Hof 's-Hertogenbosch, 07-03-2023, nr. 200.271.374, 01
ECLI:NL:GHSHE:2023:746
- Instantie
Hof 's-Hertogenbosch
- Datum
07-03-2023
- Zaaknummer
200.271.374_01
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHSHE:2023:746, Uitspraak, Hof 's-Hertogenbosch, 07‑03‑2023; (Hoger beroep)
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2019:6805
ECLI:NL:GHSHE:2022:1016, Uitspraak, Hof 's-Hertogenbosch, 29‑03‑2022; (Hoger beroep)
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2019:6805
Uitspraak 07‑03‑2023
Inhoudsindicatie
Vervolg arrest van 29 maart 2022. Oorzaak verzakking woonwagen op de rand van een talud. Oorzaak instabiliteit talud? Waardering deskundigenbewijs. Heeft de gemeente een zorgplicht geschonden door een standplaats aan te wijzen gelet op de korte afstand tot het talud?
Partij(en)
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.271.374
arrest van 7 maart 2023
in de zaak van
[appellante] ,
wonende te [woonplaats] ,
appellante,
in eerste aanleg eiseres,
hierna aan te duiden als [appellante] ,
advocaat: mr. M.M.F. Starmans,
tegen
Gemeente Stein,
zetelend te Stein,
geïntimeerde,
in eerste aanleg: gedaagde,
hierna aan te duiden als de gemeente,
advocaat: mr. J.L.M. Martens.
als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 21 juni 2022 in het hoger beroep van het door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, op 24 juli 2019 tussen [appellante] en de gemeente onder zaaknummer C/03/248812/HA ZA 18-191 gewezen vonnis.
1. Het verdere verloop van het geding
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
het tussenarrest van 21 juni 2022;
- -
het rapport van de deskundige van 28 oktober 2022;
- -
de memorie na deskundigenbericht van [appellante] ;
- -
de antwoordmemorie na deskundigenbericht van de gemeente.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
3. De verdere beoordeling
3.1.
Bij tussenarrest van 21 juni 2022 heeft het hof tot deskundige benoemd [de deskundige] , projectleider/bodemadviseur bij [de B.V.] te [plaats] ter beantwoording van de volgende vragen:
1. Is het naast het perceel van [appellante] gelegen talud instabiel? Zo ja, wat is daarvan de oorzaak?
2. Bij bevestigende beantwoording van vraag 1: is die instabiliteit (mede) de oorzaak van de
vastgestelde verzakkingen van het perceel van [appellante] ? Zo ja, in welke mate? Welke andere
oorza(a)k(en) ziet u? Kunt u uw antwoord motiveren?
3. Bestaat het risico van verdere verzakkingen in de toekomst? Kunt u uw antwoord motiveren?
4. In hoeverre hebben de aanwezigheid van de woonwagen van [appellante] , het terras en de keermuur een rol gespeeld bij de vastgestelde verzakkingen? Kunt u uw antwoord motiveren?
5. Welke redelijke maatregelen zouden moeten worden genomen om de verzakkingen te verhelpen en wat zijn de daarmee gemoeide kosten?
6. Is de scheurvorming in de woonwagen van [appellante] veroorzaakt door zettingen en
zettingsverschillen of is daarvoor een andere oorzaak aan te wijzen en zo ja: welke? Als de
scheurvorming is veroorzaakt door zettingen en zettingsverschillen: hoe had de scheurvorming voorkomen kunnen worden?
3.2.
Op de eerste vraag heeft de deskundige als volgt geantwoord:
“In het niet. Omdat er, met een gemeten helling van 30°, sprake is van een (quasi) natuurlijk
evenwicht moet het lokaal bezwijken van het talud wel door iets anders veroorzaakt zijn.
De ondergrond is onregelmatig gelaagd en bestaat uit afwisselende lagen van klei! leem op zand en grind.”
