Aftrek van BTW als (belaste) omzet ontbreekt
Einde inhoudsopgave
Aftrek van BTW als (belaste) omzet ontbreekt (FM nr. 134) 2010/5.5.6.8:5.5.6.8 Gevolgen van de wijziging van art. 15 wet per 1 januari 2007
Aftrek van BTW als (belaste) omzet ontbreekt (FM nr. 134) 2010/5.5.6.8
5.5.6.8 Gevolgen van de wijziging van art. 15 wet per 1 januari 2007
Documentgegevens:
dr. S.T.M. Beelen, datum 01-03-2010
- Datum
01-03-2010
- Auteur
dr. S.T.M. Beelen
- JCDI
JCDI:ADS304300:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Europees belastingrecht / Richtlijnen EU
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie Verslag van de vaste commissie voor Financiën, Kamerstuk 30 804, C, blz. 27.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Bij de behandeling van het Belastingplan 2007 is de kwestie van de aftrek van voorbelasting die drukt op kosten die betrekking hebben op de aan- en verkoop van deelnemingen op verschillende momenten aan de orde geweest. In de vaste commissie voor Financiën van de Eerste Kamer merken leden van de CDA-fractie het volgende op1:
Vermeldenswaard is in dit geval nog wel dat met de nieuwe, meer richtlijnconforme opzet van artikel 15, eerste lid, van de Wet OB – gericht op de uitbreiding van het recht op aftrek van voorbelasting wat betreft goederen/ diensten bestemd voor bijzondere doeleinden – tevens wordt bereikt dat het niet langer mogelijk is om de voorbelasting af te trekken ter zake van handelingen die weliswaar ‹in het kader van de onderneming› (de huidige formulering van artikel 15, eerste lid) worden verricht, maar die buiten het toepassingsbereik van de BTW plaatsvinden en dus geen recht op vooraftrek zouden mogen geven. Volgens de Hoge Raad (arrest van 9 juli 2004, nr. 38 026, V-N 2006.35.21) is de verkoop van aandelen weliswaar een handeling in het kader van de onderneming, maar is de verkoop van aandelen niet aan te merken als een economische activiteit (de verkoop van aandelen is volgens de Hoge Raad dus geen belastbare – belaste of vrijgestelde – dienst). Het lijkt er derhalve op, zo merken deze leden op, dat als gevolg van de wetswijziging het arrest van de Hoge Raad wordt achterhaald.
De minister reageert hier bevestigend op:
Het is juist, deze leden vragen daarnaar, dat de wijziging van artikel 15, eerste lid, eerste volzin, slotzinsnede (prestaties die ‹worden gebruikt voor belaste handelingen› in de plaats van prestaties die ‹worden gebezigd in het kader van zijn onderneming›) betekent dat de in rekening gebrachte BTW voor advieskosten en dergelijke inzake aan-/verkoop van deelnemingen, in beginsel niet aftrekbaar is. De richtlijnconforme aanpassing van die slotzinsnede noodzaakt tot die conclusie (Nota naar aanleiding van het verslag, kamerstuk 30804, nr. D, onder artikel VIII).
De CDA-fractie neemt daar niet zonder meer genoegen mee en stelt het onderwerp nog een keer aan de orde bij de mondelinge behandeling van het Belastingplan op 12 december 2006:
Dan is er nog een onduidelijkheid ontstaan naar aanleiding van het antwoord van de minister in de nota naar aanleiding van het verslag op de vraag of de wijziging van artikel 15, eerste lid, slotzin, Wet omzetbelasting met de opmerking, dat het juist is dat deze richtlijnconforme aanpassing noodzaakt tot de conclusie dat de in rekening gebrachte btw voor advieskosten en dergelijke inzake aan- en verkoop van deelnemingen, in beginsel niet aftrekbaar is. Deze reactie wekt de indruk dat sprake is van een inhoudelijke wijziging ten opzichte van de huidige situatie. Kan de minister uitleggen waarom de bedoelde wetswijzigingen deze btw-behandeling zou wijzigen? Ons bereiken geluiden uit de praktijk dat daar geen reden voor zou hoeven te zijn. Ik verwijs onder andere naar de uitspraak van het Hof van Justitie van de EG in de zaak C-16/00 (Cibo). Om mogelijke misverstanden te voorkomen, is een nadere uitleg voor de praktijk gewenst.
Vervolgens blijkt de minister bij de beantwoording toch weer een ander standpunt te hebben:
Ik kom vervolgens bij de vraag wanneer omzetbelasting aftrekbaar is in het kader van advieskosten of verwervingskosten inzake de aan- en verkoop van deelnemingen. Hierover schijnt een fantastische casuïstiek te bestaan. Het verhaal is dan dat de aftrekbaarheid van de omzetbelasting zeer afhankelijk is van feitelijke omstandigheden en dat soms van een wijziging sprake kan zijn. Nu wordt het Cibo-arrest toegepast en wij blijven dat ook toepassen, ook bij de nieuwe wettekst conform de richtlijn. Wij kunnen dus niet spreken van een wijziging op dit punt. In het algemeen geldt dat men in de nieuwe opzet van de wet beter dan voorheen de jurisprudentie van het Hof van Justitie met betrekking tot het aftrekrecht kan toepassen. Men begrijpt wat ik zeg en daar ben ik heel blij mee, want ik doe dat niet.
Evenals uiteindelijk de minister, ben ik van mening dat de wetswijziging per 1 januari 2007 geen gevolgen heeft voor de hier aan de orde zijnde problematiek. Zoals ik al eerder heb opgemerkt heeft de Hoge Raad zich in BNB 2003/197 en BNB 2004/363 niet op de systematiek van het Nederlandse aftreksysteem beroepen maar heeft hij zich volledig gebaseerd op de door het Hof van Justitie EU ontwikkelde doctrine. De wijziging van art. 15 wet heeft uiteraard niets veranderd aan deze door het Hof van Justitie EU ontwikkelde doctrine.