Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/6.5.1.1
6.5.1.1 Geen uniebegrip
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291057:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EG 28 maart 1996, zaak C-468/93, FED 1996/690, m.nt. Geradts, r.o. 25 (Gemeente Emmen). Zie ook: A.J. van Doesum, ‘Over het gebruik van synoniemen en homoniemen in de btw’, in: J.A. Kamminga en Th. W.M. Poolen (red.), De Toekomst van de BTW. Denie-bundel, Deventer: Kluwer 2011, p. 47.
HvJ EG 28 maart 1996, zaak C-468/93, FED 1996/690, m.nt. Geradts, r.o. 22 (Gemeente Emmen).
HvJ EG 28 maart 1996, zaak C-468/93, FED 1996/690, m.nt. Geradts, r.o. 23 (Gemeente Emmen).
HvJ EG 28 maart 1996, zaak C-468/93, FED 1996/690, m.nt. Geradts, r.o. 24 (Gemeente Emmen).
Het Hof van Justitie heeft geoordeeld dat het begrip ‘bouwterrein’ geen uniebegrip is, omdat art. 12 lid 3 Btw-richtlijn de omschrijving van dit begrip aan de lidstaten heeft overgelaten.1 Het is daarom aan de lidstaten om in de nationale wetgeving te omschrijven welke terreinen als een bouwterrein moeten worden aangemerkt. Deze uitleg is in overeenstemming met de richtlijnhistorie (zie paragraaf 6.2). De omschrijvingsvrijheid die art. 12 lid 3 Btw-richtlijn geeft, betekent dat het niet aan het Hof is om het begrip ‘bouwterrein’ van een definitie te voorzien.2 De Europese Commissie heeft in de zaak Gemeente Emmen gesteld dat in de bewoordingen ‘al dan niet bouwrijp gemaakte terreinen’ in (thans) art. 12 lid 3 Btw-richtlijn een beperking is te lezen is van de omschrijvingsvrijheid van de lidstaten. Naar de mening van de Commissie volgt uit deze bewoordingen dat de nationale definities van het begrip ‘bouwterrein’ noodzakelijkerwijs ook grond moet omvatten die in het geheel niet bouwrijp is gemaakt (lees: maagdelijke terreinen).3 Het Hof van Justitie heeft die opvatting afgewezen. Naar het oordeel van het Hof volgt uit deze bewoordingen slechts dat het voor de omschrijving van het begrip ‘bouwterrein’ in de nationale wetgeving niet van belang is of de betrokken onbebouwde terreinen bouwrijp zijn gemaakt.4 Het nationale begrip ‘bouwterrein’ kan dus zowel bouwrijp gemaakte als niet-bouwrijp gemaakte onbebouwde terreinen omvatten.