Arbeidsrecht en insolventie
Einde inhoudsopgave
Arbeidsrecht en insolventie (MSR nr. 75) 2019/8.7.1:8.7.1 Enquêterecht
Arbeidsrecht en insolventie (MSR nr. 75) 2019/8.7.1
8.7.1 Enquêterecht
Documentgegevens:
Mr. J. van der Pijl, datum 01-11-2018
- Datum
01-11-2018
- Auteur
Mr. J. van der Pijl
- JCDI
JCDI:ADS304773:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Arbeidsrecht / Europees arbeidsrecht
Insolventierecht / Faillissement
Arbeidsrecht / Einde arbeidsovereenkomst
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 10 januari 1990, NJ 1990, 466 (OGEM-II) en HR 26 juni 2009, JOR 2009/193. In laatstgenoemd arrest geeft de Hoge Raad aan dat hij geen reden ziet terug te komen op het OGEM-arrest uit 1990; zie hierover ook Zaal 2014, p. 248.
Willems, SR 2000-7/8.
HR 24 juni 2005, NJ 2005, 382.
Willems, TvI 2004/53.
Zaal 2014, p. 249.
Van Mierlo, Ondernemingsrecht 2005/138.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De werknemersorganisaties hebben het zgn. enquêterecht, op grond waarvan zij de Ondernemingskamer kunnen vragen een of meer personen te benoemen die overgaan tot het instellen van een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van een rechtspersoon, hetzij in de gehele omvang daarvan, hetzij met betrekking tot een gedeelte of een bepaald tijdvak, aldus artikel 2:345 en 347 BW. Dat recht strekt zich ook uit tot ondernemingen die zich (inmiddels) in staat van faillissement bevinden,1 en kan met name geschikt zijn als het vermoeden bestaat dat sprake is van misbruik van faillissement, bijvoorbeeld als dat alleen of hoofdzakelijk is aangevraagd om arbeidsrechtelijke bescherming van werknemers te omzeilen. Volgens Willems maakt ook het instrumentarium dat de te benoemen onderzoekers tot hun beschikking hebben (toegang tot de boeken en overige bescheiden) dit middel geschikt om oneigenlijk gebruik van faillissement aan de kaak te stellen.2 Een (problematische) factor van belang kan gevormd worden door de aanzienlijke kosten die aan een enquêteprocedure zijn verbonden. Op grond van artikel 2:350 lid 3 BW komen deze voor rekening van de rechtspersoon, maar in geval van faillissement kan de curator beslissen deze niet voor rekening van de boedel te laten komen, aldus de Hoge Raad in 2005.3 Dat betekent dat een verzoeker, zoals een werknemersorganisatie, deze kosten zelf dient te dragen. Daarnaast suggereert de Hoge Raad in genoemd arrest nog de volgende, alternatieve oplossing:
"Ook kunnen de in art. 69 Fw genoemde personen (daaronder valt onder meer "ieder der schuldeisers", waartoe in ieder geval individuele werknemers kunnen worden gerekend, JvdP) proberen een bevel van de rechter-commissaris aan de curator uit te lokken om een boedelbijdrage beschikbaar te stellen. De Ondernemingskamer heeft te dien aanzien echter geen taak, evenmin als ten aanzien van de vraag of het gaat om een verbintenis ten gevolge waarvan de boedel is gebaat (art. 24 Fw). Opmerking verdient hierbij nog dat de belangen die een faillissementscurator behoort te behartigen niet noodzakelijkerwijs samenvallen met de belangen van diegenen die bevoegd zijn een verzoek als bedoeld in art. 2:345 BW te doen."
Een tweede vraag is dan of een enquêteprocedure ook betrekking kan hebben op het beleid van de curator, oftewel op het beleid van de curator en de gang van zaken tijdens het faillissement. Willems heeft daarover gezegd dat als sprake is van voortzetting van de onderneming (waarbij hij expliciet naar artikel 98 Fw verwees), dan niet valt in te zien waarom het beleid tijdens die fase niet onderwerp van een enquête zou kunnen zijn,4 en Zaal gaat hier voorzichtig in mee.5 Van Mierlo echter heeft het tegendeel betoogd vanuit de stelling dat het handelen van de curator uitsluitend door het faillissementsrecht wordt beheerst.6 Ik ben van mening dat zodra sprake is van enigerlei vorm van voortzetting van de onderneming, hetgeen niet per se voortzetting in de zin van artikel 98 Fw hoeft te zijn (en dus ook gevallen van langdurige, geleidelijke liquidatie kan betreffen) sprake is van beleid, en derhalve dat dit beleid voorwerp moet kunnen zijn van onderzoek in de hier bedoelde zin. Bovendien is het denkbaar dat sprake is van een voorbereide doorstart, onder toeziend oog van hetzij een beoogd curator, hetzij een bewindvoerder, die al direct na het uitspreken van het faillissement gevolgd wordt door een door de curator bezegelde transactie. De periode van onderzoek moet dan betrekking kunnen hebben op een periode die zich uitstrekt van een moment vóór de faillietverklaring tot het moment van de overdracht van de onderneming. Voor het geval een curator de activiteiten direct na zijn benoeming staakt en zich louter richt op de liquidatie is naar mijn mening de enquêteprocedure niet bedoeld (maar in die gevallen zal daaraan in de regel weinig behoefte bestaan bij werknemersorganisaties).