Sturingsinstrumenten in de WW: 1987-2020
Einde inhoudsopgave
Sturingsinstrumenten in de WW: 1987-2020 (MSR nr. 77) 2021/8.7.4:8.7.4 Beïnvloeden de wijzigingen de vrijheid van bepaalde groepen om passende arbeid te kiezen of te weigeren en heeft aanpassing voor die groepen daardoor grotere gevolgen dan voor anderen?
Sturingsinstrumenten in de WW: 1987-2020 (MSR nr. 77) 2021/8.7.4
8.7.4 Beïnvloeden de wijzigingen de vrijheid van bepaalde groepen om passende arbeid te kiezen of te weigeren en heeft aanpassing voor die groepen daardoor grotere gevolgen dan voor anderen?
Documentgegevens:
Datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
Kluwer
- JCDI
JCDI:ADS258909:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Algemeen
Sociale zekerheid algemeen / Algemeen
Sociale zekerheid werkloosheid (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
SER-advies Verruiming van het begrip passende arbeid 1995, p. 7.
Von Bergh, TRA 2019/56.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het begrip passende arbeid leent zich moeilijk voor directe sturing, omdat het een open norm is die aan de hand van de omstandigheden van het geval nader moet worden ingevuld. In de praktijk blijkt het toepassen van de richtlijn sterk afhankelijk te zijn van de betrokkenen in het sollicitatieproces. Werkgevers hebben in het algemeen een voorkeur voor een werknemer met een opleidingsniveau dat past bij de vacature en werknemers solliciteren ook liever op hun opleidingsniveau. De werknemer ‘dwingen’ om een baan te accepteren die hij niet ambieert dan wel onder zijn niveau is, brengt zijn eigen gevaren met zich mee, namelijk kapitaalvernietiging en verdringing op de arbeidsmarkt van bepaalde groepen. Bij verdringing zouden sommige categorieën werklozen, zoals vrouwen en allochtonen, meer dan evenredig door de maatregel worden getroffen.1
Waar er wel sturingsmogelijkheden waren, namelijk bij de algemene overeenkomsten in banen, heeft het kabinet eisen gesteld aan de aanvaarding van passende arbeid naar opleidingsniveau, loon en reistijd. Daarbij geldt: hoe langer de werkloosheid duurt, hoe meer concessies de uitkeringsgerechtigde moet doen.
Het is moeilijk om vast te stellen of de wijzigingen de vrijheid van bepaalde groepen om passende arbeid te kiezen of te weigeren hebben beïnvloed. Op papier (lagere regelgeving) hebben WW’ers naar opleidingsniveau een steeds kortere periode gehad om een baan op eigen niveau te zoeken, maar of dat in de praktijk ook zo is valt te betwijfelen. Uiteindelijk hebben de verscherpingen ertoe geleid dat de WW’ers een respijtperiode van zes maanden hebben waarin ze in alle rust op zoek kunnen naar een baan die lijkt op de baan waaruit de werkloosheid voortvloeide. Daarbij is een uitzondering gemaakt voor wo’ers. Zij moeten meteen op zoek naar banen op hbo-niveau met het idee dat zij vanuit hbo-werk makkelijker kunnen doorstromen naar hun eigen wo-niveau dan vanuit de WW. Schoolverlaters moeten alle arbeid accepteren, omdat zij met dan door de opgedane werkervaring het gebrek aan opleiding kunnen compenseren op de arbeidsmarkt. Von Bergh vond bij de aanpassing van de richtlijn in 2008 geen effecten (voor deze groepen); dat kan volgens haar ermee te maken hebben dat er in feite niet veel veranderde voor de hoger opgeleiden: vóór de aanpassing moesten ze ook al na een jaar al onder hun opleidingsniveau solliciteren; wo’ers tot op mbo-niveau en hbo’ers tot op vmbo-niveau. De verplichting om ook banen zonder kwalificatie-eisen te accepteren voegt dan volgens haar niet zo veel toe. De werkloze is ook niet verplicht om onder het eigen opleidingsniveau te solliciteren. Er is slechts de plicht per vier weken vier sollicitatie-activiteiten te verrichten. In de praktijk blijkt dat men sollicitatie-activiteiten gewoon op het eigen opleidingsniveau kan blijven doen.2