Platformisering, algoritmisering en sociale bescherming
Einde inhoudsopgave
Platformisering, algoritmisering en sociale bescherming (MSR nr. 78) 2021/2.8:2.8 Conclusies
Platformisering, algoritmisering en sociale bescherming (MSR nr. 78) 2021/2.8
2.8 Conclusies
Documentgegevens:
Robert Knegt, datum 01-05-2021
- Datum
01-05-2021
- Auteur
Robert Knegt
- JCDI
JCDI:ADS288403:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Algemeen
Sociale zekerheid algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zo kan een via het platform Mechanical Turk geleverd product door de opdrachtgever worden afgekeurd (en niet betaald), maar niettemin behouden; zie McInnis e.a. 2016.
Rose 1998, p. 33, 157.
Gardner2018,p. 43.
Zie onder meer: www.broodfonds.nl.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In dit hoofdstuk kwam de vraag aan de orde welke vroegere vormen van werk vergelijkbaar zijn met platformwerk en met nieuwe mechanismen van de toedeling van werk. Kunnen we van de inkadering van vormen van werk toen iets leren voor de kaders die nodig zouden kunnen zijn voor de nieuwe vormen van nu? Voor die vergelijking dienden zich vijf thema’s aan.
Op het thema van de tijd-ruimtelijke organisatie van de arbeid stelden we vast dat kluswerk bijna van alle tijden is en vaak in een combinatie met andere typen werk deel uitmaakte van de inkomensbronnen van huishoudens. Tegenwoordig wordt kluswerk vaak gecontrasteerd met het regime van het ‘vaste contract’, maar dat laatste is alleen dominant geweest in een korte, recente periode (een intermezzo?) waarin de industriële logica in combinatie met politieke en demografische factoren leidde tot relatief bestendige vormen van arbeid in loondienst, gekoppeld aan een hoge mate van bescherming van werkers tegen risico’s van de arbeid.
Ook in vroegere tijden leidden fluctuaties in de vraag tot meer of minder georganiseerde vormen van flexwerk, naast de meer bestendige typen van werk. De situatie in de steden van de 16e tot de 18e eeuw zou in die zin al anachronistisch als een ‘duale arbeidsmarkt’ kunnen worden getypeerd. Dagloners verzamelden zich ’s ochtends op vaste plekken, verdeeld naar de soort arbeid, in de publieke ruimte van de stad, in de hoop voor een klus te worden geronseld. Die publieke ruimte bood ook tot op zekere hoogte zekerheid, onder meer van een vaste beloning per dag. Dit in tegenstelling tot de huidige platforms, die een private, gecommercialiseerde ruimte vormen, vrijwel zonder cultuur of moraal, waarin men zich kan laten ronselen, maar waar de marktmachtsverhoudingen zodanig zijn dat een adequate tegenprestatie voor werk niet altijd is gegarandeerd.1
Op het tweede thema, de identiteit en sociale positie van werkers, kan de ‘vrijheid’ die aan de huidige gig worker wordt toegeschreven, worden gecontrasteerd met de ‘vrijheid’ van werkers in de 16e-18e eeuw. Toen gold als ‘vrij’ wie zich opgenomen wist in een relatief autonome gemeenschap, als lid van een gilde of burger van een stad. Gildelid zijn vormde een identiteit in de stad, verbonden met status en collectieve eer, bracht doorgaans een heel scala aan activiteiten mee, religieus zowel als sociaal, en impliceerde rechten en verplichtingen rond voorzieningen met betrekking tot gezondheids- en werkloosheidsrisico’s. Als ‘onvrij’ gold wie dat gereguleerde kader moest ontberen, zoals de dagloner. De rechtsorde waarin men opereerde en waarvan de gilden deel uitmaakten, werd door werkers veel meer dan tegenwoordig als een ‘eigen’ orde beleefd.
