Einde inhoudsopgave
Overheidsaansprakelijkheid voor het verstrekken van onjuiste informatie (SteR nr. 45) 2019/6.7
6.7 Samenloop met causaal verband en eigen schuld
S.A.L. van de Sande, datum 01-02-2019
- Datum
01-02-2019
- Auteur
S.A.L. van de Sande
- JCDI
JCDI:ADS504908:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
Zie hierover Keirse & Paijmans 2017, p. 207 e.v., die ingaan op de geschiedenis van het adagium en veel voorbeelden van zijn toepassing geven. Zie ook Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-IV 2015/137, waar ook verwante adagia worden genoemd.
HR 16 februari 1973, NJ 1973/463 m.nt. H.E. Bröring (Maas/Willems). Zie voordien HR 24 januari 1936, NJ 1936/427 m.nt. E.M. Meijers (J. Blitz en Co) en HR 4 januari 1963, NJ 1964/434 m.nt. G.J. Scholten (Scholten’s Aardappelmeelfabrieken).
Zie HR 23 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ6219, NJ 2008/492 m.nt. J.B.M. Vranken, r.o. 3.6.2 (De Groot/Io Vivat).
Vgl. Jansen 2012a, p. 277-278 met betrekking tot het beschermingsbereik van precontractuele informatieplichten. Vgl. ook p. 352-353.
Een en ander vindt steun in HR 7 december 1990, NJ 1991/474 m.nt. E.A.A. Luijten, r.o. 3.3 (SHV/Nauta), waarover Lankhorst 1992, p. 175-178.
Vgl. Parl. Gesch. Boek 6 BW, p. 352, waar wordt opgemerkt dat in het kader van artikel 6:101 lid 1 BW ook omstandigheden kunnen worden toegerekend aan de benadeelde die niet tot zijn aansprakelijkheid leiden. De schending van een concrete geschreven of ongeschreven norm is daarvoor dus niet vereist.
HR 24 februari 1984, NJ 1984/415 m.nt. W.C.L. van der Grinten, r.o. 3.2 (Bardoel/ Swinkels of Zeug geel-113). Vgl. Hof Arnhem 17 januari 2012, ECLI:NL:GHARN:2012:BV1241, r.o. 5.7 (Bedrijfsbestemming Hof van Twente). Zie ook Lankhorst 1992, p. 106-107.
Vgl. Jansen 2012a, p. 287 en Jansen 2013a, p. 63.
Vgl. Rb. ‘s-Gravenhage 13 april 2011, ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ2576, r.o. 4.24-4.25 (Vloerpeil Pijnacker-Nootdorp) en Rb. Arnhem 10 februari 2009, ECLI:NL:RBARN:2009:BH5392, r.o. 4.6 (Woningsplitsing Ede).
Aan het slot van dit hoofdstuk verdienen twee situaties bespreking die zich op het grensvlak van het relativiteitsvereiste en van andere vereisten voor aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad bevinden. Ten eerste de situatie waarin de burger heeft nagelaten om onderzoek te doen naar de juistheid van de verstrekte situatie, althans naar het onderwerp waarop de informatie betrekking heeft. In paragraaf 4.7.4 is opgemerkt dat een vordering uit onrechtmatige informatieverstrekking eigenlijk neerkomt op een beroep op wederzijdse dwaling. De burger verwijt de overheid dat zij hem onjuist heeft geïnformeerd en hem daarmee op het verkeerde been heeft gezet, maar wist zelf ook niet meteen hoe de vork in de steel zat. Met het oordeel dat de overheid onrechtmatig heeft gehandeld door onjuiste informatie te verstrekken, wordt deze wederzijdse dwaling voor rekening van de overheid gebracht. Het is echter niet slechts de overheid die aan het ontstaan hiervan heeft bijgedragen. De burger had evenzeer door anders te handelen kunnen voorkomen dat hij op het verkeerde been werd gezet, bijvoorbeeld door zelf onderzoek te doen, de juistheid van de informatie te controleren of zich anderszins (buiten de overheid om) te laten informeren. Het kan zo zijn dat de eigen onderzoeksplicht van de burger – in het bijzonder in verband met zijn (professionele) hoedanigheid en zijn deskundigheid (zie paragraaf 4.7.11) – in de weg staat aan het oordeel dat de overheid onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld, omdat de burger gezien die omstandigheden niet redelijkerwijs erop mocht vertrouwen dat hem juiste en volledige informatie werd verstrekt. Als de onrechtmatigheidshindernis wel wordt genomen, kunnen de leerstukken van relativiteit, causaal verband (zie paragraaf 7.2.3) en eigen schuld (zie paragraaf 7.5.2) hem alsnog parten spelen.
In het kader van het relativiteitsvereiste kan worden gedacht aan het leerstuk van in pari delicto.
Het adagium in pari delicto potior est condicio defendentis (kortweg: in pari delicto) is van toepassing in de situatie waarin de gelaedeerde een soortgelijk verwijt treft als de laedens.1 Het is de juridische variant van het spreekwoord ‘de pot verwijt de ketel dat die zwart ziet’: als de eiser een vergelijkbaar verwijt kan worden gemaakt als de gedaagde, kan de vraag worden gesteld of de eiser, gezien zijn eigen gedrag, dit verwijt rechtens wel mág maken. Het gaat erom of de eiser zich door zijn eigen normschendende en/of onvoorzichtige gedrag heeft onttrokken aan de bescherming die hij zonder dat gedrag had kunnen ontlenen aan de norm die de gedaagde heeft geschonden.2 Een geschonden norm strekt namelijk meestal niet tot bescherming van degene die zich zelf ook niet naar die norm heeft gedragen.3 Aan relativiteit ontbreekt het in dat geval.
