Nemo tenetur in belastingzaken
Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/20.5:20.5 Grondslagen van het recht tegen gedwongen zelfbelasting
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/20.5
20.5 Grondslagen van het recht tegen gedwongen zelfbelasting
Documentgegevens:
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS497192:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De onduidelijkheden in de Straatsburgse nemo tenetur-problematiek zijn vaak te herleiden tot onduidelijkheden over de normatieve grondslagen ofwel ratio’s van het recht tegen gedwongen zelfbelasting. In hoofdstuk 5 heb ik deze grondslagen en hun onderlinge verhouding onderzocht. De vraag naar de grondslagen en hun onderlinge verhouding is ingewikkeld en controversieel. Hieraan draagt mijns inziens in belangrijke mate bij dat het EHRM het recht tegen gedwongen zelfbelasting in zijn rechtspraak heeft ‘ingepast’ in het meeromvattende recht op een behoorlijk strafproces in art. 6 EVRM. Het zwijgrecht en het niet-meewerkrecht moeten bijdragen aan de verwezenlijking van een behoorlijk, integer strafproces in de verdragsstaten.
Inmiddels heeft het Hof twee grondslagen uitdrukkelijk erkend. De betrouwbaarheid van het bewijs is de meest concrete en aansprekende grondslag. Het vrijwaren van de verdachte tegen ontoelaatbare dwang door de autoriteiten draagt bij aan het voorkomen van justitiële dwalingen. Deze ratio stelt de waarheidsvinding voorop. De betrouwbaarheid als grondslag strekt zich in ieder geval uit tot verklaringen die van de verdachte worden afgedwongen en mogelijk ook tot (fysiek) materiaal dat naar aanleiding van een vordering tot afgifte van de autoriteiten tot stand komt. Deze grondslag strekt zich in beginsel niet uit tot (fysiek) materiaal dat in werkelijkheid al bestaat op het moment dat het van de verdachte wordt gevorderd;ook wanneer dat uitsluitend met behulp van de verdachte kan worden verkregen en/of de autoriteiten niet zeker zijn van het bestaan ervan.
De gedwongen afgifte van bestaand bewijs(materiaal) valt wel binnen de tweede en laatste door het Hof erkende grondslag van het recht tegen gedwongen zelfbelasting, te weten het respecteren van de menselijke waardigheid en autonomie van de verdachte. Deze grondslag kent zelfstandige betekenis toe aan de invloed die de (gedwongen) verkrijging van verklaringen en materiaal heeft op de integriteit van het onderzoek. De verdachte is geen voorwerp van onderzoek, maar procespartij met (verdediging)rechten die hij effectief moet kunnen uitoefenen. Wilsafhankelijkheid van het bewijsmateriaal als (beslissend) criterium voor het toepassingsbereik van het recht tegen gedwongen zelfbelasting, is moeilijk in deze laatste grondslag in te passen. Ook wilsonafhankelijk materiaal kan op een niet-integere wijze van de verdachte worden verkregen.
Meer in het algemeen lijkt het onderscheid tussen de al dan niet wilsafhankelijkheid van het bewijs (verklaringen, materiaal), sinds het arrest Saunders aan belang in te boeten. Arresten nadien, zoals Jalloh, zijn aanleiding te vermoeden dat de gelding van het recht tegen gedwongen zelfbelasting, naast de wils(on)afhankelijkeaard van het materiaal, ook steunt op de verkrijgingswijze daarvan of meer precies de op de verdachte uitgeoefende dwang om zichzelf te belasten. De wilsproblematiek is mede of misschien wel vooraldwangproblematiek. De wilsproblematiek speelt in ieder geval niet wanneer de verdachte zonder dwang – spontaan – verklaart. Dan heeft het recht tegen gedwongen zelfbelasting geen gelding.
De bezwaren die het Hof heeft tegen een (verkapt) verhoor zonder verdedigingswaarborgen, duiden erop dat de door hem erkende grondslagen van het recht tegen gedwongen zelfbelasting uiteindelijk ertoe strekken de integriteit van het strafproces te waarborgen, door hem te vrijwaren van dwang tot zelfbelasting. De keuzevrijheid van de verdachte om zichzelf al dan niet te belasten, moet waarborgen dat het bewijs betrouwbaar is en hij zijn eigen procespositie kan bepalen.
De dynamische verdragsinterpretatie draagt eraan bij dat het Hof in toekomstige gevallen waarin het moet oordelen over een klacht over schending van het recht tegen gedwongen zelfbelasting, de grondslagen mogelijk zal verbreden of althans (verder) zal verfijnen.