De rol en positie van de raad van toezicht van de stichting
Einde inhoudsopgave
De rol en positie van de raad van toezicht van de stichting (IVOR nr. 112) 2018/9.4.1:9.4.1 Wettelijke taakomschrijving
De rol en positie van de raad van toezicht van de stichting (IVOR nr. 112) 2018/9.4.1
9.4.1 Wettelijke taakomschrijving
Documentgegevens:
mr. M.J. van Uchelen-Schipper, datum 04-02-2018
- Datum
04-02-2018
- Auteur
mr. M.J. van Uchelen-Schipper
- JCDI
JCDI:ADS384912:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Economische ordening
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Mijns inziens zou de raad van toezicht een wettelijke basistaak en een aantal wettelijke basisbevoegdheden moeten hebben. De stichting is bovenal een “doelvermogen”. De stichting onderscheidt zich van andere rechtspersonen in Boek 2 BW door de betekenis die het vermogen heeft voor het doel en ook door het feit dat voor het doel samenwerkende leden of aandeelhouders ontbreken. Het stichtingsdoel vormt een belangrijke leidraad voor zowel het bestuur als de raad van toezicht van iedere stichting.
De raad van toezicht is er voor alle bij de stichting betrokken belanghebbenden. Wie als belanghebbenden bij de stichting kunnen worden aangemerkt, kan vooral uit het stichtingsdoel worden afgeleid: de oprichters (die de doelstelling in de statuten hebben vastgesteld, al dan niet met de mogelijkheid het doel te wijzigen), de begunstigden en degenen die bijdragen aan de vorming van het stichtingsvermogen ter bereiking van het stichtingsdoel.
Mijns inziens zou de volgende wettelijke taak van de raad van toezicht in de wet vastgelegd dienen te worden: toezicht houden op het beleid van het bestuur ter verwezenlijking van het stichtingsdoel en op de algemene gang van zaken in de stichting en de met haar verbonden onderneming of organisatie. Net als voor de raad van commissarissen van andere rechtspersonen geldt dat de raad van toezicht het bestuur met raad terzijde staat.
Ik meen dat, vanwege het hiervoor genoemde specifieke karakter van de stichting als doelvermogen, de toezichthoudende taak voor de raad van toezicht van de stichting in de eigen stichtingentitel in Boek 2 BW vastgelegd zou moeten worden.