Einde inhoudsopgave
De niet-uitvoerende bestuurder in een one tier board (VDHI nr. 168) 2020/V.7.5
V.7.5 Uitzondering: beslissingen in de dagelijkse bedrijfsvoering
mr. N. Kreileman, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. N. Kreileman
- JCDI
JCDI:ADS242860:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Deze definitie van het besluitbegrip wordt eveneens gehanteerd door Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/292; Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/211; Assink|Slagter 2013 (Deel 1), § 17.2, p. 304; Huizink, GS Rechtspersonen, art. 2:14 BW, aant. 5.1; en Van Schilfgaarde/Winter, Wezeman & Schoonbrood 2017, p. 336.
Evenzo onder anderen Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/292; Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/211; Assink|Slagter 2013 (Deel 1), § 17.2, p. 304; Dumoulin, Ondernemingsrecht 2012/90; Huizink, GS Rechtspersonen, art. 2:14 BW, aant. 5.2; en Kersten 2018, p. 33. Anders: Van Vught 2020, p. 22-34. Hij betoogt dat ook voorbereidende, negatieve en interne beslissingen rechtsgevolg hebben en derhalve als ‘besluit’ in de zin van Boek 2 BW kwalificeren.
Ik ontleen dit voorbeeld aan Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/211.
Om die reden is de algemeen gedeelde opvatting in de literatuur dat beslissingen niet onder de reikwijdte van art. 2:14-16 BW vallen. Zie in deze zin onder anderen Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/292; Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/211; Assink|Slagter 2013 (Deel 1), §17.2, p. 304; Handboek 2013/233, p. 487; Huizink, GS Rechtspersonen, art. 2:14 BW, aant. 5.2; en Van Schilfgaarde/Winter, Wezeman & Schoonbrood 2017, p. 336. Anders: Verdam, Ondernemingsrecht 2013/120; en Van Vught 2020, p. 31 en 34. Van Vught bepleit dat ook voorbereidende, negatieve en interne beslissingen wilsuitingen zijn van de rechtspersoon en derhalve als diens besluiten gelden. Verdam meent dat een positief besluit van een meerhoofdig orgaan steeds een beoogd (intern) rechtsgevolg heeft en daarmee als rechtshandeling geldt die toetsbaar is aan art. 2:14-16 BW.
Aldus ook onder anderen Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/185; Dumoulin, Ondernemingsrecht 2012/90; De Groot, O&F 2013, afl. 1, p. 12; Handboek 2013/233, p. 487; en Schild & Timmerman, WPNR 2014/7011, p. 272.
Zie Kamerstukken I 2010/11, 31 763, C, p. 23-25 (MvA).
Kamerstukken I 2010/11, 31 763, C, p. 25 (MvA). Het voorbeeld dat de minister vervolgens geeft, is niet bepaald gelukkig. “Denkbaar [is, NK] dat een onderneming periodiek – en daarmee relatief standaard – investeert in nieuwe ondersteunende apparatuur. De investeringsbeslissing vergt een bestuursbesluit. Voor dergelijke gevallen maakt art. 2:129a lid 3 BW het mogelijk om bij of krachtens de statuten te bepalen dat een bestuurder die in het bijzonder de taak heeft om apparatuur tijdig te vervangen, rechtsgeldig kan besluiten over de aanschaf.” Zie Kamerstukken I 2010/11, 31 763, C, p. 23 (MvA). Kroeze wijst er terecht op dat een dergelijke beslissing juist niet als bestuursbesluit in de zin van Boek 2 BW kwalificeert. Van een rechtsgevolg is immers geen sprake, tenzij de beslissing direct externe werking heeft. Zie Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/292.
Ook Dumoulin, Ondernemingsrecht 2012/90; De Groot, O&F 2013, afl. 1, p. 12; en Kersten 2018, p. 33, lijken deze opvatting te zijn toegedaan.
Ten slotte de laatste uitzondering. In § V.7.1 schreef ik dat besluiten als uitgangspunt door het bestuur als collectief worden genomen. Dit wil niet zeggen dat ook beslissingen in de dagelijkse bedrijfsvoering steeds door de gezamenlijke bestuurders moeten worden genomen. Met de term ‘besluiten’ doel ik op besluiten in de zin van Boek 2 BW: rechtshandelingen die een rechtsgevolg voor de vennootschap teweeg brengen.1 Veelal zijn beslissingen van het bestuur geen rechtshandelingen, maar handelingen die rechtsgevolg ontberen.2 Neem bijvoorbeeld de beslissing om een marktonderzoek te laten verrichten.3 Deze beslissing kwalificeert niet als besluit in de zin van Boek 2 BW.4 Aangezien beslissingen buiten de toepassing van de vennootschapsrechtelijke besluitvormingsregels vallen, kunnen zij mijns inziens wél door individuele bestuurders worden genomen.5
De vraag komt op hoe dit alles zich verhoudt tot de regeling van art. 2:129a/239a lid 3 BW. Uit de wetsgeschiedenis doemt het beeld op dat deze regeling enkel in het leven is geroepen opdat een of meer uitvoerende of niet-uitvoerende bestuurders rechtsgeldig bestuursbesluiten kunnen nemen. De minister benadrukte meer dan eens dat niet alle beslissingen van het bestuur als bestuursbesluiten worden aangemerkt.6 “Zou een statutaire grondslag in de zin van art. 2:129a/239a lid 3 BW ontbreken, dan staat dat niet in de weg aan dergelijke beslissingen”, aldus de minister.7 Ik leid hieruit af dat de regeling van art. 2:129a/239a lid 3 BW enkel ziet op bestuursbesluiten in de zin van Boek 2 BW. Beslissingen zonder rechtsgevolg kunnen derhalve zonder meer door individuele bestuurders worden genomen.8