Einde inhoudsopgave
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/IV.3.4.1
IV.3.4.1 Inleiding
mr. T.R. Bleeker LLM, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. T.R. Bleeker LLM
- JCDI
JCDI:ADS460380:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Dit argument werd voor het eerst door de Hoge Raad genoemd in HR 20 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC4959, NJ 2009/21, m.nt. Maeijer & Snijders (Willemsen/NOM), r.o. 5.3, en is herhaald in onder meer HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2627, NJ 2015/22, m.nt. Van Schilfgaarde (RCI Financial Services), r.o. 4.2.
Kroeze 2005.
Kroeze 2005, par. 5.
Kroeze 2005, par. 4-8. Zie voorts Assink 2007, par. I.3, m.n. 3.d.
Van Solinge e.a. 2017, p. 3; de auteurs concluderen op basis van een hele reeks bijdragen dat het creëren van persoonlijke aansprakelijkheidsrisico’s om onwenselijk bestuurlijk gedrag te voorkomen zonder dat bonafide bestuurder onnodig worden bang gemaakt, het ‘kernpunt’ is van het bestuurdersaansprakelijkheidsrecht.
Voorstanders zijn o.a. Timmerman, Van Bekkum en Assink. Kritiek komt in het bijzonder van Westenbroek, maar ook Karapetian, Strik, Verstijlen, Van Schilfgaarde, Van Dunné, Van Veen, Tjittes e.a. Ook kritisch: Hammerstein 2021. Zie voor een overzicht van de voor- en tegenstanders van de ernstig verwijt-toets met vindplaatsen Westenbroek 2018c.
Bestuurdersaansprakelijkheid kent veel verschijningsvormen. Ik ga in deze bijdrage niet in op interne aansprakelijkheid. Niettemin zal het belangrijkste deel van de kritiek op het bange bestuurders-argument mutatis mutandis ook relevant zijn in de context van andere vormen van bestuurdersaansprakelijkheid dan de hier besproken onrechtmatige daad-variant.
De tweede grond die de Hoge Raad geeft in het Hezemans Air-arrest ter rechtvaardiging van de hogere aansprakelijkheidsdrempel voor bestuurders is het ‘maatschappelijk belang dat wordt voorkomen dat bestuurders hun handelen in onwenselijke mate door defensieve overwegingen laten bepalen’.1 Dit tweede argument is te herleiden tot de invloedrijke oratie van Kroeze, waarin hij pleitte voor terughoudendheid in het aansprakelijk stellen van bestuurders, om ‘bange bestuurders’ te voorkomen.2
Dit zogenoemde bange bestuurders-argument komt erop neer, dat (te) veel aansprakelijkheid ertoe leidt dat bonafide bestuurders zich in onwenselijke mate risicomijdend zullen gedragen. In de woorden van Kroeze destijds: “bestuurders kunnen terugdeinzen voor risicovolle, maar potentieel zeer winstgevende beslissingen en kiezen voor de veiliger, maar minder winstgevende weg.”3 Ook zou de aansprakelijkheid leiden tot belemmerend indekgedrag. Een hoge aansprakelijkheidsdrempel zou een daadkrachtig, risico-nemend bestuur moeten faciliteren en zo ondernemerschap bevorderen. Dit zou vervolgens weer leiden tot economische groei en werkgelegenheid.4
Inmiddels wordt door sommigen het tegengaan van onwenselijk defensief gedrag van bestuurders zelfs gezien als een ‘kernpunt’ van het bestuurdersaansprakelijkheidsrecht.5 De ‘ernstig verwijt’-maatstaf zou daartoe een goed middel zijn. Tegelijkertijd oogsten zowel het bange bestuurders-argument als de ernstig verwijt-maatstaf veel kritiek.6 In deze paragraaf ga ik in op de vraag of het bange bestuurders-argument kan rechtvaardigen dat bestuurders jegens derden worden beschermd tegen aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad.7 Dit doe ik door het bange-bestuurdersargument te ontrafelen: ik breng de onderliggende aannames in kaart, en vervolgens beoordeel ik per aanname of deze feitelijk juist is en in logisch correct verband staat met de conclusie dat een hogere aansprakelijkheidsdrempel in de vorm van de ernstig verwijt-maatstaf noodzakelijk is om onwenselijk defensief gedrag van bange bestuurders te voorkomen.