Einde inhoudsopgave
Levering en verpanding (O&R nr. 90) 2016/2.3.4
2.3.4 Het Ontwerp Meijers en zijn invloed
mr. B.A. Schuijling, datum 28-01-2016
- Datum
28-01-2016
- Auteur
mr. B.A. Schuijling
- JCDI
JCDI:ADS471932:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Art. 3.4.2.10 OM, Parl. Gesch. Boek 3, p. 401.
TM, Parl. Gesch. Boek 3, p. 401.
TM, Parl. Gesch. Boek 3, p. 402.
Vgl. HR 13 februari 1936, NJ 1936/443, m.nt. E.M. Meijers (Tuschinski/GEMA) en HR 22 mei 1953, NJ 1954/189, m.nt. J. Drion (Sio). Zie nr. 20-21.
VV II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 403.
Art. 3.4.2.2 lid 3 OM (art. 3:84 lid 3 BW) en TM, Parl. Gesch. Boek 3, p. 317.
TM, Parl. Gesch. Boek 3, p. 746.
De wenselijkheid van een dergelijke regeling was als vraagpunt voorgelegd aan de Staten-Generaal. Zie Parl. Gesch. Boek 3, p. 792-796.
Art. 3.9.3.1 lid 1 OM. Geld, geldwaardige papieren en registergoederen waren overigens uitgesloten.
Art. 3.9.3.1 lid 3 OM.
VV II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 723-724.
MvA II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 731 en 762-763.
Vgl. onder meer HR 6 maart 1970, NJ 1970/433 (Van Wessem q.q./Traffic); HR 21 juni 1985, NJ 1986/306, m.nt. W.M. Kleijn (LDM/Brock); HR 18 september 1987, NJ 1988/983, m.nt. W.M. Kleijn (Berg/De Bary); alsmede HR 18 december 1987, NJ 1988/340, m.nt. W.C.L. van der Grinten (OAR/ABN).
Ook deze ontwikkeling lijkt te zijn geïnspireerd door de ontwikkelingen in de Duitse rechtspraak van die tijd. Vgl. Asser/Van Oven 2-III 1967, p. 112-113.
HR 13 maart 1959, NJ 1959/579, m.nt. L.E.H. Rutten (Van Vliet q.q./Amsterdamsche Bank).
HR 28 juni 1957, NJ 1957/514, m.nt. L.E.H. Rutten (Erba I), alsmede HR 13 maart 1959, NJ 1959/579, m.nt. L.E.H. Rutten (Van Vliet q.q./Amsterdamsche Bank). Zie hierover ook Asser/Van Oven 2-III 1967 1967, p. 112-113 en Asser/Van Oven 3-III 1978, p. 129-132. Zie voor een geval waarin een moedermaatschappij kredietverschaffer was HR 25 september 1981, NJ 1982/443, m.nt. J.M.M. Maeijer (Osby).
Vgl. HR 22 mei 1953, NJ 1954/189, m.nt. J. Drion (Sio); HR 13 maart 1959, NJ 1959/579, m.nt. L.E.H. Rutten (Van Vliet q.q./Amsterdamsche Bank); HR 6 maart 1970, NJ 1970/433, m.nt. Ph.A.N. Houwing (Van Wessem q.q./Traffic NV); HR 7 maart 1975, NJ 1976/91, m.nt. W.M. Kleijn (Van Gend & Loos); HR 21 juni 1985, NJ 1986/306, m.nt. W.M. Kleijn (LDM/Brock); HR 18 september 1987, NJ 1988/983, m.nt. W.M. Kleijn (Berg/De Bary), alsmede HR 18 december 1987, NJ 1988/340, m.nt. W.C.L. van der Grinten (OAR/ABN).
Van Mierlo 1988, p. 86; en Reehuis 1987/295-296. Zie ook Asser/Beekhuis 2-I 1957, p. 177-181; Asser/Beekhuis 3-I 1975, p. 175; Asser/Van Oven 2-III 1967, p. 93; en Asser/Van Oven 3-III 1978, p. 127-128.
Zie voor een overzicht Peter 2007, p. 71-73. Deze kwestie hield nauw verband met de discussie omtrent het bestaan en de effecten van de zogenoemde “zakelijke overeenkomst”.
HR 24 maart 1995, NJ 1996/158, m.nt. W.M. Kleijn (Hollander’s Kuikenbroederij).