Omdat de opmerking “In het niet” niet duidelijk is, heeft de advocaat van de gemeente de deskundige op 5 januari 2023 een e-mail gestuurd met de vraag om uitsluitsel te geven over de betekenis daarvan. Deze e-mail is in cc aan de advocaat van [appellante] gestuurd en bevindt zich als productie 23 bij de stukken van de gemeente. De deskundige heeft daarop het hof als volgt geantwoord:
“(…) In ons definitief deskundigenbericht (…) staat op pagina 17 bij de beantwoording van de door het hof gestelde vraag onder 1: “In het niet”. Dit is inderdaad een type-fout, het antwoord zou moeten luiden “in se niet”. (…)”.
Door de administratie van het hof is dit bericht op 13 januari 2023 aan de advocaten van de gemeente en [appellante] gestuurd met de mededeling dat dit bericht bij het deskundigenbericht wordt gevoegd. Dat bericht maakt dit deel uit van productie 23 van de gemeente.
3.3
Gelet hierop gaat het hof er vanuit dat naar het oordeel van de deskundige het talud in zichzelf niet instabiel is, maar dat het lokaal bezwijken daarvan een andere oorzaak moet hebben. Welke oorzaak dat is, volgt uit de beantwoording door de deskundige van vraag 4:
“Door de plaats van de woonwagen en het terras nagenoeg op de rand ontstaat een verhoging van de schuifspanningen in het grondlichaam. Door langzaam uitzakken (kruip) van het talud neemt de schuifvastheid snel af. Voordat afschuiving plaatsvindt, ontstaan aan de bovenzijde in de nabijheid van het talud trekscheuren. Via deze scheuren ontstaan gebogen glijvlakken. De kracht die de afschuiving doet ontstaan, is het gewicht van de afgeschoven massa. De krachten die aan dit geweld weerstand bieden zijn de wrijving en de cohesie die in het glijvlak worden gemobiliseerd.”
De vraag (6) of de scheurvorming in de woonwagen van [appellante] is veroorzaakt door zettingen en zettingsverschillen heeft de deskundige bevestigend beantwoord:
“Scheurvorming wordt effectief veroorzaakt door zettingen en met
name de zettingsverschillen. De standplaats is gelegen bovenop een talud (deels zelfs op de
rand). De fundering bestaat ons inziens uit stroken en/of poeren. De standplaats is lokaal verzakt waardoor diverse schades konden optreden. Een andere funderingswijze, meer afstand tot het talud en een betere drainage had die schades kunnen minimaliseren.”
Op de vraag (5) welke redelijke maatregelen zijn te treffen heeft de deskundige geantwoord:
“De combinatie van de zeer korte afstand van de woonwagen tot het talud en de aanwezige grondslag is het de beste optie om de woonwagen op een ruimere afstand van het talud te plaatsen. Om eventuele verdere verzakkingen en verschilzakkingen tot een minimum te beperken is een deugdelijke fundering, bijvoorbeeld op een hooggelegen constructieve betonnen plaat, opportuun. Vanzelfsprekend dient de waterhuishouding daarbij ook geoptimaliseerd.”
3.4
Hieruit volgt dat de omstandigheid dat de woonwagen en het terras van [appellante] zich bevinden op de rand van het talud leidt tot verhoging van ‘schuifspanningen’ in de grond, dat het talud ‘uitzakt’ en dat zogenaamde trekscheuren ontstaan. Het hof maakt daaruit op dat in de opvatting van de deskundige het feit dat de woonwagen en het terras zich pal op de rand van het talud bevinden een belangrijke oorzaak is van de verzakkingen en (vraag 6) van de aan de woonwagen van [appellante] ontstane scheurvorming. Om dat tegen te gaan adviseert de deskundige (vraag 5) verplaatsing van de woonwagen op ruimere afstand van het talud en het aanbrengen van een deugdelijke fundering.
3.5
Door partijen zijn in hun respectieve memories na deskundigenbericht geen inhoudelijke bezwaren aangevoerd tegen het rapport van de deskundige. Het hof acht de beantwoording van de gestelde vragen en de gronden waarop dit berust voldoende duidelijk, en het sluit zich daarom aan bij het oordeel van de deskundigen. Daaruit volgt dat in deze procedure niet is komen vast te staan dat op de gemeente wat betreft het talud een rechtsplicht rustte om te handelen en dat zij daarin nalatig is gebleven jegens [appellante] .
