Einde inhoudsopgave
De verbintenisrechtelijke bescherming van de kleine opdrachtnemer (MSR nr. 85) 2023/5.3
5.3 Beantwoording van de centrale onderzoeksvraag
N.M.Q. van der Neut, datum 22-09-2023
- Datum
22-09-2023
- Auteur
N.M.Q. van der Neut
- JCDI
JCDI:ADS855307:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Hierbij doel ik op het leerstuk van schuldeisersverzuim (art. 6:58 BW), het exonereren van de algemeen verbintenisrechtelijke zorgplicht (art. 6:248 lid 1 BW), de opzegtermijn (art. 6:248 lid 1 BW) en het recht op loon na opzegging (art. 7:411 BW). Wel staat uiteraard de mogelijkheid open dat de gemaakte afspraken ten nadele van de opdrachtnemer aan de onderkant kunnen worden vernietigd (art. 6:233 sub a BW), voor zover sprake is van een algemene voorwaarde, of terzijde worden geschoven (art. 6:248 lid 2 BW), zij het dat deze bepalingen terughoudend moeten worden toegepast en zich (daarom) niet lenen voor het bieden van bescherming bij structurele situaties.
Zo kan ervoor worden gekozen afwijkingen ten nadele van de opdrachtnemer alleen te verbieden t.a.v. de WML-opdrachtnemer, de opdrachtnemer met een tarief van onder het maximumdagloon (€ 30 à 35 per uur), de opdrachtnemer die ten minste de helft van zijn totale jaarinkomen via deze opdrachtgever verwerft of de verhouding tussen de ‘grote’ opdrachtgever en de ‘kleine’ opdrachtnemer. Deze ter illustratie genoemde grenzen houden steeds verband met de rechtstoestand van de opdrachtnemer, in het bijzonder de mate waarin hij in de regel invloed kan uitoefenen op de contractsbepalingen en de kwetsbaarheid van zijn belang. Of afwijkingen zijn toegestaan en onder welke omstandigheden, is een vraag van (rechts)politieke aard en vergt nader onderzoek.
Het slotstuk van dit onderzoek vormt de beantwoording van de centrale onderzoeksvraag, die ik als volgt heb geformuleerd:
In hoeverre en op welke gronden kan het verbintenissenrecht binnen de huidige kaders de opdrachtnemer aan de onderkant bescherming bieden ten aanzien van de thema’s loon, aansprakelijkheid en opzegging?
Deze studie toont dat binnen de huidige kaders van het verbintenissenrecht al veel mogelijk is met betrekking tot het bieden van bescherming aan de opdrachtnemer aan de onderkant. Deze opdrachtnemer zit qua beschermingsniveau ten aanzien van de thema’s loon, aansprakelijkheid en opzegging – zowel individueel als in onderling verband bezien – tussen die van de ‘standaard-opdrachtnemer’ en werknemer in, op welk punt mijn hypothese is uitgekomen (zie paragraaf 1.2.2). Het verbintenissenrecht is een dynamisch rechtsgebied en kan rekening houden met de kwetsbare positie die de opdrachtnemer aan de onderkant kan innemen. De elasticiteit van het verbintenissenrecht maakt rechtsontwikkeling van het beschermingsniveau van de opdrachtnemer aan de onderkant veelal mogelijk zonder dat de politiek er meteen aan te pas moet komen. Daardoor kunnen de in de maatschappij levende overtuigingen over de bescherming van de opdrachtnemer aan de onderkant worden ingepast in het verbintenisrechtelijke systeem. Die inpassing leidt tegelijkertijd tot een aanpassing van dit systeem, terwijl het geschreven recht intact blijft.
