daadwerkelijke beschikking had gehad (de facto). Hij verwijst immers naar het oordeel van het hof dat inhield dat de verkoop van het terrein door de mededeling werd geblokkeerd. Hiermee kan een drietal omstandigheden worden geïdentificeerd waarop de Hoge Raad het oordeel grondt dat de mededeling een beschikking zozeer nabijkomt. Het betreft de hoedanigheid van degene die de mededeling doet (B&W), de wijze waarop deze wordt gedaan (in zeer stellige bewoordingen) en de gevolgen van die mededeling (dit laatste is een kwestie van causaal verband). Het oordeel van de Hoge Raad lijkt daarmee niet zozeer te ingegeven door de juridische kwalificatie van de mededeling, maar veeleer door de gelijkenis van de mededeling met een beschikking, zowel naar vorm als naar gevolgen. De mededeling kwam een beschikking naar aard en strekking ‘zozeer nabij’. De gelijkenis tussen deze ‘zozeer nabij-formule’ en de bewoordingen die werden gebruikt in het hiervoor besproken arrest Kuijpers/Valkenswaard is overigens treffend.3 In het laatste arrest oordeelde de Hoge Raad dat inlichtingen die ‘zozeer samenhangen’ met een beoogd besluit, dat zij ten opzichte daarvan een onzelfstandig karakter dragen, in beginsel worden gedekt door de formele rechtskracht van dat besluit. De inlichtingen worden dan voor de toepassing van de formele rechtskracht op één lijn gesteld met het besluit. Zo bezien, deed zich in Blaricum/Roozen de omgekeerde situatie voor. De mededeling aan Roozen werd juist onrechtmatig bevonden omdat het besluit ook als zodanig moest worden aangemerkt.