3.6
[appellante] voert aan het slot van haar memorie na deskundigenbericht aan dat naar haar oordeel de standplaats daar nooit gesitueerd had moeten te worden, zulks gelet op de zeer korte afstand tot het talud. Dit verwijt valt binnen het door de grieven III tot en met VII ontsloten gebied. In de toelichting op grief VII wordt immers al betoogd dat op de betreffende plaats eigenlijk geen standplaats gesitueerd had mogen worden, zonder dat een zorgvuldig handelende overheid een damwand had geplaatst dan wel andere maatregelen zou hebben getroffen. Het hof stelt voorop dat ook voor dit verwijt geldt dat de stelplicht en bewijslast op [appellante] rusten en oordeelt als volgt.
3.7
Zoals vastgesteld in het tussenarrest van 29 maart 2022 (rov. 2.1) heeft [appellante] in 1990 een grotere woonwagen gekocht, en zonder vergunning aan de woonwagen een overkapping, een luifel/afdak en een terras met keermuur tot aan de rand van het talud aangelegd. Nadat in 2003 bleek van grondverzakkingen op de standplaats heeft [appellante] na sommatie door de gemeente de illegaal aangebrachte overkapping en het terras verwijderd, om vervolgens in 2004 wederom verbouwingen aan de woonwagen te verrichten waaronder vergroting van de kap. Op basis van de foto’s bij en de tekst van het rapport van deskundigen stelt het hof vast dat dit terras nog steeds pal op de rand van het talud is gelegen. Hoewel [appellante] vanaf 2003 dus op de hoogte was van grondverzakkingen op de standplaats waarop de woonwagen stond en waarop door haar zonder vergunning een luifel, terras en een keermuur tot aan het talud waren aangelegd, die zij vervolgens na sommatie heeft verwijderd, heeft zij in 2004 opnieuw verbouwingen aan de woonwagen verricht waaronder een vergroting van de kap richting het talud. Zij heeft vervolgens de standplaats in 2007 gekocht waarna in 2014 opnieuw scheurvorming in de woonwagen is ontdekt. Gelet daarop valt zonder nadere uitleg – die ontbreekt – niet in te zien dat op de gemeente een (zorg)plicht rustte om op de betreffende plaats geen standplaats te situeren zonder maatregelen te treffen en dat, nu zij dat niet heeft gedaan, de gemeente onrechtmatig heeft gehandeld jegens [appellante] . Het is immers [appellante] zelf geweest die, in de wetenschap dat zich ter plekke van het talud grenzend aan de standplaats eerder grondverzakkingen hadden voorgedaan (2003) nadat zij daar richting het talud zonder vergunning een luifel/afdak en een terras met keermuur had aangebracht, in 2004 opnieuw op dezelfde standplaats verbouwingen heeft verricht en deze standplaats in 2007 van de gemeente heeft gekocht. Daarmee heeft zij het risico genomen dat zich ter plekke op enig moment wederom verzakkingen zouden gaan voordoen, welk risico zich heeft gerealiseerd.
3.8
De conclusie moet zijn dat de grieven falen zodat het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. Als de in het ongelijk gestelde partij dient [appellante] te worden veroordeeld in de kosten de van het hoger beroep, het voorlopig in debet gestelde loon van de deskundige ad € 4.277,35 daaronder begrepen, op de voet van art. 244 Rv te voldoen aan de griffier.