26. In 1954, kort na het Sio-arrest, verscheen het ontwerp voor een nieuw Burgerlijk Wetboek en de daarbij behorende toelichting van de hand van Meijers. Wat betreft de levering van toekomstige goederen ging het wetsontwerp in tegen de rechtspraak van de Hoge Raad. Meijers nam in het ontwerp als principieel uitgangspunt dat toekomstige goederen bij voorbaat konden worden geleverd.1 Zonder veel omhaal zette Meijers de bestaande dogmatische en praktische bezwaren terzijde:
“Het bezwaar is voornamelijk van theoretische aard: hoe kan iets, wat er nog niet is, reeds worden geleverd? Echter, evenals men bij lastgeving onmiddellijk een rechtsverhouding schept, die met zich brengt, dat wat de lasthebber in de toekomst ontvangt, automatisch in het bezit en eigendom van de lastgever treedt, kan men een afspraak maken, volgens welke een goed, dat de ene partij verkrijgt, automatisch in het bezit en de eigendom van de andere partij treedt. Ook praktische bezwaren tegen deze levering van toekomstige goederen zijn er niet. Waarom mogen andere goederen, die men verplicht is te leveren, wel onmiddellijk worden geleverd en waarom zou dan ditzelfde bij toekomstige goederen niet mogen?”2
Volgens de toelichting zou bijvoorbeeld een toekomstig auteursrecht wel bij voorbaat kunnen worden geleverd. Ook toekomstige roerende zaken zouden bij voorbaat kunnen worden geleverd door middel van een constitutum possessorium.3 Het Ontwerp Meijers week hiermee uitdrukkelijk af van de rechtspraak van de Hoge Raad.4 Deze aspecten van het ontwerp werden met instemming ontvangen. In de vaste commissie voor Justitie werd waardering uitgesproken voor de opening die het ontwerp beoogde te maken. De rechter zou hierdoor beter in staat zijn om aan in het rechtsverkeer opkomende behoeften tegemoet te komen.5
Op grond van een schakelbepaling (het latere art. 3:98 BW) gold voor verpanding hetzelfde uitgangspunt: toekomstige goederen konden bij voorbaat worden verpand.6 Voor de verschaffing van zekerheid op toekomstige goederen zou de verpanding bij voorbaat de centrale figuur gaan vormen. Het ontwerp beoogde namelijk de rechterlijke erkenning van de zekerheidsoverdracht terug te draaien en daarvoor in de plaats een adequate regeling van het pandrecht in te voeren.7
Het verdient hierbij opmerking dat het Ontwerp Meijers redelijk terughoudend was met betrekking tot de goederen die voorwerp konden zijn van een stil pandrecht. Dit pandrecht kon aanvankelijk slechts worden gevestigd op tot een onderneming behorende roerende zaken en voor vorderingen wegens aan de onderneming geleverde goederen of krediet (art. 3.9.2.2 lid 1 OM) en bedrijfsvorderingen op naam, mits verpand aan een kredietinstelling (art. 3.9.2.3 OM). Volgens Meijers zou het een te groot gevaar zijn om buiten de context van een onderneming deze vormen van zekerheid toe te laten. Particulieren zouden groot nadeel ondervinden, nu schuldeisers alle zekerheid trachten te krijgen die zij kunnen krijgen, zonder zich te bekommeren om de maatschappelijke rechtvaardiging van dat handelen. De wet moest de burger beschermen tegen het te gemakkelijk in onderpand geven van onder meer zijn huisraad.8
Daarnaast bevatte het ontwerp in afdeling 3.9.3 een regeling voor de verpanding van de goederen van een onderneming in de vorm van een registerpandrecht.9 Deze figuur was bekend van regelingen zoals die destijds bestonden in België, Luxemburg en Frankrijk. Door middel van de inschrijving van een authentieke of onderhandse pandakte in de openbare registers zou men de roerende zaken die tot een onderneming van de pandgever behoren, kunnen verpanden.10 Dit registerpandrecht omvatte, zonder nadere omschrijving en zonder uitdrukkelijk beding, mede de toekomstige roerende zaken van de onderneming.11 De overige goederen die tot de onderneming van de pandgever behoorden, konden niet door middel van een aantekening in het register worden bezwaard met een zekerheidsrecht. Voor deze goederen zouden de gewone vestigingsformaliteiten gelden.12 De ontwerpregeling voor de verpanding van de handelszaak is echter nooit wet geworden. De bezwaren verbonden aan een openbaar register, zoals de administratieve rompslomp en de remmende werking van publiciteit, wogen niet op tegen de voordelen, namelijk de mogelijkheid voor andere schuldeisers om het register te raadplegen en het ontmoedigen van het opmaken van schijnakten.13 In het gewijzigd ontwerp van 1971 werd het registerpandrecht dan ook geschrapt. Haar rol werd overgenomen door het stille pandrecht dat werd ontdaan van de hiervoor genoemde beperkingen.14 Niettemin markeert het Ontwerp Meijers voor een nieuw Burgerlijk Wetboek de algemene doorbraak voor de verschaffing van zekerheid op toekomstige goederen.