Een vergelijking met tegenwoordig is confronterend: nu staat ‘vrij’ eerder voor ‘niet door regels gebonden’ en verwijst het naar de individuele formele contractsvrijheid eerder dan naar de voordelen van collectieve inbedding zoals die drie eeuwen geleden door werkers werden ervaren. In vergelijking daarmee is de gig worker van nu een uitgeklede, louter economische actor binnen een kader dat zich onttrekt aan burgerschap (met zijn elementen van gelijkheid en zelfbepaling) en geheel commercieel is geworden. Als een 17e-eeuwse zakkendrager dit zou kunnen zien, zou hij gig work oneervol vinden en verontwaardigd zijn over het ontbreken van (collectieve) zeggenschap over de wijze van verdeling van werk en over het ontbreken van bestaanszekerheid.
Maar de mens van nu is niet meer de mens van de 17e eeuw. Het recht van moderne, liberaal-democratische maatschappijen definieert burgers als primair voor zichzelf verantwoordelijke subjecten en die definitie structureert mede onze ervaringen.2 Het recht is niet alleen maar een manier van kijken naar ‘echte’ verhoudingen, ‘it helps to reconstitute the social world as it represents it’.3 Technologische ontwikkelingen dragen bij aan veranderingen in handelingspatronen en daarmee in hoe we onszelf ervaren. Daarmee zullen we rekening moeten houden als we nadenken over regulerend ingrijpen in de verhoudingen die door platformwerk worden gegenereerd.
Ook de allocatie van werk, het derde thema, is voor de gig worker gecommercialiseerd. Algoritmes worden door platforms en organisaties gepresenteerd als een technologie met de aanspraak efficiënt te zijn en te kunnen differentiëren naar klantwensen en naar wensen en prestaties van de werker. Een algoritme is in beginsel een structuur van objectieve regels, maar de strekking van die regels wordt, net als bij het 19e-eeuwse bedrijfsreglement, eenzijdig door de private eigenaar van het platform bepaald, waarbij bovendien psychologische beïnvloeding strategisch kan worden ingezet (gamification).
De formele verdelingsmechanismen van de 17e en de 18e eeuw hebben met de algoritmes van nu hun formele, in beginsel neutrale en objectieve karakter gemeen, maar een vergelijking laat ook belangrijke verschillen zien. Toen was de context die van de stad die weliswaar veelal verweven was in internationale handelsnetwerken en daarin concurreerde met andere steden, maar met behulp van de vele gemeenschappen waaruit zij was opgebouwd haar interne verhoudingen relatief zelfstandig kon organiseren. Nu is de context die van een internationale economie waarin de rol van besloten geografisch-politieke eenheden geringer, de private ruimte van het internet wereldomspannend, en commerciële relaties dominant zijn geworden. Toen vormden de organisatie van de markt en van de openbare verdeling van diensten een garantie voor transparantie, nu domineert de markt alles en maken algoritmes haar deels ondoorzichtig. Een vergelijking met de stad van toen suggereert een verval van overstijgende principes die tegenstellingen in de samenleving kunnen overbruggen (in de zin van Boltanski & Thévenot), met name doordat burgerschap in nieuwe arbeidsverhoudingen nauwelijks meer een rol lijkt te spelen. Zou er reden kunnen zijn met een nieuwe notie van ‘internetburgerschap’ in die leemte te voorzien? Naarmate het publieke karakter van de door het internet gecreëerde platformruimte wordt erkend, zal ook met juridische middelen kunnen worden voorzien in basisgaranties voor wie zich op een platform begeeft, zowel ter compensatie van machtsongelijkheid als om te voorzien in medezeggenschap over de structuur van het platform en de algoritmes die het hanteert.
Het vierde thema, de autonomie van werkers, is niet alleen voor de werkbeleving van belang, maar is bijvoorbeeld ook een vast aandachtspunt in onderzoek naar werkdruk en gezondheid. In het verleden kwam het pregnant naar voren in de eeuwenlange strijd die tot op het einde van de 19e eeuw is gevoerd tussen ambachtslieden die een ambachtelijke rechtsorde koesterden, en kooplieden die de noties van een commerciële, privaatrechtelijke rechtsorde hanteerden om die ambachtslieden in het gareel te krijgen. Het moment van levering van een product bleek toen, en blijkt ook nu vaak, een heikel moment te zijn, waarop de zeggenschap over het product tussen opdrachtgever en producent wordt betwist.