Voor onjuiste informatieverstrekking rijst de vraag of de burger in pari delicto kan verkeren doordat hij dezelfde fout maakt als de overheid: uitgaan van de juistheid van onjuiste informatie, althans onvoldoende onderzoek doen om de onjuistheid van de verstrekte informatie te (kunnen) onderkennen.4 Het lijkt mij dat het nalaten om voldoende onderzoek te doen geen grond kan opleveren voor het oordeel dat de geschonden norm niet strekt tot bescherming van de belangen van de burger. De normschending die aansprakelijkheid oplevert, is namelijk dat de overheid ten onrechte het vertrouwen heeft gewekt dat zij de burger juist heeft geïnformeerd, en de burger zodoende op het verkeerde been heeft gezet (zie paragraaf 6.3). Deze norm is slechts door de overheid en niet (ook) door de burger geschonden. Aan de eis van eenzelfde normschending is dus niet voldaan. Men zou zelfs kunnen zeggen dat de burger in het geheel geen norm heeft geschonden, omdat op hem geen (geschreven of ongeschreven) verplichting tot het verrichten van voldoende onderzoek rust. Een dergelijke stelling zou evenwel miskennen dat het nalaten om eigen onderzoek te verrichten onder omstandigheden kan leiden tot vermindering van de schadevergoedingsplicht van de overheid wegens eigen schuld aan het ontstaan van de schade (zie paragraaf 7.5.2).5 In die omstandigheden rust op de burger geen onderzoeksverplichting in eigenlijke zin, maar wordt op de voet van artikel 6:101 lid 1 BW wel een rechtsgevolg aan zijn gedragingen verbonden.6
Het nalaten om voldoende eigen onderzoek te verrichten, maakt ook niet dat de burger bescherming zoekt in een belang dat daardoor niet (meer) rechtmatig is. De geschonden norm strekt juist ertoe om de burger te beschermen die onvoldoende onderzoek heeft gedaan (paragraaf 6.4). Zijn eigen nalaten is bovendien reeds verdisconteerd in het onrechtmatigheidsoordeel. Het oordeel dat onrechtmatig is gehandeld – en daarmee de vaststelling van een normschending door de overheid – kan slechts bestaan indien de burger zelf onvoldoende onderzoek heeft gedaan om de onjuistheid van de verstrekte informatie te ontdekken. Indien hij ‘beter zou hebben geweten’ dan de overheid, zou hij immers niet gerechtvaardigd hebben mogen vertrouwen op de juistheid van de informatieverstrekking, omdat hij dan had beseft of had moeten beseffen dat de verstrekte informatie niet juist was.
De tweede situatie waarin het relativiteitsvereiste raakt aan andere vereisten voor aansprakelijkheid, laat zien dat het vereiste niet alleen kan verhinderen dát de overheid aansprakelijk is, maar ook kan dienen ter beperking van de omvang van de schade die voor vergoeding in aanmerking komt, als eenmaal vaststaat dat een tot schadevergoeding verplichtende onrechtmatige daad is gepleegd jegens de benadeelde. In abstracto vloeit uit de eisen van zakelijke en ontstaansrelativiteit voort dat slechts schade voor vergoeding in aanmerking komt die zich voordoet als de verwezenlijking van het risico dat de geschonden norm beoogt tegen te gaan.7In concreto is de schade die voor vergoeding in aanmerking komt hiermee gelimiteerd tot de schade die is geleden doordat de burger heeft gehandeld of heeft nagelaten te handelen doordat hij in de veronderstelling verkeerde dat hij juist werd geïnformeerd. De omvang van deze schade wordt bepaald door een vergelijking te maken met de situatie waarin de onjuiste informatieverstrekking achterwege zou zijn gebleven. Deze regel wordt in paragraaf 7.2.2 toegelicht als voortvloeiende uit het causaliteitsvereiste. Zij kan echter evenzeer worden gefundeerd op het relativiteitsvereiste – ondanks de plaatsing van artikel 6:163 BW buiten afdeling 6.1.10 BW betreffende de omvang van de schadevergoeding. Een aanspraak op schadevergoeding uit onrechtmatige daad bij onjuiste informatieverstrekking kan namelijk nooit méér opleveren dan vergoeding van de schade die is ontstaan doordat (rechts)handelingen zijn verricht of nagelaten in de veronderstelling dat juiste en volledige inlichtingen met een bepaalde inhoud werden gegeven.8 Dit volgt uit het doel en de strekking van de geschonden norm (zie paragraaf 6.4). Het doel en de strekking komen erop neer dat de overheid zich moet onthouden van onjuiste informatieverstrekking om te voorkomen dat de burger op het verkeerde been wordt gezet omtrent zijn (rechts)positie. De burger wordt dan niet gehinderd in het maken van goed geïnformeerde keuzes die zijn (rechts)positie ten voor- of nadele kunnen beïnvloeden. Enerzijds volgt hieruit dat de geschonden norm strekt tot bescherming van de vermogensbelangen van de benadeelde burger.9 De verplichting tot het bieden van rechtszekerheid strekt namelijk mede ter voorkoming van benadeling van de burger in zijn vermogenspositie. Anderzijds moet hieruit een beperking van de omvang van de aansprakelijkheid worden afgeleid tot dispositieschade. Slechts schade die is geleden onder invloed van een onjuiste voorstelling van zaken komt op grondslag daarvan voor vergoeding in aanmerking (zie hierover paragraaf 7.2.3.2 en 7.4.2).