Einde inhoudsopgave
Vormfouten (SteR nr. 19) 2014/3.3.3
3.3.3 Veranderingen in criminaliteit en opsporingsprioriteit
Reindert Kuiper, datum 30-04-2014
- Datum
30-04-2014
- Auteur
Reindert Kuiper
- JCDI
JCDI:ADS613037:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Knigge & Kwakman 2001, p. 125: ‘Veranderingen in het criminaliteitspatroon hebben de behoefte aan ingrijpende opsporingsmethoden doen toenemen en de moderne technologie heeft de mogelijkheden daartoe sterk vergroot. De vraag naar de toelaatbaarheid van de gehanteerde methoden is daardoor steeds klemmender geworden’.
Zie daarover bijv. HR 20 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ2475.
Zo wijst Buruma 2005, p. 78 erop dat de wetgever lange tijd geen aandacht heeft besteed aan de gang van zaken voorafgaand aan de identificatie van de verdachte. De IRT-affaire en het daarop gevolgde onderzoek van de Commissie Van Traa maakten duidelijk dat ook deze fase van het voorbereidend onderzoek nadere regulering behoefde.
Bij veranderingen in criminaliteit moet niet alleen worden gedacht aan de gebruikte technieken, maar ook aan wijzigingen in de intensiteit en de aard van de bedreigingen waaraan een samenleving wordt blootgesteld. Denk bijvoorbeeld aan de in de jaren ‘80 sterk ontwikkelde drugscriminaliteit en de kort na de eeuwwisseling toegenomen terrorismedreiging. Prioriteiten in de opsporing en vervolging van verschillende soorten strafbare feiten kunnen verschuiven en bereidheid om op grondrechten inbreuk makende opsporingsmethoden aan te wenden, kan mede onder invloed daarvan veranderen.1 Dit kan bijvoorbeeld leiden tot een toename van de inzet van undercover- agenten, of van bepaalde vormen van observatie. Een treffend voorbeeld biedt de zojuist besproken IRT-affaire, maar ook kan worden gedacht aan de invoering van de mogelijkheid van het zogenaamde preventief fouilleren.2
Enerzijds kunnen dergelijke ontwikkelingen vragen om duidelijker regulering,3 een scherpere controle en een precieze grensafbakening door de strafrechter, alsmede om toepassing van ingrijpende reacties bij overschrijding van de gestelde grenzen. Anderzijds kan oog voor de noden van de opsporingspraktijk aanleiding geven tot een ruimere interpretatie van de regels die het desbetreffende opsporingshandelen normeren.
Kortom, zowel de inhoud van de taak van de zittingsrechter op het gebied van het controleren en reageren op vormfouten en de wijze waarop de zittingsrechter invulling geeft aan die taak zijn aan verandering onderhevig. Een constante is de eindverantwoordelijkheid die de zittingsrechter heeft om het recht van de verdachte op een eerlijk proces te verzekeren, maar ook wat daarvoor nodig is verandert met de tijd. Nog meer variabel is de taak die de zittingsrechter heeft wat betreft het bevorderen van normconform opsporingsoptreden en wat betreft het bieden van compensatie voor inbreuken op andere rechten dan het recht op een eerlijk proces. Op die gebieden is voor evenredigheid tussen vormfouten en de daaraan in de rechtspraak verbonden rechtsgevolgen belangrijk om een goed overzicht te hebben van de verantwoordelijkheden die anderen dan de zittingsrechter hebben en om te weten of zij zich adequaat van die verantwoordelijkheden kwijten. Dat vergt onderzoek dat het bestek van dit boek te buiten gaat.