27. Hoewel de voltooiing van het nieuwe wetboek nog decennia zou duren, lijkt de verschijning van het Ontwerp Meijers, in samenhang met het Sio-arrest, de definitieve ommekeer te zijn geweest voor de erkenning van de figuur in zowel de rechtspraktijk als de literatuur.
In procedures voor de Hoge Raad werd de geldigheid van de levering bij voorbaat van roerende zaken niet meer betwist. In de rechtspraak lijkt sprake te zijn geweest van een impliciete erkenning.15 De aandacht werd uiteindelijk succesvol verlegd naar de inperking van de gevolgen van een zekerheidsoverdracht van alle bestaande en toekomstige roerende zaken aan een financier voor de overige schuldeisers van de schuldenaar.16 Hier is mede van belang dat de Hoge Raad in 1959 de stelling had afgewezen dat een fiduciaire overdracht van nagenoeg alle bestaande en toekomstige goederen nietig is wegens strijd met de wet, goede zeden of openbare orde. Een nietigheidssanctie zou het wettelijk stelsel van de actio Pauliana doorkruisen. Uit dit stelsel volgt dat zelfs een paulianeuze rechtshandeling geldig is en dat een benadeelde schuldeiser in zijn belang kan worden beschermd door de rechtshandeling te zijnen behoeve te vernietigen.17 Daarnaast kwam aan de orde of een kredietverstrekker die nagenoeg alle (bestaande en toekomstige) goederen aan zich liet overdragen tot zekerheid aansprakelijk kon zijn op grond van een onrechtmatige daad jegens een schuldeiser van de zekerheidsverschaffer die praktisch geen verhaal kan nemen op diens vermogen. Volgens de Hoge Raad – in zo voorzichtig mogelijke bewoordingen – kon dit onder omstandigheden het geval zijn.18 De rechtspraak van de Hoge Raad concentreerde zich sindsdien echter vooral op de relativering van de positie van de zekerheidseigenaar in verhouding tot derden. Aan een zekerheidsoverdracht door middel van een levering c.p. werden niet alle rechtsgevolgen van een normale overdracht toegekend. Voor zover nodig mocht zijn voor de erkenning van de (verhaals)rechten van bepaalde derden met betrekking tot overgedragen goederen, kon aanleiding bestaan om de zekerheidsoverdracht buiten beschouwing te laten.19
Ook in de literatuur werd de mogelijkheid om toekomstige zaken bij voorbaat te leveren voortaan algemeen aanvaard.20 De discussie in de literatuur spitste zich vervolgens toe op de vraag naar de “contraire wil” of “zakelijke gebondenheid” van de vervreemder: kan de vervreemder door middel van een wilswijziging tussen de levering bij voorbaat en de verkrijging van de zaak een automatische overdracht aan de verkrijger voorkomen?21 Op dit punt werd het Sio-arrest verschillend uitgelegd. Het twistpunt werd overigens pas in 1995, na de inwerkingtreding van het nieuwe Burgerlijk Wetboek beslist. De Hoge Raad oordeelde dat ook naar het recht van vóór 1992, in overeenstemming met het huidige art. 3:97 lid 2 BW, de levering bij voorbaat van een toekomstig goed niet werkt tegen iemand die het goed ingevolge een eerdere levering bij voorbaat heeft verkregen. Dit geldt ook indien de vervreemder de bij voorbaat geleverde roerende zaken op het tijdstip waarop hij deze onder zich krijgt, wil gaan houden voor een ander.22 De aanhangers van de “zakelijke gebondenheid” kregen daarmee hun gelijk.
Naast de invloed op de erkenning van de levering bij voorbaat van roerende zaken, lijkt het Ontwerp Meijers een zekere anticiperende invloed te hebben gehad op de latere erkenning van de cessie van toekomstige vorderingen door de Hoge Raad in het hierna te bespreken Solleveld II-arrest.