Als producenten de overheid om bescherming vroegen, was het in het verleden niet zo dat hun juridische zelfstandigheid bij voorbaat een reden was om niet in te grijpen. Zo werd bijvoorbeeld in het Verlag-systeem ook voor formeel zelfstandige werkers een opzegtermijn van kracht. Soms werd aan thuiswerkers door de wetgever een aparte juridische status toegekend. Onder het neoliberale EU-regime zijn mededingingsregels zo dominant geworden dat een strikte opvatting van zelfstandigheid tegenwoordig een sterke belemmering vormt voor collectieve voorzieningen in risico’s van zelfstandige werkers.
Ten slotte werd de bestaanszekerheid van werkers, het vijfde thema, geruime tijd als een typisch collectieve kwestie ervaren. Al sinds de Middeleeuwen werden daar in communaal verband voorzieningen voor getroffen, die zowel zelfstandige ambachtslieden als hun loontrekkende gezellen bescherming boden. Onder invloed van de vorming van natiestaten met een liberale economische politiek werden deze voorzieningen begin 19e eeuw tenietgedaan. Eind 19e eeuw kwamen nieuwe initiatieven tot collectieve bescherming tot stand, eerst opnieuw beroepsgebonden, vervolgens breder, geïnitieerd door vakbonden en ten slotte overgenomen in statelijke regelgeving die hoofdzakelijk loontrekkenden garanties biedt tegen risico’s. Sinds politici in het begin van de jaren tachtig neoliberale ideeën zijn gaan omarmen, is de tendens ook op dit terrein naar verdere individualisering. Zo is een situatie ontstaan waarin wordt teruggegrepen op middeleeuwse modellen: zelfstandigen creëren tegenwoordig opnieuw zelf zekerheidsvoorzieningen in de vorm van ‘broodfondsen’.4
In de 16e en de 17e eeuw bood de rechtsorde van de stad dus een stevig normatief kader voor arbeidsverhoudingen, vooral voor de ruime ‘bovenkant’ van de ambachtslui, in mindere mate voor de ‘onderkant’ van de dagloners. Het wegvallen van deze lokale contexten met een eigen rechtsorde en moraliteit lijkt een belangrijk verschil te maken tussen verdelingsmechanismen toen en nu. De verandering van een publieke ruimte naar de private ruimte van platforms heeft geleid tot een dominantie van commerciële belangen bij de inrichting van die ruimte – een ruimte die openbaar toegankelijk is, maar toch aan de private sfeer is toegewezen, en waarin participanten, ook als ze er in zekere zin op aangewezen zijn, geen (mede)zeggenschap hebben over de inrichting van de ruimte. Ten opzichte van toen blijkt een herschikking te hebben plaatsgehad van de normatieve ordes die we, aan de hand van Boltanski & Thévenot, in paragraaf 2.2 introduceerden. In het verleden vormde ‘burgerschap’, met haar elementen van gelijkheid en het collectief bepalen van het juridisch kader, de hoeksteen van een regime dat een combinatie met ‘markt’ en ‘efficiëntie’ wist te realiseren dat een basis bood voor een in beginsel rechtvaardige verdeling van kansen op arbeid en inkomen. Nu echter is de waagdrager, die ooit met zijn blauwe hoed eervol participeerde in de publieke ruimte, gereduceerd tot een geïndividualiseerde marktparticipant, fietsend met een doosje van het platform op zijn rug. Wat uit een vergelijking met het verleden het meest pregnant naar voren komt, is dat een notie en praktijk van burgerschap, die tegenwicht kunnen bieden aan de ongebreidelde dominantie van marktprincipes en commerciële efficiëntie in platformarbeid, nu node worden gemist.