Einde inhoudsopgave
Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (FM nr. 171) 2021/1.1
1.1 Inleiding
Mr. dr. G.C. van der Burgt, datum 29-11-2021
- Datum
29-11-2021
- Auteur
Mr. dr. G.C. van der Burgt
- JCDI
JCDI:ADS491494:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting (V)
Voetnoten
Voetnoten
Het begrip onderneming laat zich afhankelijk van de context op verschillende manieren definiëren. Hier doel ik op de betekenis in het spraakgebruik. Van Dale, Groot Woordenboek van de Nederlandse Taal (digitale editie), geeft onder meer de volgende definitie: ‘op winst gericht bedrijf dat voor eigen risico werkt’.
Zo wordt in Kamerstukken II 2007/08, 31 334, nr. 3, p. 2, opgemerkt dat bij de ‘nulmeting administratieve lasten voor nationale fusies 2005’ is uitgegaan van ongeveer 600 splitsingen van NV’s en BV’s per jaar. In Kamerstukken II 2009/10, 32 458, nr. 3, p. 4, is vermeld dat bij de ‘nulmeting administratieve lasten bedrijven 2008’ wordt uitgegaan van 410 splitsingen van NV’s en BV’s. Gelet op het feit dat ook andere rechtspersonen (zie hoofdstuk 2) aan een splitsing kunnen deelnemen, zal het totaalaantal splitsingen in Nederland hoger liggen.
Kamerstukken II 1995/96, 24 702, B, p. 8-9.
Wet van 17 juni 1998, Stb. 1998, 350.
In de Wet OB 1968 is geen expliciet voorschrift gewijd aan de splitsing. Zie Cornielje 2016, met name hoofdstuk 7, voor een uitgebreid onderzoek naar fusies en overnames in de Europese BTW met aandacht voor de splitsing.
Zie vooral art. 3.56, art. 3.95, lid 1, art. 4.16, lid 1, onderdeel d, art. 4.41, lid 2 en art. 4.42, lid 2, Wet IB 2001. Deze regels kunnen ook relevant zijn voor buitenlandse belastingplichtigen ex art. 2.1, lid 1, onderdeel b en hoofdstuk 7 Wet IB 2001.
Zie met name art. 3a, lid 2 t/m 4 en lid 6-7, Wet DB 1965.
Art. 15, lid 1, onderdeel h, Wet BRV 1970. De splitsing is vervolgens nader uitgewerkt in art. 5c UB BRV 1971.
In art. 7 t/m 10 UR S&E speelt de splitsing overigens wel een (expliciete) rol. Het gaat daar over de wisselwerking met de bedrijfsopvolgingsregeling van art. 35b t/m 35f SW 1956.
Herstructureringen en (interne) reorganisaties van ondernemingen1 zijn aan de orde van de dag. Daarbij hebben ondernemingen de beschikking over diverse, al dan niet juridische, instrumenten. Eén daarvan is de splitsing, een rechtsfiguur aan de hand waarvan deconcentratie van vermogen plaatsvindt. Het Nederlandse civiele recht bevat sinds 1 februari 1998 regels voor splitsingen. Daarmee is de splitsing nationaalrechtelijk een relatief jong fenomeen. Uit de wetsgeschiedenis kan, kort samengevat, worden afgeleid dat de regeling voorziet in een alternatief voor ingewikkelde economische splitsingsvormen, waarbij een civielrechtelijke inbedding zowel door het bedrijfsleven als door de politiek als wenselijk werd ervaren.2 De Nederlandse civiel-juridische splitsingsregels zijn gecodificeerd in art. 2:334a BW t/m art. 2:334ii BW. Van de splitsing wordt in de Nederlandse praktijk inmiddels veelvuldig gebruikgemaakt, waarmee duidelijk is dat deze rechtsfiguur in een grote behoefte voorziet.3
In eerste instantie werd ervoor gekozen om de fiscale implicaties van splitsingen in het civielrechtelijke wetsvoorstel met kamerstuknummer 24 702 onder te brengen. Dit resulteerde echter in kritiek van de Raad van State.4 Daarom werd de fiscale begeleiding ondergebracht in een apart fiscaal wetsvoorstel.5 Deze fiscale regels zijn bij Wet van 17 juni 1998 met terugwerkende kracht tot 1 februari 1998 in werking getreden.6 Hoewel de fiscale splitsingsregels na 1 februari 1998 zijn gewijzigd, is de basis in 1998 gelegd. De volgende heffingswetten bevatten op dit moment specifiek op de splitsing toegespitste regels:7
Wet IB 2001;8
Wet VPB 1969;9
Wet DB 1965;10
Wet BRV 1970;11
Wet LB 1964.12
Wat betreft de heffing van schenkbelasting rijst de vraag of een splitsing in bepaalde gevallen kwalificeert als een belaste schenking in de zin van art. 1, lid 7, SW 1956. Mocht dat het geval zijn, dan is niet zozeer de splitsing als rechtshandeling relevant, maar het gegeven dat in die rechtshandeling de belaste schenking besloten ligt. De SW 1956 bevat dan ook geen specifiek op de splitsing toegesneden voorschriften.13