4. De uitspraak
Het hof:
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 24 juli 2019;
veroordeelt [appellante] in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van de gemeente begroot op € 741 voor vastrecht en op € 1.671 (1,5 punt tarief II) voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief;
veroordeelt [appellante] in de kosten van het loon van de deskundige van € 4.277,35, op de voet van art. 244 Rv te voldoen aan de griffier van het hof;
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af wat meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. R.A. van der Pol, O.G.H. Milar en J.N. de Blécourt en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 7 maart 2023.
griffier rolraadsheer
Uitspraak 29‑03‑2022
Inhoudsindicatie
Verzakkingen van een perceel waarop zich een woonwagen bevindt. Daardoor zijn scheuren in de woonwagen ontstaan. Is de gemeente aansprakelijk als eigenaar van het naastgelegen talud op grond van onrechtmatig nalaten maatregelen te treffen? Hof: aan de vraag of de gemeente maatregelen had moeten treffen gaat vooraf de vraag of op de gemeente een rechtsplicht rust. Dat zou het geval kunnen zijn als komt vast te staan dat het perceel waarop zich de woonwagen bevindt verzakt (alleen) als gevolg van zwakte c.q. instabiliteit van het naastgelegen, stijl aflopende, talud dat eigendom is van de gemeente. Het hof acht nader deskundigenonderzoek nodig.
Partij(en)
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.271.374_01
arrest van 29 maart 2022
in de zaak van
[appellante] ,
wonende te [woonplaats] ,
appellante,
in eerste aanleg: eiseres,
hierna aan te duiden als [appellante],
advocaat mr. M.M.F. Starmans,
tegen:
Gemeente Stein,
zetelend te Stein,
geïntimeerde,
in eerste aanleg: gedaagde,
hierna aan te duiden als de gemeente,
advocaat mr. J.F.E. Kikken.
als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 18 februari 2020 in het hoger beroep van het door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, op 24 juli 2019 tussen [appellante] en de gemeente onder zaaknummer C/03/248812/HA ZA 18-191 gewezen vonnis.
1. Het verdere verloop van het geding
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenarrest van 18 februari 2020;
- het proces-verbaal van mondelinge behandeling na aanbrengen van 9 september 2020;
- het proces-verbaal van voortzetting mondelinge behandeling na aanbrengen van 10 februari 2021;
- de memorie van grieven, met producties;
- de memorie van antwoord, met productie.
Vervolgens is arrest bepaald.
2. De verdere beoordeling
waarover gaat deze zaak?
2.1
Sedert ongeveer 1984 woont [appellante] op het woonwagenkamp in [standplaats] op het adres [adres 1] . Zij huurde aanvankelijk een woonwagen van de gemeente, en heeft die in 1990 vervangen door een grotere woonwagen die haar eigendom is. Zij heeft vervolgens zonder vergunning aan de woonwagen een overkapping en een luifel/afdak aangebouwd en een terras met keermuur aangelegd tot op de rand van het naastgelegen talud. In 2003 bleek dat sprake was van grondverzakkingen op de standplaats van [appellante] . De gemeente heeft daarnaar onderzoek laten verrichten, zowel intern als door CONEX. Naar aanleiding daarvan heeft de gemeente [appellante] gesommeerd om de zonder vergunning aangebrachte keermuur en overkapping te verwijderen. Overkapping en terras zijn daadwerkelijk verwijderd. Omstreeks 2004 heeft [appellante] opnieuw verbouwingen aan haar woonwagen verricht, waaronder een vergroting van de kap. Op 29 juni 2007 heeft [appellante] de standplaats van de gemeente gekocht, en deze is op 13 juli 2007 aan haar in eigendom overgedragen. In 2014 ontdekte [appellante] scheurvorming in haar woonwagen. Direct naast de woonwagen (met terras en luifel) bevindt zich het fors aflopend talud dat eigendom is van de gemeente. Volgens het rapport van Geonius van 20 oktober 2014 (prod. 2 bij de inleidende dagvaarding) bedraagt de hoogte van het talud naar schatting ca. 6,0 à 8,0 m. In opdracht van de gemeente is door Geonius geotechnisch onderzoek ingesteld en is een renovatieadvies uitgebracht.
