Einde inhoudsopgave
Bestuurdersaansprakelijkheid in theorie (IVOR nr. 108) 2017/4.2
4.2 Oorsprong: Het Schenkelaars Muziekinstrumentenfabriek-arrest en het Debrot-arrest
mr. W.A. Westenbroek, datum 01-09-2017
- Datum
01-09-2017
- Auteur
mr. W.A. Westenbroek
- JCDI
JCDI:ADS349738:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
A-G Remmelink verwees in zijn conclusie bij voormeld arrest naar dit artikel, maar blijkens het arrest heeft de Hoge Raad die verwijzing niet overgenomen.
Zoals gewijzigd per wet van 20 juli 1967, Stb. 396. Het artikel is later gewijzigd bij wet van 28 december 1989, Stb. 616 en nog later gewijzigd en hernummerd bij Wet van 6 juni 1996, Stb. 406 tot het huidige art. 7:658 BW (geldend vanaf 1 april 1997). Art. 7:658 BW heeft dezelfde strekking, maar is tekstueel grondig veranderd. Volgens deze bepaling heeft de werkgever een zorgplicht jegens de werknemer en bestaat een risicoaansprakelijkheid voor de werkgever voor schade van de werknemer in de uitoefening van zijn functie, tenzij deze schade van de werknemer een gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid bij de werknemer.
HR 27 juni 1975, NJ 1976, 81 m.nt. G.J. Scholten (Schenkelaars Muziekinstrumentenfabriek), later herhaald in HR 9 januari 1987, NJ 1987, 948 m.nt. P.A. Stein, HR 6 maart 1987, NJ 1987, 533, HR 22 maart 1991, NJ 1991, 420 en HR 27 maart 1992, NJ 1992, 496 m.nt. P.A. Stein (Buigcentrale Nederveen).
HR 4 februari 1983, NJ 1983, 543 m.nt. P.A. Stein (Debrot).
De oorsprong van de ernstigverwijtmaatstaf kan gevonden worden in het arbeidsrecht van eind jaren zeventig, begin jaren tachtig. Het toen luidende art. 7A:1639 BW (oud) bepaalde – kort gezegd – dat de werknemer zijn arbeid naar beste vermogen diende te verrichten:1
“De arbeider is verplicht den bedongen arbeid naar zijn beste vermogen te verrichten. Voor zoover aard en omvang van den te verrichten arbeid niet bij overeenkomst of reglement zijn omschreven, beslist daaromtrent het gebruik.”
Daarnaast bestond art. 7A:1638x BW (oud) (thans 7:658 BW) dat zag op de aansprakelijkheid van de werkgever jegens de werknemer. Dat artikel luidde destijds:2
“De werkgever is verplicht de lokalen, werktuigen en gereedschappen, waarin of waarmede hij den arbeid doet verrichten, op zoodanige wijze in te richten en te onderhouden, alsmede omtrent het verrichten van den arbeid zoodanige regelingen te treffen en aanwijzingen te verstrekken, dat de arbeider tegen gevaar voor lijf, eerbaarheid en goed zoover beschermd is, als redelijkerwijze in verband met den aard van den arbeid gevorderd kan worden.
Zijn die verplichtingen niet nagekomen, dan is de werkgever gehouden tot vergoeding der schade aan den arbeider dientengevolge in de uitoefening zijner dienstbetrekking overkomen, tenzij door hem het bewijs wordt geleverd, dat die niet-nakoming aan overmacht, of die schade in belangrijke mate mede aan grove schuld van den arbeider is te wijten.
Indien de arbeider, ten gevolge van het niet nakomen dier verplichtingen door den werkgever, in de uitoefening zijner dienstbetrekking zoodanig letsel heeft bekomen, dat daarvan de dood het gevolg is, is de werkgever jegens den overblijvende echtgenoot, de kinderen of de ouders van den overledene, die door zijnen arbeid plegen te worden onderhouden, verplicht tot schadevergoeding, tenzij door hem het bewijs wordt geleverd, dat die niet- nakoming aan overmacht, of de dood in belangrijke mate mede aan grove schuld van den arbeider is te wijten.
Elk beding, waardoor deze verplichtingen des werkgevers zouden worden uitgesloten of beperkt, is nietig.”
In het arrest Schenkelaars Muziekinstrumentenfabriek3 uit 1976 overwoog de Hoge Raad dat van grove schuld in de zin van deze bepaling alleen sprake kan zijn als:
“rekening houdend met alle omstandigheden van het geval – de schuld van de arbeider zo ernstig is, dat daartegenover de tekortkoming van de werkgever in de nakoming van zijn verplichtingen als bedoeld in art. 1638x lid 1 in het niet valt.”
Een bepaling over aansprakelijkheid van de werknemer jegens de werkgever voor de behoorlijke vervulling van zijn taak bestond toen echter niet. Toen de Hoge Raad in het op 4 februari 1983 gewezen Debrot-arrest4 zich moest uitlaten over deze aansprakelijkheid, zocht hij blijkens de bewoordingen uit dat arrest dan ook aansluiting bij voormeld art. 7A:1638x BW (oud) en voormeld Schenkelaars Muziekinstrumentenfabriek-arrest:
“Een werknemer kan (…) voor door hem in de vervulling van zijn dienstbetrekking aan de werkgever toegebrachte schade eerst aansprakelijk zijn indien hem ter zake, alle omstandigheden van het geval in aanmerking genomen, een ernstig verwijt valt te maken.”
Op basis van art. 7A:1638x BW (oud) en voormelde jurisprudentie kon geredeneerd worden dat de werknemer niet aansprakelijk was voor door hem veroorzaakte schade van de werkgever, tenzij sprake was van grove schuld aan de zijde van de werknemer. De Hoge Raad hanteerde daarvoor in het Debrot-arrest voor het eerst de term ‘ernstig verwijt’, welke term is terug te voeren op de terminologie gebruikt in het Schenkelaars Muziekinstrumentenfabriek-arrest (‘de schuld zo ernstig is’).