Platformisering, algoritmisering en sociale bescherming
Einde inhoudsopgave
Platformisering, algoritmisering en sociale bescherming (MSR nr. 78) 2021/2.7:2.7 Bestaanszekerheid van werkers
Platformisering, algoritmisering en sociale bescherming (MSR nr. 78) 2021/2.7
2.7 Bestaanszekerheid van werkers
Documentgegevens:
Robert Knegt, datum 01-05-2021
- Datum
01-05-2021
- Auteur
Robert Knegt
- JCDI
JCDI:ADS288480:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Algemeen
Sociale zekerheid algemeen (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een van de kwesties die rijzen als het gaat om de vermeende zelfstandigheid van gig workers is hoe zij kunnen voorzien in hun bestaan als er geen klussen zijn of als zij niet langer in staat zijn tot werken. Lange tijd werd dit gezien als een belangrijke kwestie die om collectieve regelingen vroeg. We zagen hierboven (onder 5) al dat de gilden bewaakten dat het aantal ambachtslieden niet te groot of te klein werd en dat zij een belangrijke rol speelden in de voorziening van vervangend inkomen van zieke en oude ambachtslui en, na hun overlijden, van weduwen. Die voorziening was een kwestie van solidariteit maar ook verbonden met de eer van het ambacht: het werd als een aantasting van de collectieve reputatie ervaren als een lid aangewezen zou zijn op de stedelijke armvoorziening. Zelfs de dragers, die onder tijdgenoten niet bepaald om hun verfijnde zeden bekend stonden, vingen binnen het kleine verband van de ‘vemen’ solidair het risico van arbeidsongeschiktheid op. Niet altijd lukte het dat streven te realiseren: de in de ‘bussen’ verzamelde fondsen bleken al gauw ontoereikend als meerdere leden tegelijk door ziektes werden getroffen.1 Ook als de gezellen zich apart organiseerden, was dat rond ‘bussen’ die in het opvangen van de risico’s van het niet kunnen werken moesten voorzien. De afschaffing van de gilden maakte geen eind aan hun bussen, sommigen hebben tot 1962 voortbestaan.2
Het aandeel van de stedelijke bevolking dat via deze ‘bussen’ was verzekerd, verschilde per stad naar het aantal werkers dat onder een gilderegiem viel. Een telling leverde voor de Noordelijke Nederlanden een totaal van ruim 450 beroepsgebonden bussen op.3 In Amsterdam, bijvoorbeeld, was zo meer dan een kwart van de arbeidende bevolking verzekerd. De afschaffing van de gilden betekende het einde van de verplichte deelname en daarmee van de levensvatbaarheid van de beroepsgebonden fondsen. Maar in 1837 deden in Amsterdam 27 van de vroegere 42 gildefondsen nog steeds betalingen aan verwanten van oud-leden.4 In de ontstane leemte werd deels voorzien door particuliere verzekeringen.
Pas na het midden van de 19e eeuw kwamen nieuwe fondsen op, beroepsgebonden of geïnitieerd door vakbonden. Geleidelijk accepteerde de nationale staat de noodzaak van regulerend optreden en van collectieve arrangementen. Mede door die verandering kwam een historisch compromis tot stand rond het zijn invloed uitbreidende arbeidscontract, dat aldus geïnterpreteerd kan worden: loonafhankelijke werkers accepteerden (als ‘werknemers’) de zeggenschap van ondernemers over de productie, en hun ondergeschiktheid aan het gezag die door industriële logica werd vereist, in ruil voor garanties die ondernemingen (als ‘werkgevers’) samen met de staat boden met betrekking tot condities en risico’s verbonden met hun loonafhankelijke arbeid. In termen van Boltanski & Thévenot werd daarmee de vorm van het op burgerschap gebaseerde arbeidscontract gevuld met een sterk huishoudelijke (hiërarchie, bescherming van kwetsbare ondergeschikten) inhoud. Zo gingen, bij de opbouw van de verzorgingsstaat na de Tweede Wereldoorlog, ‘werknemers’ ook scherper contrasteren met ‘zelfstandigen’ die alleen onder enkele volksverzekeringen vielen, maar verder geacht werden hun risico’s zelf te dragen. Een interessant recent verschijnsel is dat zelfstandigen, met name om de gevolgen van tijdelijke arbeidsongeschiktheid te kunnen compenseren, zich collectief organiseren in ‘broodfondsen’ en daarmee in feite teruggrijpen op middeleeuwse modellen van collectivisering.