2.2
[appellante] heeft in eerste aanleg gevorderd dat voor recht wordt verklaard dat de gemeente aansprakelijk is op grond van onrechtmatige daad en/of toerekenbare tekortkoming voor de schade die zij lijdt en nog zal lijden als gevolg van de verzakking van de standplaats/woonwagen en scheurvorming en lekkages. Daarnaast heeft zij gevorderd dat de gemeente wordt veroordeeld tot het aanbrengen van een zogenaamde damwand ter hoogte van het steil aflopend talud zoals vermeld in het rapport van Uretek van 4 augustus 2017 en voorts tot vergoeding van schade op te maken bij staat. Volgens [appellante] is de schade aan haar woonwagen het gevolg van verzakkingen, die zij wijt aan het sterk aflopende talud dat eigendom is van de gemeente. Zij vindt dat de gemeente onrechtmatig handelt (artikel 6:162) BW omdat zij nalaat actie te ondernemen die de verzakking en scheurvorming kan verhelpen. Daarnaast handelt de gemeente in strijd met het vertrouwensbeginsel omdat [appellante] er op basis van diverse onderzoeken en gesprekken op mocht vertrouwen dat door de gemeente maatregelen zouden worden getroffen die de verzakking en scheurvorming zouden kunnen verhelpen.
2.3
De rechtbank heeft de vorderingen van [appellante] afgewezen. Daartegen heeft [appellante] onder aanvoering van tien grieven hoger beroep ingesteld. Zij vordert dat het hof een deskundige benoemt die onderzoek doet naar de stabiliteit van het talud, voorts vernietiging van het bestreden vonnis, alsnog toewijzing van haar vorderingen en veroordeling van de gemeente in de kosten van beide instanties.
het oordeel van het hof
2.4
Met de grieven I en II maakt [appellante] bezwaar tegen de door rechtbank onder 2.1 en 2.9 van het bestreden vonnis vastgestelde feiten. Nu het hof met dat bezwaar heeft rekening gehouden in de samenvatting van de zaak (rov. 2.1) bestaat bij deze grieven geen belang.
2.5
De grieven III tot en met VII stellen in de kern de vraag aan de orde of de gemeente onrechtmatig handelt door na te laten maatregelen te nemen tegen de verzakkingen en scheurvorming die zich voordoen op het perceel van [appellante] , dat sedert 2007 bij haar in eigendom is en waarop zich haar woonwagen bevindt. [appellante] wijt de oorzaak van die verzakkingen en scheurvorming aan haar woonwagen aan instabiliteit van het talud dat zich direct naast de woonwagen met terras en luifel van [appellante] bevindt en dat eigendom is van de gemeente. De gemeente betwist dat de verzakkingen op het perceel – de standplaats – van [appellante] veroorzaakt worden door zwakte in het talud. Volgens de gemeente is de oorzaak van de verzakkingen gelegen in de wijze waarop [appellante] op haar standplaats heeft gebouwd (memorie van antwoord onder 22, 25-26, 56). De gemeente kan ook niet worden verweten dat zij geen actie heeft onderneemt, gelet op de in haar opdracht uitgebrachte rapporten van onder meer CONEX, Geonius en Uretek, en de met [appellante] gevoerde gesprekken, aldus de gemeente. Het hof oordeelt als volgt.
2.6
Aan de vraag of de gemeente onrechtmatig nalatig is jegens [appellante] gaat vooraf de vraag of op de gemeente, als eigenaar van het talud dat zich pal naast de woonwagen bevindt, rechtens een verplichting rust om te handelen en zo ja wat de omvang van die verplichting is, alvorens kan worden vastgesteld of die verplichting is geschonden. Dat zou het geval kunnen zijn als komt vast te staan dat het perceel van [appellante] waarop zich haar woonwagen bevindt verzakt (alleen) als gevolg van zwakte c.q. instabiliteit van het naastgelegen, stijl aflopende, talud dat eigendom is van de gemeente. Op [appellante] rust de stelplicht (en de bewijslast) van die rechtsplicht constituerende feiten en omstandigheden. Uit de stukken blijkt, voor zover van belang met betrekking tot het talud het volgende.
