Artikel 6 EVRM en de civiele procedure
Einde inhoudsopgave
Artikel 6 EVRM en de civiele procedure (BPP nr. 10) 2008/3.1.2:3.1.2 Geschiedenis
Artikel 6 EVRM en de civiele procedure (BPP nr. 10) 2008/3.1.2
3.1.2 Geschiedenis
Documentgegevens:
Mr. P. Smits, datum 06-03-2008
- Datum
06-03-2008
- Auteur
Mr. P. Smits
- JCDI
JCDI:ADS301336:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Deze gegevens zijn ontleend aan Asser (1992), p. 9, en Coenraad (2000), p. 19, beiden met verdere literatuurverwijzingen. Men zie ook de conclusie van advocaat-generaal Van Oosten vóór HR 17 november 1967, NJ 1968, 178, en de noot van Veegens daaronder.
Zij het dat de motiveringsplicht toen nog beperkt was tot vonnissen. Zie voor meer historische gegevens VeegensfKorthals Altes/Groen (2005), nr. 117 e.v.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De in de Straatsburgse jurisprudentie ontwikkelde diversiteit van het recht op een eerlijke behandeling heeft tot gevolg dat dit recht niet tot één historische oorsprong te herleiden is.
Het overwegende element, dat van hoor en wederhoor, heeft zonder twijfel zijn wortels het verst terug in de geschiedenis liggen in vergelijking met de andere in art. 6 EVRM neergelegde of daaruit afgeleide waarborgen. Het is ongeveer zo oud als de wereld; diens schepper lijkt het al gehanteerd te hebben direct na de zondeval. Gewoonlijk wordt het beginsel van hoor en wederhoor in verband gebracht met het adagium 'audi et alteram partem' of 'audiatur et altera pars' dat evenwel niet in het Corpus Juris is vermeld; uit (hand)boeken over het Romeinse recht blijkt echter dat de toepassing van hoor en wederhoor niet onbekend was in het Romeinse civiele proces, en ook de Grieken kenden het beginsel reeds.1
De motiveringsplicht, als deelaspect van het recht op een eerlijke behandeling, is daarentegen van jonger datum. Het is een vernieuwing die, net als het openbaarheidsbeginsel, is voortgekomen uit de Franse Revolutie en die in 1815 in onze Grondwet is opgenomen.2