Einde inhoudsopgave
Ontwikkelingen in het civielrechtelijk conservatoir beslag in Nederland (BPP nr. XV) 2013/5.5.4
5.5.4 De omvang van de vordering die aan het beslag ten grondslag ligt
mr. M. Meijsen, datum 27-05-2013
- Datum
27-05-2013
- Auteur
mr. M. Meijsen
- JCDI
JCDI:ADS492257:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie tabel 13. In 2006 komt het (nog) vrijwel niet voor dat verlof wordt verleend voor een ander dan het door verzoeker berekende bedrag. In het basisjaar voor het onderzoek, 2006, was nog sprake van een ongedifferentieerde berekening van de hoofdvordering vermeerderd met 30% in verband met rente en kosten.
De uitgebreide analyse, inclusief registratie per gerecht, is te vinden in bijlage C van dit boek.
Iets meer dan 2% van het totaal aantal geregistreerde zaken.
36% van de beslagrekesten binnen deze partijconstellatie bevindt zich in cat. 1 van tabel 13.
21% van de beslagrekesten binnen deze partijconstellatie bevindt zich in cat. 1 van tabel 13.
28% van de beslagrekesten binnen deze partijconstellatie bevindt zich in cat. 1 van tabel 13.
Bijna 30% van de hoofdvorderingen is arbeidsgerelateerd, 14% ziet op de koop/verkoop van een onroerende zaak.
15% van de beslagrekesten binnen deze partijconstellatie.
De belangrijkste categorieën vorderingen binnen deze partijconstellatie liggen op het gebied van: koop/verkoop onroerende zaak (25%), geldlening/kredietrelatie (19%) en verdeling na huwelijk/samenleving (19%).
Ook het bedrag inclusief rente en kosten waarvoor verlof wordt verleend heeft potentieel invloed op de impact van het beslag. In gevallen waarin in 2006 een opheffingskortgeding werd geëntameerd blijkt het bedrag waarvoor verlof werd verleend aanzienlijk hoger te zijn dan in zaken waarin geen opheffingskortgeding volgde.1
Dit bevestigt het vermoeden van een verband tussen het bedrag waarvoor verlof wordt verleend en de knellendheid hiervan: indien een beslag niet als knellend wordt ervaren, zal de beslagen partij veelal niet geneigd zijn om kosten te maken en risico te lopen op een afwijzende beslissing in een opheffingskortgeding.
Kan dan ook gesteld worden dat er een verband bestaat tussen een meervoudig beslag en de hoogte van het bedrag inclusief rente en kosten? Een nadere analyse van beide factoren over 2006 leidt tot de conclusie dat inderdaad met de meervoudigheid ook voor hogere bedragen verlof wordt verzocht en verleend.2
2006
Opheffingskortgeding
Geen opheffingskortgeding
Categorie/bedrag
Aantal
%
Aantal
%
1. < € 25.000
17
9%
65
27%
2. € 25.000-€ 50.000
26
13%
48
20%
3. € 50.000-€ 100.000
29
15%
43
18%
4. € 100.000-€ 250.000
39
20%
45
18%
5. € 250.000-€ 1.000.000
43
22%
32
13%
6. € 1.000.000-€ 5.000.000
25
13%
9
4%
7. >5.000.000
19
10%
3
1%
Totaal
198
100%
245
100%
Naar partijconstellatie blijkt dat zakelijke partijen als verzoeker voor de hoogste bedragen verlof verzochten en verkregen (de categorieën 6 en 7 uit tabel 13 komen bij natuurlijke personen als verzoeker niet voor). Het betrof zogenaamde ‘uitschieters’, welke slechts een zeer klein percentage van het totaal aantal zaken betroffen.3
De zakelijke partij die jegens een natuurlijke persoon beslag legde (31% van de beslagzaken) deed dit vaker voor een relatief laag bedrag (onder de € 25.000,-)4 dan de zakelijke partij versus een zakelijke partij5 (43% van de beslagzaken) en een natuurlijke persoon versus een zakelijke partij (33% van de beslagzaken).6 Deze laatste partijconstellatie valt op in de categorie vorderingen tussen de € 250.000,- en de € 1.000.000,- omdat bijna een kwart van de zaken van een natuurlijke persoon versus een zakelijke partij in deze (relatief hoge) categorie valt. Dit is twee tot drie maal zoveel als binnen de andere partijconstellaties op zichzelf.7 De natuurlijke persoon jegens natuurlijke persoon (13% van de beslagzaken) kwam het minst voor in de eerste categorie vorderingen onder de € 25.000,-;8 deze partijconstellatie op zichzelf scoorde gemiddeld in de range tussen de € 25.000 en de € 250.000,- het hoogst ten opzichte van de andere partijconstellaties.9
De beslagrekesten Amsterdam geven een voorzichtige indicatie dat er een verschuiving plaatsvindt naar hogere bedragen waarvoor verlof wordt verleend. In de categorie vorderingen tot € 100.000,- is sprake van een lichte daling (tabel 14).
2006, 2011, 2012
2006
zes rechtbanken
2006
Amsterdam
2011
Amsterdam
2012
Amsterdam
Categorie/bedrag
Aantal
%
Aantal
%
Aantal
%
Aantal
%
1. < € 25.000
65
27%
23
27%
25
26%
10
21%
2. € 25.000-€ 50.000
48
20%
17
20%
18
19%
8
17%
3. € 50.000-€ 100.000
43
18%
15
17%
13
14%
5
11%
4. € 100.000-€ 250.000
45
18%
16
19%
12
13%
10
21%
5. € 250.000-€ 1.000.000
32
13%
13
15%
17
18%
8
17%
6. € 1.000.000-€ 5.000.000
9
4%
2
2%
8
8%
6
13%
7. >5.000.000
3
1%
-
-
3
3%
-
-
Totaal
245
100%
86
100%
96
100%
47
100%