Of het verbintenissenrecht de opdrachtnemer aan de onderkant structureel beschermt, verschilt per thema en hangt af van de individuele of collectieve kwetsbaarheid op een specifiek terrein. Hierbij staat kwetsbaarheid niet altijd gelijk aan de economische positie van de opdrachtnemer, maar kan dat ook zien op bijvoorbeeld zijn veiligheidsafhankelijke positie of het voorkomen van ongewenste concurrentie op arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden tussen zowel werknemers en opdrachtnemers als opdrachtnemers onderling. Als de opdrachtnemer aan de onderkant niet structureel wordt beschermd, kunnen de open normen van het verbintenissenrecht hem alsnog incidentele bescherming bieden indien hij in het concrete geval toch een beschermenswaardige positie inneemt. Waar het voorgaande toe leidt, is dat er daadwerkelijk aanleiding moet zijn de opdrachtnemer te beschermen. Een ongelijkwaardige verhouding tussen partijen ten nadele van de opdrachtnemer aan de onderkant resulteert dus niet a priori in bescherming. Dat is een belangrijke nuance op mijn hypothese (zie paragraaf 1.2.2), nu ik voorafgaand aan deze studie veronderstelde dat de reden van bescherming gelegen zou zijn in de onderlinge hoedanigheid van partijen, meer specifiek het lage tarief en de doorgaans economische afhankelijkheid van de opdrachtnemer aan de onderkant ten opzichte van de opdrachtgever. Uit mijn onderzoek blijkt echter dat de beschermenswaardige positie per thema kan afwijken en daarom ook per thema moet worden vastgesteld. Daarmee lijkt niet alleen mijn verwachting te zijn uitgekomen dat een thematische aanpak de materie wellicht beter te overzien maakt (zie paragraaf 1.2.2), maar heeft dat ook het inzicht opgeleverd dat de problemen en oplossingen per thema, per gevalstype en per type opdrachtnemer (kunnen) variëren. Om die reden lijkt er veel voor te zeggen de verschillende thema’s op verscheidene wijzen aan te vliegen. Dit inzicht nodigt uit tot een verdere doordenking van de wijze waarop het beschermingsniveau van de opdrachtnemer aan de onderkant kan worden ingevuld. Zo kan bescherming meer worden gediversifieerd en kan per thema een ander instrument worden overwogen. Op die manier kan recht worden gedaan aan de feitelijke rechtsverhouding die schuilgaat achter de overeenkomst van opdracht.
Al met al kan het verbintenissenrecht binnen de huidige kaders de bescherming van de opdrachtnemer aan de onderkant ten aanzien van de thema’s loon, aansprakelijkheid en opzegging vaak goed inpassen in het wettelijk systeem. Vanwege deze conclusie lijkt een apart (alomvattend) wettelijk regime voor de opdrachtnemer aan de onderkant overbodig. Dat neemt niet weg dat de elasticiteit van het huidige verbintenissenrecht op een aantal plaatsen haar grens vindt. Als ruimte voor bescherming ontbreekt, terwijl er – tegen de achtergrond van de individuele of collectieve kwetsbaarheid – goede argumenten (lijken te) bestaan voor (structurele) bescherming, heb ik dat aangemerkt als knelpunt. In het verlengde daarvan heb ik verschillende instrumenten onderzocht die eventueel een oplossing kunnen bieden voor zo’n knelpunt. Dat heeft geresulteerd in een eerste (bescheiden) aanzet tot verschillende oplossingsrichtingen van de geïdentificeerde knelpunten, die ik in tabel 5 schematisch heb weergegeven.
Tabel 5. ‘Overzicht (mogelijke) knelpunten en oplossingsrichtingen’
(Mogelijk) knelpunt
Oplossingsrichting
Hoogte loon
De opdrachtnemer aan de onderkant heeft niet altijd het recht op het minimumloon (zie paragraaf 2.3.1).
De aandacht wordt verlegd van formele wetgeving naar gedelegeerde wetgeving (zie paragraaf 2.3.2.3, 2.3.2.4 en 2.3.2.5).
Tijdig loon
De opdrachtnemer aan de onderkant heeft bij een laattijdige loonbetaling weliswaar recht op de wettelijke handelsrente, maar die lijkt niet (voldoende) effectief (zie paragraaf 2.4.1.3).
De opdrachtnemer aan de onderkant krijgt bij een laattijdige betaling de beschikking over een aansporend mechanisme, zoals de wettelijke verhoging (zie paragraaf 2.5.1).
Opdrachtnemer brengt schade aan opdrachtgever toe
De in veiligheidsafhankelijkheid verkerende opdrachtnemer heeft geen specifieke bescherming (zie paragraaf 3.4.2).
De regel uit artikel 7:661 BW wordt ook van toepassing verklaard op de artikel 7:658 lid 4 BW-opdrachtnemer (zie paragraaf 3.5.2).
Opdrachtnemer brengt schade aan derde toe
De niet-ondergeschikte opdrachtnemer kan zich niet beroepen op de verweermiddelen van de opdrachtgever tegenover de derde (zie paragraaf 3.4.3.2).
De regel uit artikel 6:257 BW wordt (onder omstandigheden) ook van toepassing verklaard op de opdrachtnemer aan de onderkant (zie paragraaf 3.4.3.2).
Opdracht niet uitvoeren, toch loon; opdrachtnemer lijdt schade; opzegtermijn; loon na opzegging
De bescherming van de opdrachtnemer aan de onderkant kan op verschillende plaatsen contractueel worden uitgesloten of beperkt en daarmee zijn bestaanszekerheid aantasten (zie paragraaf 2.4.2, 3.4.1, 4.2.2 en 4.2.3.1).1
Bepaalde bescherming van de opdrachtnemer aan de onderkant krijgt een (semi-)dwingendrechtelijk karakter, waarbij verschillende grenzen mogelijk zijn waaronder afwijkingen zijn toegestaan (zie paragraaf 2.5.2.3, 3.4.1, 4.4.2.1 en 4.2.3.1).2