2.7
In opdracht van de gemeente heeft CONEX in 2003 geotechnisch onderzoek gedaan ter plaatse van [adres 1]. De standplaats werd door [appellante] toen nog gehuurd van de gemeente. In het rapport van CONEX van 20 mei 2003 (prod. 3 conclusie van antwoord) is onder meer het volgende te lezen:
“Onderhavig onderzoek heeft inzicht gegeven in de bodemgesteldheid ter plaatse van de woonwagenlocatie aan de [adres 1] te [standplaats]. Zoals blijkt uit paragraaf 4.1 [en uit de sondeergrafieken] hebben wij te maken met een gelaagde bodemopbouw, bestaande uit afwisselend leem en zand. Dit hoeft op zich zelf geen problemen op te leveren voor de draagkracht van de grond [zie voorafgaande paragraaf]. Edoch direct naast onderhavige locatie bevindt zich een behoorlijke depressie [maaiveldhoogteverschil van meer dan 4 meter]. Daarbij komt dat de woonwagen en het terras met muurtjes op de rand van het talud staan, dit talud nogal een steile helling kent, er nagenoeg geen begroeiing op het talud voorkomt en het talud verzwakt is door de aanwezigheid van rattengangen oid. Eea komt de stabiliteit van het talud niet ten goede.”
In een nadere rapportage van 12 september 2003 (prod. 4 conclusie van antwoord) heeft CONEX het volgende geconcludeerd:
“Kortom de geconstateerde bodemopbouw is weliswaar heterogeen maar voldoende draagkrachtig voor de ooit beoogde functie [standplaats woonwagen]. De verzakkingen zijn veroorzaakt door het bouwen [terras met keermuur e.d.] op de rand van een [te] steil talud welk nagenoeg geen begroeiing kent en ook nog eens door rattengangen ondergraven is.”
In juli 2007 heeft [appellante] de standplaats in eigendom gekregen van de gemeente. Naar aanleiding van in 2014 ontstane klachten over scheurvorming in de caravan heeft Geonius op 20 oktober 2014 in opdracht van de gemeente een ‘rapport geotechnisch grondonderzoek en advies t.b.v. herstel verzakking bij woonwagen aan de [adres 2] te [standplaats]’ uitgebracht (productie 2 bij inleidende dagvaarding). Voor zover van belang zijn daarin de volgende conclusies te lezen:
“De dikte van geroerde, minder draagkrachtige leemlagen loopt tot ca. Ref. -4,0 m;
• Het grondonderzoek toont geen aanwijsbare plaatselijk weggespoelde grond (holle ruimte)
aan. Opgemerkt moet worden dat dit (slechts) 2 punten betreft, dus zeer lokaal;
• Bij visuele waarneming vanaf de rand van het talud zijn in juni 2014 plaatselijk wel gaten
gezien. Vanwege de slechte toegankelijkheid en begroeiing op het talud kon dit niet goed in
beeld worden gebracht;
• De grondslag in de eerste meters onder maaiveld is verwekingsgevoelig. Bij eventuele
lekkages of een slechte afvoer van regenwater kan dat een probleem vormen voor de
stabiliteit van de fundering;
• Direct naast de woonwagen (met terras en luifel) bevindt zich een fors aflopend talud. De
hoogte van het talud is naar schatting ca. 6,0 à 8,0 m. De hellingsgraad is niet bekend;
• Volgens opgave is de woonwagen gedeeltelijk onderhevig aan scheurvorming; met name
de luifel, terras en verharding aan de bovenzijde van het talud;
• De ontstane scheurvorming is naar verwachting het gevolg van zettingen en
zettingsverschillen ;
Door externe invloeden, zoals bijvoorbeeld uitspoeling bij langdurige regenval,
ondermijning door ongedierte kunnen verdergaande zettingen optreden door instabiliteit
van de geroerde leemlaag. Ook veranderende belastingen of trillingen boven en nabij het
talud kunnen leiden tot instabiliteit met zettingen of, in extreme gevallen, afschuiving van
het talud tot gevolg.”
