Einde inhoudsopgave
Platformisering, algoritmisering en sociale bescherming (MSR nr. 78) 2021/8.3.2
8.3.2 Direct en indirect onderscheid bij personeelsselectie
Willemijn Roozendaal & Marko Jovović, datum 01-05-2021
- Datum
01-05-2021
- Auteur
Willemijn Roozendaal & Marko Jovović1
- JCDI
JCDI:ADS288402:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Algemeen
Sociale zekerheid algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Marko Jovović is advocaat bij Stibbe en staat in die hoedanigheid verschillende online platforms bij.
Zie de AWGB, WGBM/V, WGBL, en de WGBHCZ. Het verbod van onderscheid op grond van contractvormen (deeltijdarbeid en bepaalde tijd, art. 7:648 en 649 BW) is niet van toepassing op werving en selectie. Discriminatie kan ook plaatsvinden op grond van andere kenmerken dan de expliciet in de AWGB en de Europese richtlijnen genoemde gronden, en dan verboden zijn op grond van algemene discriminatieverboden zoals art. 26 IVBPR. In art. 21 Handvest van de grondrechten van de EU inzake non-discriminatie worden naast de genoemde gronden nog meer gronden genoemd, namelijk kleur, sociale afkomst, genetische kenmerken, taal, vermogen en geboorte. Deze zijn niet uitgewerkt in Europese richtlijnen. De toetsing aan deze verdragen laten wij vanwege de omvang van deze bijdrage verder buiten beschouwing.
Zie daarover paragraaf 8.4.
CRM 2015-94; CRM 2013-158; CGB 2002-119; zie verder Vas Nunes 2018, p. 280.
Art. 2 lid 2 sub a; art. 2 lid 4 sub a; art. 2 lid 5 sub b; art. 2 lid 4 sub b; en art. 5 lid 2 AWGB, en Besluit beroepsactiviteiten waarvoor het geslacht bepalend kan zijn, Stb. 2005, 529.
Art. 7 Kaderrichtlijn 2000/78 biedt lidstaten een ruimere mogelijkheid dan waarvoor de Nederlandse wetgever heeft gekozen.
HvJ EG 17 oktober 1995, C-450/93, ECLI:EU:C:1995:322 (Kalanke); HvJ EG 11 november 1997, C-409/95, ECLI:EU:C:1997:533 (Marschall); HvJ EG 28 maart 2000, C-158/97, ECLI:EU:C:2000:163 (Badeck); HvJ EG 6 juli 2000, C-407/98, ECLI:EU:C:2000:367 (Abrahamsson). Het CRM staat verdergaande voorkeursbehandeling in uitzonderingsgevallen toe. Zie nader Westerbeek 2014 en CRM 2020-53 (voorkeursbeleid TU/e).
HvJ EG 6 juli 2000, C-407/98 (Abrahamsson).
CRM 2020-53 (voorkeursbeleid TU/e), onder verwijzing naar HvJ EG 28 maart 2000, C-158/97 (Badeck).
O.a. HvJ EG 31 maart 1981, C-96/8 (Jenkins); HvJ EG 13 mei 1986, C-170/84, ECLI:EU:C:1986:204 (Bilka); HvJ EG 13 juli 1989, C-171/88, ECLI:EU:C:1989:328 (Rinner).
HvJ EG 13 mei 1986, C-170/84 (Bilka).
HvJ EU 18 november 2010, C-250 en 268/09, ECLI:EU:C:2010:699 (Georgiev); HvJ EG 5 maart 2009, C-388/07, ECLI:EU:C:2009:128 (Age Concern); HvJ 20 maart 2003, C-187/00, ECLI:EU:C:2003:168 (Kutz/Bauer).
HvJ EG 1 juli 1986, C- 237/85, ECLI:EU:C:1986:277 (Rummler); HvJ EG 17 oktober 1989, C-109/88, ECLI:EU:C:1989:383 (Danfoss). Zie ook Vas Nunes 2018, paragraaf 8.1.3; CGB 1999-6.
Zie HvJ EG 1 juli 1986, C-237/85 (Rummler).
Zie HvJ EG 17 oktober 1989, C-109/88, (Danfoss); HvJ EG 31 mei 1995, C-400/93, ECLI:EU:C:1995:155 (Royal Copenhagen); HvJ EG 11 mei 1999, C–309/97, ECLI:EU:C:1999:241 (Wiener Gebietskrankenkasse); HvJ EG 26 juni 2001, C-381/99 (Brunhofer); HvJ EG 3 oktober 2006, C-17/05, ECLI:EU:C:2006:633 (Cadman). Bij de factoren flexibiliteit en opleiding moet de werkgever aantonen dat dit van belang is voor het verrichten van een specifieke taak.
Taaleisen: HvJ EU 18 oktober 2017, C-409-16, ECLI:EU:C:2017:767 (Kalliri/Esoterikon). HvJ EU 5 februari 2015, C-317/14, ECLI:EU:C:2015:63 (EC/België); art. 3 lid 1 Verordening nr. 492/2011. Zie ook Vas Nunes 2018, p. 312-313. Religieuze beperkingen: Hof ’s-Gravenhage 10 april 2012, JAR 2012/130; CRM 2017-74; CGB 1997-46; CGB 2000-13. Zie ook EHRM 15 januari 2013, JAR 2013/55 (Ladele).
HvJ EG 28 maart 2000, C-158/97 (Badeck).
CRM 2013-33.
HvJ EG 24 februari 1994, C-343/92 (Roks e.a.), punt 35; HvJ EG 17 juni 1998, C-243/95 (Hill), r.o. 40.
HvJ EG 17 juni 1998, C-243/95 (Hill), r.o. 38.
Direct onderscheid
Wie kandidaten gelijk wil behandelen, moet uitsluiten dat de selectie plaatsvindt op grond van bepaalde verboden kenmerken. Vooropgesteld wordt dat geen enkele werkgever kandidaten zal selecteren op grond van een enkel kenmerk (zoals geslacht). Er zal altijd sprake zijn van een samenstel van kenmerken, zoals opleiding, ervaring en vaardigheden. De werkgever kiest welke kenmerken relevant zijn en hoe zwaar ze wegen. Dit samenstel van relevante kenmerken en het daaraan te hangen ‘gewicht’ duiden wij hierna aan als ‘afwegingskader’.
Directe discriminatie bij selectie is in beginsel verboden. Naar huidig recht betreft dit verbod in ieder geval de gronden godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht, nationaliteit, hetero- of homoseksuele gerichtheid of burgerlijke staat, chronische ziekte of handicap, en leeftijd.2 Die mogen dus niet worden opgenomen in het afwegingskader. Het discriminatieverbod impliceert niet dat het verboden is om de betreffende kenmerken te registreren,3 al kan het vragen daarnaar wel de indruk wekken dat het antwoord op de vraag van belang is voor de uitslag.4 Voor sommige van de verboden kenmerken is het heel gebruikelijk om deze te vermelden bij sollicitaties of het maken van een account op een platform, zoals geslacht, leeftijd5 en nationaliteit.
