De bevrijdende verjaring
Einde inhoudsopgave
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/15.1:15.1 Inleiding
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/15.1
15.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. J.L. Smeehuijzen, datum 22-04-2008
- Datum
22-04-2008
- Auteur
mr. J.L. Smeehuijzen
- JCDI
JCDI:ADS367801:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Ik laat hier even de rechtvaardiging van, kort gezegd, verjaring 'buiten verwijt' buiten beschouwing. Daar doet de rechtsverwerkingsgedachte geen opgeld, maar is wel een andere grond te vinden voor eindige afdwingbaarheid van recht. Zie § 9.3.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Men zou met enige overdrijving kunnen stellen dat de termijn het enige onderdeel van een verjaringsregeling is dat we werkelijk nodig hebben. Voor verjaring op zichzelf, in de zin dat een recht op enig moment wegens tijdsverloop niet meer afdwingbaar is, volstaat de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. Het is in strijd met de redelijkheid en billijkheid, gelet op de nadelige invloed van tijdsverloop op de bewijs- en rechtszekerheidspositie van de debiteur, een recht uit te oefenen nadat men nodeloos een bepaalde termijn heeft laten verstrijken1
Zonder verjaringsregeling zou de vraag zijn: wat is dan die 'bepaalde termijn'? Het is voor de rechtspraktijk uitermate ongelukkig als die termijn niet gegeven is, omdat die dan van geval tot geval door de rechter moet worden vastgesteld. Dat geeft grote onzekerheid, omdat de lengte van de termijn zich maar beperkt laat beredeneren. Tegelijkertijd biedt de beperkte 'normatieve betekenis' van de lengte van een termijn aan de wetgever de kans een algemene termijn te stellen zonder onrecht te doen in de individuele rechtsverhoudingen. Anders gezegd: de reden waarom het ongelukkig is dat de rechter per geval de lengte van de termijn moet bepalen, is dezelfde die de wetgever in staat stelt die termijn wél te stellen.
De beslissende kracht van het woord van de wetgever in het 'waardevrije' gebied van de termijnen komt onder andere tot uiting in de rechtspraak. Er zijn talloze uitspraken waarin het aanvangsmoment van de termijn onderwerp van discussie is. Er is niet één uitspraak waarin de lengte van de termijn onderwerp van discussie is. Dat komt doordat het aanvangsmoment van de termijn normatief is bepaald, en de lengte van de termijn niet.
Niettegenstaande het voorgaande zal echter direct duidelijk zijn dat de lengte van een termijn toch ook weer niet helemaal blind kan worden bepaald. Het is niet helemáál als in het verkeer, waar een keuze gemaakt moet worden tussen links rijden en rechts rijden en de vraag wát men kiest er in het geheel niet toe doet. Een verjaringstermijn is dan wel niet beredeneerbaar tot op de week of op de maand, misschien zelfs niet tot op het jaar, maar daarna beginnen zich wellicht toch argumenten af te tekenen.
Die argumenten tracht ik in deze paragraaf te vinden. Om direct tot de kern te komen: zij voeren mij tot de conclusie dat, nu het aanvangsmoment van de termijn afhankelijk is van het vermogen van de crediteur te ageren, een periode van vijf jaar te lang is. Ondanks dat een verjaringstermijn in zekere zin slechts marginaal toetsbaar is, zal worden bepleit dat een termijn van drie jaar te prefereren is. Ook wijd ik in deze paragraaf enkele — minder veranderingsgezinde — woorden aan de lengte van onze objectieve termijn.