Verbondenheid in het belastingrecht
Einde inhoudsopgave
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/1.4.4:1.4.4 Uniformiteit
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/1.4.4
1.4.4 Uniformiteit
Documentgegevens:
Dr. R.N.F. Zuidgeest, datum 20-11-2008
- Datum
20-11-2008
- Auteur
Dr. R.N.F. Zuidgeest
- JCDI
JCDI:ADS610237:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting / Inkomen uit werk en woning (box 1) - niet-winst
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
J.J.M. Jansen, ‘De nieuwe doorschuiffaciliteit in de inkomstenbelasting’, WFR 2000, p. 1171.
In dezelfde zin: Redactie Vakstudie Nieuws, in de aantekening bij het besluit van 9 augustus 2007, nr. CPP2006/1883M, V-N 2007/42.24.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Hiervoor heb ik opgemerkt dat de verscheidenheid in de omschrijvingen van ‘verbondenheid’ resulteert in een onoverzichtelijk begrippenapparaat. Een belangrijke vraag in deze studie is daarom of kan worden volstaan met enkele geüniformeerde verbondenheidsbegrippen, of dat verschillende begrippen wenselijk of noodzakelijk zijn. Ook dit rechtstheoretische vraagstuk is in algemene zin aan de orde gekomen in de civiel- en fiscaalrechtelijke literatuur.
De Langen (1958) merkt in dit verband op dat ‘eenvoud in het recht’ voor de belastingplichtige een begerenswaardig goed is, omdat het overzichtelijkheid biedt en de vereiste kennis minimaliseert. Hij meent dat ‘eenheid van begrip’ de eenvoud en de kenbaarheid van het recht bevordert en dat dit in het belang is van de efficiency. In vergelijkbare zin schrijft Stevens (1980) dat consistentie van de gehanteerde begrippen en de begrijpelijkheid van wetsformules voorwaarden zijn voor een grote kenbaarheid van de wet. Overigens is dit ook het uitgangspunt in de zogenoemde ‘Aanwijzingen voor de regelgeving’.onroerende zaken verkrijgt. Dit is gemotiveerd met de opmerking dat het bedrijfspand in dat geval niet wordt overgedragen als onderdeel van een onderneming. Naar mijn mening strookt deze zienswijze echter niet met de materieel-economische werkelijkheid. Bovendien ontstaat hierdoor een behandeling die niet rechtsvorm-neutraal is. Bij zowel de overdrager als het overnemende familielid zal de terbeschikkingstellingsregeling van art. 3.92 Wet IB 2001 van toepassing zijn, waardoor het resultaat op een vergelijkbare manier in de belastingheffing wordt betrokken als dat van een ondernemer. Jansen heeft gepleit voor de toepassing van de vrijstelling van art. 3.63 Wet IB 2001 op situaties waarin ter beschikking gestelde activa overgaan in het kader van een bedrijfsoverdracht.1 In dezelfde zin zou het naar mijn mening logisch zijn om in een dergelijk geval ook de vrijstelling van art. 15 lid 1 onderdeel b WBR toe te passen.2 Hierbij luidt Aanwijzing 58 als volgt:
‘1. Hetzelfde begrip wordt niet met verschillende termen aangeduid.
2. Dezelfde term wordt niet voor verschillende begrippen gebruikt.’
De Langen vindt dat vaak een maximale oplossing kan worden gevonden door een andere, reeds bekende term aan te houden, maar met een toevoeging of verkleining van de inhoud. Dit zou naar mijn mening kunnen betekenen dat voor de verbondenheidsbegrippen een min of meer uniforme basis kan worden gehanteerd, waaraan afhankelijk van de aard en functie van de fiscale regeling extra elementen zouden kunnen worden toegevoegd om het begrip op maat te maken. In hoofdstuk 6 tot en met 11 wordt dit nader onderzocht.
De Langen wijst er ook op dat de ‘best passende inhoud’ die is toe te kennen aan een woord, kan variëren met het doel dat bij het gebruik van dat woord is beoogd. Aan dezelfde term kan volgens hem dus een andere inhoud worden gegeven voor de verschillende belastingwetten. Aansluiting heeft voordelen, maar is volgens De Langen niet dwingend. In vergelijkbare zin merkt Geppaart (1965) op dat de inhoud van rechtsbegrippen in het belastingrecht niet vastomlijnd is. Er is een wisselende inhoud mogelijk bij ‘evolutionaire begrippen’ en ‘vage normen’. Bovendien wordt de inhoud in sterke mate beïnvloed door de omstandigheden van het geval. Hij beschrijft dat het gebruik van eenzelfde term in verschillende wetten, strekkend tot de realisatie van verschillende normen, tot geheel afwijkende rechtsgevolgen kan leiden. Ik leid hieruit af dat bij uniformering van verbondenheidsbegrippen rekening moet worden gehouden met verschillen in aard en functie van fiscale regelingen.