Overheidsaansprakelijkheid voor het verstrekken van onjuiste informatie
Einde inhoudsopgave
Overheidsaansprakelijkheid voor het verstrekken van onjuiste informatie (SteR nr. 45) 2019/6.1:6.1 Inleiding
Overheidsaansprakelijkheid voor het verstrekken van onjuiste informatie (SteR nr. 45) 2019/6.1
6.1 Inleiding
Documentgegevens:
S.A.L. van de Sande, datum 01-02-2019
- Datum
01-02-2019
- Auteur
S.A.L. van de Sande
- JCDI
JCDI:ADS508633:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Parl. Gesch. Boek 6 BW, p. 631.
De uitzondering vormt HR 8 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9331, JB 2002/111 m.nt. E.C.H.J. van der Linden (Hulter/Staat), maar daarin ging het om het nalaten om uit eigen beweging informatie te verstrekken en dus niet om de vormen van informatieverstrekking die in dit boek centraal staan.
Zie daarover Di Bella 2014, hoofdstuk 4 en 5.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een aanspraak op vergoeding van schade die is opgetreden als gevolg van een onrechtmatige daad bestaat slechts indien ter zake is voldaan aan het relativiteitsvereiste. Hieraan is het onderhavige hoofdstuk gewijd. Dit vereiste komt erop neer dat een handeling niet onrechtmatig is in absolute zin, maar ‘relatief onrechtmatig’. De rechter dient het doel en de strekking van de geschonden norm tot uitgangspunt te nemen, en aan de hand daarvan te onderzoeken of onrechtmatig is gehandeld jegens degene die de schade lijdt, en of die schade naar soort en ontstaanswijze onder het beschermingsbereik van die norm valt. In termen van artikel 6:162 BW en artikel 6:163 BW is pas sprake van een tot schadevergoeding verplichtende onrechtmatige daad, wanneer onrechtmatig jegens de benadeelde is gehandeld door een norm te schenden die strekt tot bescherming tegen de schade zoals deze benadeelde die in het concrete geval heeft geleden.
Het relativiteitsvereiste geldt voor alle categorieën van onrechtmatigheid die in artikel 6:162 lid 2 BW worden genoemd,1 waaronder de inbreuk op een recht en de schending van een ongeschreven zorgvuldigheidsnorm. Het vereiste vormt in de regel echter alleen een afzonderlijke toets bij de schending van een wettelijke plicht.2 De bespreking van het relativiteitsvereiste in dit hoofdstuk volgt deze praktijk niet. Er is namelijk bij mijn weten geen rechtspraak voorhanden waarin het relativiteitsvereiste toepassing vindt in relatie tot de schending van de wettelijke normen ten aanzien van informatieverstrekking die in hoofdstuk 2 en 4 zijn besproken.3 Bij gebreke van dergelijke rechtspraak zou de duiding van de betekenis van het relativiteitsvereiste voor de aansprakelijkheid wegens informatieverstrekking in strijd met wettelijke normen blijven steken op het niveau van een algemene bespreking van het doel en de strekking van de betreffende normen tegen de achtergrond van de geschiedenis van de totstandkoming daarvan. Het antwoord op de vraag wanneer (niet) is voldaan aan het relativiteitsvereiste ter zake van die normen, staat daarmee geenszins buiten kijf. De inhoud van toekomstige rechterlijke uitspraken over die normen is immers zeer lastig te voorspellen, mede omdat bij normuitleg niet alleen de totstandkomingsgeschiedenis een rol speelt. Hierbij is ook een veelheid van andere aspecten van belang, waaronder aspecten van rechtspolitieke aard.4
In dit hoofdstuk ligt de nadruk dan ook op de relativiteit van de ongeschreven zorgvuldigheidsnorm die voorschrijft dat de overheid zich dient te onthouden van het verstrekken van onjuiste informatie, met een enkele onvermijdelijke excursie naar (uitspraken over) geschreven normen waaraan relevante gezichtspunten kunnen worden ontleend. Hierbij staat voorop dat, hoewel sommigen ervan uitgaan dat aan het relativiteitsvereiste met betrekking tot het ongeschreven recht geen zelfstandige betekenis toekomt, het voor een goed begrip van het leerstuk van onrechtmatige informatieverstrekking mijns inziens noodzakelijk is dat een scherp onderscheid wordt gemaakt tussen overwegingen van onrechtmatigheid en relativiteit, zoals dat ook bij wettelijke normen gemeengoed is. Om die reden wordt in paragraaf 6.2 eerst aandacht besteed aan de inhoud van de relativiteitstoetsing bij geschreven respectievelijk ongeschreven normen in het algemeen. In paragraaf 6.3 wordt het tweede Fabricom-arrest besproken, dat een kijkje in de keuken van de feitenrechter en de Hoge Raad geeft wat betreft het relativeren van de bescherming van de geschonden norm bij informatieverstrekking. Vervolgens wordt de bespreking verder toegespitst op de relativiteit van onrechtmatige informatieverstrekking door de overheid. Hiertoe wordt in paragraaf 6.3 en 6.4 een nadere beschrijving gegeven van de geschonden norm en van het doel en de strekking daarvan. Aan de hand hiervan wordt in de paragrafen 6.5 en 6.6 een nadere onderverdeling gemaakt van het relativiteitsvereiste in de aspecten van persoonlijke, zakelijke en ontstaansrelativiteit. In paragraaf 6.7 wordt ten slotte ingegaan op relevante raakvlakken van het relativiteitsvereiste met enkele overige vereisten voor aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad.