HR, 19-01-2024, nr. 22/02976
ECLI:NL:HR:2024:54
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
19-01-2024
- Zaaknummer
22/02976
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
Beroepschrift, Hoge Raad, 19‑01‑2024
ECLI:NL:HR:2024:54, Uitspraak, Hoge Raad, 19‑01‑2024; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2022:1895
- Vindplaatsen
NDFR Nieuws 2024/120
NTFR 2024/194 met annotatie van mr. R.J. de Jong
V-N 2024/5.18 met annotatie van Redactie
NLF 2024/0254 met annotatie van Fleur Kossen
FED 2024/33 met annotatie van R.M.P.G. NIESSEN-COBBEN
Viditax (FutD) 2024011907
FutD 2024-0184
Beroepschrift 19‑01‑2024
Cassatiemiddel 1
Schending van het recht doordat het Hof heeft geoordeeld dat de Rechtbank in haar uitspraak van 15 september 2021 het beroep ongegrond heeft verklaard zulks ten onrechte dan wel op gronden die die beslissing niet kunnen dragen.
Toelichting
In deze is er volgens het Hof een vonnis gewezen op 15 september 2022.
Tegen dat vonnis in cassatie ingesteld.
Hierbij wordt als productie 1 een kopie van een brief van de Griffie van de Rechtbank Noord Holland van 11 januari 2022 ( bijna 5 maanden later) waarin wordt gesteld dat de eerder toegestuurde uitspraak gecorrigeerd is met daarachter de in de brief genoemde gecorrigeerde uitspraak.
[…] en ook die […]s gemachtigde waren bijzonder verrast.
Zij zijn daarover ook nooit geinformeerd.
[…] en zijn gemachtigde wensen op te merken dat voorzover hun kennis strekt wijzigingen alleen kunnen worden doorgevoerd nadat de belanghebbende o[…] de hoogte is gebracht en de mogelijkheid heeft gehad daarop te reageren.
Door aldus te handelen heeft de Rechtbank het in artikel 6 EVRM neergelegde gronderchet van hoor en wederhoor geschonden en kan de uitspraak alleen alom deze reden niet in stand blijven.
Cassatiemiddel 2
Schendig van het recht doordat het Hof uitspraak heeft gedaan op de gecorrigeerde uitspraak welke door […] voor het beroep in de hoofdzaak nooit was gezien, nooit aan hem was voorgehouden en nooit door hem was goedgekeurd.
Toelichting
Door aldus te handelen heeft het Hof geen uitspraak gedaan op het ingestelde beroep tegen de oorspronkelijk uitspraak waartegen dit beroep zich richt.
De uitspraak van het Hof in de bodemzaak kan ook om deze reden niet in stand blijven.
Cassatiemiddel 3
Schending van het recht doordat het Hof een uitspraak heeft gedaan terwijl er nog een wrakingsverzoek in dezelfde zaak aanhangig was.
Toelichting.
Bijgaand wordt als productie 2 een in deze door de gemachtigde van […] overgelegd wrakingsverzoek overgelegd.
Als productie 3 wordt overgelegd de reactie van de leden van het Hof in de bodemzaak op dit wrakingsverzoek.
Volgens die reactie is dat verzoek tot wraking te laat gedaan.
Als productie 4 wordt overgelegd de reactie van […] op die reactie van het Ho[…].
De wrakingskamen heeft daarop geoordeeld dat het wrakingsverzoek wel degelijk op tijd is gedaan.
Toch wordt het verzoek tot wraking afgewezen omdat inmiddels in de hoofdzaak een eindbeslissing zou zijn gegeven zulks ten onrechte.
Volgens de uitspraak in de bodemzaak was het Hof in de bodemzaak in een vroeg stadium op de hoogte van het wrakingsverzoek.
Het Hof in de bodemzaak had na kennisname van het wrakingsverzoek volgens de wet haar werkzaamheden direct dienen op te schorten totdat op het wrakingsverzoek is beslist.
Dat is niet gebeurd.
De Wrakingskamer in deze heeft derhalve het wrakingsverzoek ten onrechte afgewezen.
Cassatiemiddel 4
Volgens de uitspraak in de bodemzaak zou het onderzoek ter zitting op 8 juni 2022 hebben plaatsgevonden waarop belanghebbende en zijn gemachtigde niet zouden zijn verschenen terwijl zij tijdig en op de juiste wijze zouden zijn opgeroepen zodat volgens het Hof de zitting doorgang heeft kunnen vinden zulks ten onrechte.
Toelichting
Op 8 juni 2022 was de gemachtigde aanwezig voor de aanvang van de zitting.
Wie niet aanwezig waren waren de leden van het Hof in de bodemzaak.
De toen dienstdoende bode heeft op verzoek van de gemachtigde een ieder die ze kon bereiken gebeld en gevraagd waar de leden van het Hof waren.
Ze waren nergens […]e bekennen.
Wellicht ten overvloede wenst […] en diens gemachtigde het volgende op te merken.
Wie er op de geplande zitting wel of niet aanwezig waren is eigenlijk niet van belang.
Er was een wrakingsverzoek ingediend tegen die rechters in de bodemzaak.
Daarop was nog niet beslist.
Zoals hiervoor reeds opgemerkt had het Hof in de bodemzaak eerst op een uitspraak in de wrakingszaak moeten afwachten alvorens de bodemzaak verder te behandelen.
Cassatiemiddel 5
Schending van het recht doordat het Hof heeft geoordeeld dat zij heeft geoordeeld dat de Rechtbank gelet op het vorenstaande terecht niet toe is gekomen aan een inhoudelijke toets of eiser een substantieel gedeelte van de tij in Nederland heeft gewerkt als bedoeld in artikel 13 van de Verordening nr 883/2004
Toelichting
In r.o 15 overweegt het Hof dat bijgevolg verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft kunnen en mogen stellen dat de vrijstelling waarom eiser heeft verzocht niet moet worden toegekend.
In r.o 16 overweegt het Hof bovendien dat bij deze stand van de jurisprudentie de Rechtbank geen termen aanwezig om het onderhavige beroep aan te houden in afwachting van de uitkomst van de hiervoor verme de procedure bij de Centrale Raad van Beroep.
Gezien al het vorenstaande heeft de Rechtbank nu niet bepaaldelijk zich onthouden van een inhoudelijke toets.
Eindconclusie
Op grond van het vorenstaande is […] van oordeel dat de uitspraak van het Hof niet in stand kan blijven en dient te worden vernietigd met veroordeling van de Staatssecretaris van Financien in de kosten van juridische bijstand […]ezake van het bezwaar in deze , het beroep en het beroep in cassatie
[…]
Uitspraak 19‑01‑2024
Inhoudsindicatie
Wrakingsverzoek gedaan na het onderzoek ter zitting; einduitspraak in de hoofdzaak voordat op het wrakingsverzoek is beslist; eisen van een behoorlijke rechtspleging.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 22/02976
Datum 19 januari 2024
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 9 juni 2022, nr. 21/017111., op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. HAA 20/3695) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2016 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de voor dat jaar opgelegde aanslag in de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet, en de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door J.H. Weermeijer, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
2. Uitgangspunten in cassatie
2.1
Het onderzoek ter zitting bij het Hof heeft plaatsgevonden op 8 juni 2022. Belanghebbende en zijn gemachtigde zijn niet verschenen.
2.2
Op 8 juni 2022 heeft belanghebbende om 23:21 uur per e-mail bij de griffier van de belastingkamer van het Hof een verzoek ingediend tot wraking van de raadsheren die deze zaak behandelen (hierna: het wrakingsverzoek). Het Hof heeft op 9 juni 2022 uitspraak gedaan in de hoofdzaak, terwijl nog niet op het wrakingsverzoek was beslist.
2.3
De wrakingskamer van het Hof heeft op 25 juli 2022 uitspraak gedaan op het wrakingsverzoek. Belanghebbende is naar het oordeel van de wrakingskamer ontvankelijk in het wrakingsverzoek. De wrakingskamer heeft daartoe overwogen dat het verzoek tijdig is ingediend, in die zin dat het is ingediend voorafgaande aan de uitspraak van 9 juni 2022 en wel op een zodanig tijdstip dat de betrokken raadsheren daarvan redelijkerwijs nog kennis konden nemen. Belanghebbende heeft echter geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van de door hem aangevoerde wrakingsgronden. Na indiening van het wrakingsverzoek in deze zaak heeft het Hof immers een einduitspraak gedaan in de hoofdzaak. Dat betekent dat het met wraking beoogde doel, vervanging van de raadsheren, niet meer kan worden bereikt. Het wrakingsverzoek moet om die reden worden afgewezen, aldus de wrakingskamer.
3. Beoordeling van de middelen
3.1
Het derde en vierde middel betogen dat het Hof geen uitspraak in de hoofdzaak had mogen doen zolang het wrakingsverzoek van belanghebbende aanhangig was bij de wrakingskamer van het Hof.
3.2.1
Indien, zoals in het onderhavige geval, een wrakingsverzoek is gedaan voordat uitspraak is gedaan, dient de bestuursrechter om wiens wraking is verzocht, zich als regel te onthouden van iedere verdere bemoeienis met de zaak totdat op het wrakingsverzoek is beslist. Voor het geval waarin het wrakingsverzoek is ingediend op de zitting, bepaalt artikel 8:16, lid 5, Awb in overeenstemming met deze regel dat het onderzoek ter zitting dan wordt geschorst. Gelet op het belang van het waarborgen van een onpartijdige rechtspraak heeft deze regel ook te gelden indien het wrakingsverzoek wordt gedaan op een ander moment voor de uitspraak.2.
3.2.2
Doet het gerecht in strijd met hetgeen hiervoor in 3.2.1 is overwogen uitspraak in de hoofdzaak voordat op het wrakingsverzoek is beslist, dan vormt dat een inbreuk op de eisen van een behoorlijke rechtspleging. Indien in hogere instantie terecht erover wordt geklaagd dat deze situatie zich voordoet, kan de bestreden uitspraak daarom niet in stand blijven.
3.3
Gelet op hetgeen hiervoor in 3.2.1 is overwogen, had het Hof de uitspraak in de hoofdzaak in dit geval moeten uitstellen totdat op het wrakingsverzoek was beslist. Het Hof heeft dit veronachtzaamd.
3.4
Gelet op hetgeen hiervoor in 3.2.2 is overwogen, slagen de middelen 3 en 4 in zoverre. De uitspraak van het Hof kan niet in stand blijven. Terugwijzing moet volgen. De middelen behoeven voor het overige geen behandeling.
4. Proceskosten
De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Door het Hof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende een vergoeding moet worden toegekend voor de kosten van het geding voor het Hof, het geding voor de Rechtbank en in verband met de behandeling van het bezwaar.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof,
- wijst het geding terug naar het Gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,
- draagt de Staatssecretaris van Financiën op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald van € 136, en
- veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 3.500 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.W.C. Feteris, M.A. Fierstra, P.A.G.M. Cools en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 19 januari 2024.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 19‑01‑2024
Vgl. HR 1 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1691, rechtsoverweging 4.2.1.