Einde inhoudsopgave
Individuele straftoemeting in het fiscale bestuurlijke boeterecht (FM nr. 151) 2018/6.3.1.1
6.3.1.1 Strafdoelen in het strafrecht
mr. I.J. Krukkert, datum 01-02-2018
- Datum
01-02-2018
- Auteur
mr. I.J. Krukkert
- JCDI
JCDI:ADS468074:1
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Fiscaal strafrecht
Fiscaal bestuursrecht / Boete
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld Stijnen, p. 665, Mevis, p. 174 en Enschedé/Blom, p. 10-13.
Zie onder meer Groenhuijssen in ‘Herstel, schadevergoeding en normbevestiging. Naar een processuele vertaling van strafdoeleinden.’, p. 274.
De Hullu 2015, p. 6.
Zie ook Mevis, p. 935 e.v.. Hij verwijst hierbij onder meer naar de invoering van de mogelijkheid om het opleggen van een geldboete te combineren met een vrijheidsstraf of taakstraf (artikel 9, lid 3 Sr).
Volgens Schuyt is de geldboete in de eerste plaats vergeldend (Schuyt, p. 54).
De rechter zou dan met bij het opleggen van de geldboete met de draagkracht van de verdachte rekening moeten houden voor zover hij dat ‘met het oog op de beïnvloeding van het gedrag’ van de verdachte nodig acht (Kamerstukken II, vergaderjaar 1977-1978, 15 012, nrs. 1-3, p. 27).
Zie de Memorie van Antwoord inzake de Wet vermogenssancties: Kamerstukken II, vergaderjaar 1981-1982, 15 012, nr. 5).
Hoge Raad 18 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1333 (NJ 2000, 105, met noot Schalken).
Hoge Raad 15 juni 2010, met conclusie van A-G Knigge, ECLI:NL:HR:2010:BM2428 (NJ 2010, 358). Zie ook Hoge Raad 8 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW3684 (RvdW 2012/707) waarin de Hoge Raad een ‘afroomboete’ niet expliciet afkeurde, maar daarbij de kanttekening plaatste dat de rechtvaardiging voor het afstemmen van de boete op de wederrechtelijk verkregen voordelen moet worden gezocht in ‘de ernst van de feiten’.
In de strafrechtelijke literatuur worden vaak als klassieke doelen van (be)straf(fen) genoemd: vergelding, speciale preventie en generale preventie.1 Daarnaast worden ook andere doelstellingen vermeld, zoals rehabilitatie en resocialisatie, onschadelijkmaking van de dader, normbevestiging, conflictoplossing of reparatie en bescherming van de samenleving.2 Laatstgenoemde doelen worden overigens soms ook als onderdeel van een van de klassieke drie strafdoelen gezien. Zo ziet De Hullu normbevestiging als vorm van generale preventie en schaart hij resocialisatie onder speciale preventie.3
In het strafrecht staan de strafdoelen niet op zich, maar is de werking ervan mede afhankelijk van de strafmodaliteit. Met andere woorden, met een werkstraf of vrijheidsbenemende straf worden andere effecten bereikt dan met een strafrechtelijke geldboete.4 De vraag komt dan op welke strafdoelen samenhangen met de – met een bestuurlijke boete vergelijkbare – strafrechtelijke geldboete.
Strafrechtelijke geldboeten
Doelstellingen als rehabilitatie, resocialisatie, onschadelijkmaking van de dader, conflictoplossing of bescherming van de samenleving laten zich moeilijk rijmen met het opleggen van een geldboete. Deze doelstellingen hangen vooral samen met andere straffen dan de geldboete. Voor het opleggen van strafrechtelijke geldboeten resteren dan de drie klassieke strafdoelen: vergelding, generale preventie en speciale preventie.5
Bij de invoering van het huidige systeem van geldboetecategorieën in het strafrecht heeft de wetgever stilgestaan bij strafdoelen in het algemeen. Daarbij werden – onder verwijzing naar het voorbereidende werk van de Commissie vermogensstraffen – als strafdoelen genoemd de ‘beïnvloeding van menselijk gedrag op zodanige wijze dat dit conform de rechtsregels verloopt, en voorts conflictoplossing, dat wil zeggen het wegnemen van onrust die door het delict in de maatschappij mocht zijn ontstaan.’ 6
Strafdoelen van geldboeten zijn niet in het Wetboek van Strafrecht of strafvordering terug te vinden. Interessant gegeven is dat de Commissie vermogensstraffen er destijds wel voor heeft gepleit om het strafdoel ‘gedragsbeïnvloeding’ expliciet in het draagkrachtartikel 24 Sr op te nemen.7 De wetgever is hier uiteindelijk niet in meegegaan, onder andere omdat het niet juist werd geacht om slechts één strafdoel in de wet op te nemen. Dat neemt niet weg dat de wetgever tijdens de parlementaire behandeling van de Wet vermogenssancties verschillende keren heeft verwezen naar de vergeldingsgedachte en de generale en speciale preventie als doelen van de strafrechtelijke geldboete.8
Een uitspraak van de Hoge Raad in 1999 zorgde voor de nodige verwarring omtrent de vraag of een geldboete ook als doelstelling kan hebben het ontnemen van (wederrechtelijk verkregen) voordeel.9 Aan die verwarring lijkt de Hoge Raad in 2010 een eind te hebben gemaakt.10 In die zaak was in eerste aanleg de ontnemingsvordering afgewezen. Tegen deze afwijzing had de officier geen hoger beroep ingediend. Dit vormde voor het hof ‘aanleiding om het te ontnemen bedrag als geldboete op te leggen’. Deze enkele verwijzing vond de Hoge Raad echter ontoereikend. A-G Knigge gaat in zijn conclusie bij dit arrest in op het verschil in doelen bij het opleggen van geldboeten en het instellen van een ontnemingsvordering, en raakt daarbij ook aan een – naar mijn mening terecht – verband tussen beide:
“Ik meen derhalve dat in het arrest van de Hoge Raad [van 18 mei 1999, IK] niet meer gelezen moet worden dan er staat. Dat ‘afroomboetes’ door de Hoge Raad zonder enige beperking zijn aanvaard, is een conclusie die niet uit het arrest getrokken kan worden. Ik zou willen verdedigen dat een boete niet mag worden opgelegd met het uitsluitende of met het primaire doel om het wederrechtelijk verkregen voordeel te ontnemen. Daarvoor is de ontnemingsprocedure. Iets anders is dat de hoogte van een afschrikkende of een vergeldende boete mede mag afhangen van de grootte van het voordeel dat met het strafbare feit is behaald of had kunnen worden behaald. Een boete die een schijntje is vergeleken met de winsten die door middel van het strafbare feit (kunnen) worden behaald, schrikt niet af en vergeldt evenmin (omdat de verdachte er dan per saldo op vooruitgaat). In een concreet geval kan een afschrikkende en vergeldende boete dus wel tot effect hebben dat het behaalde voordeel wordt afgenomen. Maar in dat effect mag de rechtvaardiging van de geldboete niet gezocht worden. Die rechtvaardiging dient primair gevonden te worden in preventie en afschrikking. Anders komt de normering van de voordeelsontneming zoals die in wet en jurisprudentie gestalte heeft gekregen, op losse schroeven te staan.”