Een uitzondering op het verbod kan voor een beperkt aantal functies gelden in verband met de aard van de betrokken specifieke beroepsactiviteit.6 Een wat algemener inzetbare uitzondering is voorkeursbehandeling. Dit is naar Nederlands recht7 mogelijk voor vrouwen, leden van een etnische of culturele minderheid en chronisch zieken en gehandicapten.8 Bij voorkeursbehandeling mogen de beschermde kenmerken ten voordele van de historisch gezien benadeelde groep meewegen in het afwegingskader. Deze mogelijkheid wordt restrictief uitgelegd.9 Er moet sprake zijn van een objectieve beoordeling van elk individueel geval.10 Recentelijk overwoog het College voor de Rechten van de Mens (CRM) dat (dwingende) quota met absolute voorrang voor vrouwen onder omstandigheden kunnen zijn geoorloofd als sprake is van een hardnekkige en structurele achterstandspositie van vrouwen, mits dit ook gelet op de overige concrete omstandigheden van het geval gerechtvaardigd is.11
Indirect onderscheid
Van indirect onderscheid is sprake als een ogenschijnlijk neutrale bepaling, maatstaf of handelwijze personen met een bepaald beschermd kenmerk, in vergelijking met andere personen, bijzonder treft (art. 1 lid 1 sub c AWGB). Of hier sprake van is, is niet eenvoudig aan te tonen, en zeker niet in het geval van personeelsselectie.
Indirect onderscheid is verboden, tenzij het onderscheid objectief gerechtvaardigd wordt door een legitiem doel en de middelen voor het bereiken van het doel passend en noodzakelijk zijn (art. 2 lid 1 AWGB). Het doel moet geen verband houden met discriminatie.12 Volgens het klassieke Bilka-arrest volstaat als legitiem doel voor werkgevers een ‘werkelijke behoefte van de onderneming’.13 Het doel van een selectieprocedure, het selecteren van een geschikte kandidaat voor een vacature, is zonder meer legitiem. Maar of een bepaalde selectiebeslissing rechtmatig is, zal afhangen van het specifieke systeem dat is ingezet. Het Hof van Justitie overweegt regelmatig dat de objectieve rechtvaardiging specifiek en nauwkeurig moet zijn.14
Om een vermoeden van onderscheid te weerleggen moet de werkgever een inzichtelijke, controleerbare en systematisch toegepaste set van criteria hanteren, zo kan worden afgeleid uit jurisprudentie over beloningssystemen.15 Een set van criteria moet in zijn geheel worden beoordeeld.16 Daaruit kan worden afgeleid dat ook de onderlinge verhouding tussen die criteria moet worden gerechtvaardigd. Welke criteria kunnen daarbij gerechtvaardigd zijn? Economisch rationele factoren worden door het Hof doorgaans geaccepteerd. Voorbeelden zijn opleiding, productiviteit, flexibiliteit, anciënniteit en de kwaliteit van het werk.17 Onderscheid op gronden die rechtstreeks nadelig kunnen uitpakken voor bepaalde beschermde groepen, zoals taalbeheersing, inzetbaarheid in verband met religieuze beperkingen of fysieke kracht, is ook gerechtvaardigd, mits de eisen relevant zijn voor de functie.18 De werkgever is uiteraard niet verplicht om gebruik te maken van dergelijke criteria. Het staat hem zelfs vrij om, bij het zoeken naar een kandidaat, ervaringen of kenmerken positief te waarderen die vooral bij achtergestelde groepen voorkomen.19
Een beperkt aantal gronden voor onderscheid is afgewezen. Eisen die niet duidelijk gerelateerd zijn aan een functie, zoals geen uitkering ontvangen, zijn niet gerechtvaardigd.20 Ook budgettaire overwegingen vormen geen rechtvaardiging voor onderscheid.21 Bij selectie zal, naar analogie, niet op het laatstverdiende loon of financiële situatie geselecteerd kunnen worden, als dat geen verband heeft met de productiviteit in de functie waarvoor wordt geselecteerd. Argumenten voor het maken van beloningsonderscheid die lastig te objectiveren zijn, zoals het bevorderen van loyaliteit of ‘de motivatie, moreel en inzet van het personeel’ werden niet geaccepteerd.22 Het Hof zal gelet daarop kritisch zijn op subjectieve argumenten bij selectie, zoals dat er ‘een klik’ moet zijn, of dat iemand ‘moet passen binnen de bedrijfscultuur’, tenzij de werkgever erin slaagt dit op niet-discriminatoire wijze te objectiveren.