Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders
Einde inhoudsopgave
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/16.8:16.8 1970 – heden: de vennootschap van contract naar instituut
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/16.8
16.8 1970 – heden: de vennootschap van contract naar instituut
Documentgegevens:
mr. J. Barneveld, datum 18-09-2013
- Datum
18-09-2013
- Auteur
mr. J. Barneveld
- JCDI
JCDI:ADS402394:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
De contractuele visie blijkt duidelijk uit Molengraaff 1919, die vermeldt dat de aandeelhouders gezamenlijk eigenaar zijn van het vermogen van de vennootschap en moeten worden aangemerkt als de hoogste macht van de vennootschap. Deze blijkt ook uit de opmerking van Kist dat de vennootschap een overeenkomst is, zie Kist 1875, p. 330.
Van Schilfgaarde 1976, p. 1 e.v.
Van Schilfgaarde 1976, p. 3.
Van Schilfgaarde 1988, p. 257.
Van Schilfgaarde 1988, p. 260.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Vanaf de jaren 70 maakte de contractuele benadering van de kapitaalvennootschap plaats voor een institutionele visie.1 Steeds meer won de gedachte terrein dat de kapitaalvennootschap geen bijzondere overeenkomst tussen de aandeelhouders behelsde, maar een autonoom georganiseerde eenheid was, die intern door eigen rechtsregels van specifieke aard werd beheerst. Haar oprichters kwamen slechts haar oprichting overeen en werden daarna ‘derden’. Kenmerkend voor deze institutionele visie is de inleiding van de derde druk van ‘Van de naamloze en de besloten vennootschap’ van Van Schilfgaarde.2 Daarin overwoog hij dat naast de instrumentele benadering van de onderneming, waarin de onderneming fungeert als instrument ten dienste van het streven naar vermogensrechtelijk voordeel van diens eigenaar, er een andere (en naar zijn oordeel betere) visie bestond:
“In deze (…) benadering wordt niet zozeer de nadruk gelegd op de aktiviteit van het ondernemen als streven naar winst of vermogensrechtelijk voordeel, maar op de funktie van de onderneming als maatschappelijk of, zo men wil, maatschappelijkekonomisch instituut. Tot deze funktie behoort onder meer het creëren van voorwaarden dient een zinvol bestaan mogelijk maken voor degenen die in de onderneming werkzaam zijn. Tot deze funktie behoort ook het verschaffen van een redelijk rendement op het daarin gestoken kapitaal. Behalve deze funkties dienen echter andere in aanmerking genomen te worden. Zo bijvoorbeeld de funktie ten behoeve van de konsument, de toeleveranciers, de crediteuren, de streek, het land, etc..”3
Volgens Van Schilfgaarde had het onderscheid tussen de instrumentele en institutionele benadering van de onderneming primair een normatief karakter. Hoe de normen die in het ondernemingsrecht gelden worden geïnterpreteerd, hing volgens hem af van de gekozen benadering. Daarbij tekende hij wel aan dat de NV en BV voorkwamen in verschillende soorten en maten en dat men daarom diende te aanvaarden dat “in het bijzonder bij de kleine persoonsgebonden BV (misschien ook bij de kleine NV) de gedachte dat de onderneming een instrument tot verkrijging van vermogensrechtelijk voordeel is een rol blijft spelen”. Niettemin meende hij dat als rechtsnorm uiteindelijk de bredere belangenafweging zoals benadrukt in de institutionele opvatting de overhand moest hebben, ook voor de kleine BV en NV.
Enige tijd later schreef Van Schilfgaarde dat de opkomst van het kapitaalbeschermingsrecht en het jaarrekeningrecht een rechtstreeks gevolg was van de ontwikkeling naar een institutionele opvatting.4 Bij de oorspronkelijke contractuele opvatting paste zijns inziens een beschouwingswijze waarin het accent lag op vermogensafzondering als een vorm van risicobeperking voor de ondernemende aandeelhouders. Niet goed was in te zien waarom de aandeelhouders met het aldus afgezonderde vermogen niet zouden mogen doen wat zij wilden. Pas wanneer de gedachte doordrong dat het ging om “kapitaalsvorming ten behoeve van de NV als een van de aandeelhouders vrijstaand instituut”, kon de gedachte aan kapitaalbescherming, waarbij het uiteindelijk ging om bescherming van de crediteuren, vaste voet aan de grond krijgen.5