De notaris en gelijk oversteken
Einde inhoudsopgave
De notaris en gelijk oversteken (AN nr. 184) 2024/2.3.6:2.3.6 De wil tot een wederkerige (niet) oversteek; bescherming van de verkoper
De notaris en gelijk oversteken (AN nr. 184) 2024/2.3.6
2.3.6 De wil tot een wederkerige (niet) oversteek; bescherming van de verkoper
Documentgegevens:
mr. T.J. Bos, datum 01-05-2023
- Datum
01-05-2023
- Auteur
mr. T.J. Bos
- JCDI
JCDI:ADS941802:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Gelijk aan de levering van goederen zoals een fiets, is een dergelijke discussie mogelijk bij de betaling van een koopsom. Ter illustratie hiervan is het nuttig om terug te denken aan de transactie in het woonkamerland (op 12 maart komen B en C overeen dat B aan C een fiets overdraagt en dat C aan B in ruil daarvoor een koopsom betaalt. De koopsom bedraagt acht euro). Zoals C wenst daadwerkelijk eigenaar te worden van de fiets, zo wenst B dat hij de koopsom verwerft. Laten we bovendien aannemen (a) dat al het aanwezige geld fysiek is (het girale betalingsverkeer bestaat niet) en (b) dat de inwoners van woonkamerland in totaal over honderd euro beschikken. Stel dat op 13 maart D – een schuldeiser van C – geldig beslag legt op al het geld dat C op dat moment heeft (zestien euro bijvoorbeeld). Als op 15 maart de transactie moet worden afgewikkeld, dreigt de situatie te ontstaan dat B wél de fiets levert maar daarvoor de koopsom niet ontvangt, omdat deze reeds ‘in de macht’ is van schuldeiser D.1 Een stemming (door de inwoners van woonkamerland, over de vraag of C of D aan het langste eind dient te trekken) zou daarbij goed in het voordeel van D kunnen uitpakken, omdat het voor D op 13 maart niet kenbaar was dat C zijn geld wilde ruilen voor de fiets. Bovendien geldt het argument dat slechts één persoon belang heeft bij die specifieke fiets niet langer; zowel D als B zijn uit op geld. Het is echter goed mogelijk dat de stemming toch in het voordeel van B uitpakt, indien C op 12 maart de koopsom van acht euro in een plastic zakje in het midden van de eettafel zou hebben gelegd met de mededeling aan iedereen dat dit geld bestemd is voor de op 15 maart te verrichten transactie met B, dat C het geld in het zakje daarom niet zal uitgeven aan anderen en dat schuldeisers gedurende de komende paar dagen het geld niet kunnen gebruiken als verhaalsobject, en bovendien het zakje zou hebben voorzien van een gelijkluidend briefje. Het probleem met betrekking tot de publiciteit (de kenbaarheid van C’s voornemen voor D) is dan vermeden. Een dergelijke wens is bovendien wellicht volgens de inwoners van woonkamerland begrijpelijk, met het oog op het reeds genoemde vertrouwen in het systeem (het kunnen verrichten van transacties zonder het prestatierisico te lopen). Echter, deze handelwijze hoeft waarschijnlijk niet op veel sympathie van B en C’s landgenoten te rekenen, indien C een zakje met 8 euro op tafel legt met de mededeling dat hij dit geld wenst te gebruiken voor het betalen van een fiets over tien jaar. In dat geval zullen de landgenoten vermoedelijk menen dat het nogal onzinnig is om 8% van het totaal aanwezige (contante) geld gedurende tien jaar buiten het handelsverkeer te plaatsen. In het bijzonder D zal deze situatie niet bekoren – zijn verhaalsmogelijkheden ten aanzien van C’s geld zijn gehalveerd, en de fiets die in de plaats van het geld dient te treden (en dus beschikbaar wordt als verhaalsobject) verwerft C pas over tien jaar. Ergens tussen drie dagen en tien jaar bevindt zich het omslagpunt, maar waar precies? En, belangrijker; welke omstandigheden zijn relevant voor beantwoording van deze vraag?