En:
“Gezien de combinatie van de zeer korte afstand van de woonwagen (met luifel) tot het talud en
de aanwezige grondslag is het beste de woonwagen op een ruimere afstand van het talud te
herplaatsen en deugdelijk te funderen.”
Uretek heeft op 4 augustus 2017 een advies ‘Herstel van verzakte vloeren en funderingen’ uitgebracht (prod. 5 bij inleidende dagvaarding). Als ‘probleemomschrijving’ is daarin het volgende vermeld:
“De vloer van de woonwagen aan de [adres 1] te [standplaats] vertoond scheefstand en plaatselijke doorbuiging. Tevens is er op diverse plaatsen in de woonwagen scheurvorming te zien door toename van spanning op de constructie. De scheefstand veroorzaakt bij de bewoonster misselijkheid tijdens het lopen.
Gezien het schadebeeld en het gebrek hieraan bij de overige woonwagens op het terrein, is de
scheefstand waarschijnlijk het gevolg van inklinking van de ondergrond. Deze woonwagen staat
relatief dicht op het naastgelegen talud. Migratie van het grondpakket kan leiden tot deze
verzakkingen.
Volgens het hieronder genoemde rapport kunnen de zettingen ook zijn ontstaan door gangen van
ongedierte. Deze vermoedelijke oorzaak is gebaseerd op de toelichting tijdens de opname en het
rapport van Geonius van 20 oktober 2014 (…)”.
Uretek adviseert in datzelfde rapport een zogenaamde damwand te plaatsen:
“Om de migratie van het grondpakket tegen te gaan adviseren wij om een damwand te plaatsen. Hierdoor is het grondpakket opgesloten en is de verschuiving van het grondpakket tot het minimale beperkt.”
2.8
Uit deze stukken blijkt dat al in 2003 twijfel bestond over de stabiliteit van het talud (‘steile helling’ ‘geen begroeiing’ en ‘verzwakt door de aanwezigheid van rattengangen oid’ ‘bouwen (keermuur en terras)’). Blijkens het rapport van Geonius van 4 augustus 2017 zijn vanaf de rand van het talud in juni 2014 plaatselijk ‘gaten’ gezien, is de scheurvorming ‘naar verwachting’ het gevolg van ‘zettingen’ en ‘zettingsverschillen’ en kunnen door externe invloeden zoals door ondermijning door ongedierte verdergaande zettingen optreden door instabiliteit van de geroerde leemlaag. Volgens Uretek is sprake van ‘inklinking van de ondergrond’, staat de woonwagen relatief dicht op het naastgelegen talud en kan migratie van het grondpakket tot verzakkingen leiden, en kunnen de ‘zettingen’ ook zijn ontstaan door gangen van ongedierte. Om te kunnen beoordelen of, en in welke mate, sprake is van een zodanig instabiel talud dat die instabiliteit (mede) de oorzaak is van de vastgestelde verzakkingen van het perceel van [appellante] en in hoeverre de aanwezigheid van de woonwagen het terras en de keermuur daarbij een rol hebben gespeeld is nader onderzoek nodig door een deskundige. Dat geldt ook voor de vraag welke (redelijke) maatregelen in dat geval genomen zouden moeten worden om de verzakkingen te verhelpen en wat de daarmee gemoeide kosten zijn. Het hof zal de zaak naar de rol verwijzen teneinde partijen in de gelegenheid te stellen bij akte een (liefst gezamenlijk) voorstel te doen voor een te benoemen deskundige (naam, adres, e-mailadres, telefoonnummer en deskundigheid) en voor de aan de deskundige te stellen vragen. Het voorschot op de kosten van de deskundige dient, gelet op art. 195 Rv, door [appellante] te worden gedragen.
2.9
Grief VIII is gericht tegen rov. 4.12 van het bestreden vonnis. Daarin heeft de rechtbank geoordeeld:
Voor zover [appellante] stellingen zo moeten worden begrepen dat voor de gemeente bij
de legalisering van de op haar standplaats gerealiseerde werken aansprakelijkheid is
ontstaan voor door de verzakkingen en scheurvorming veroorzaakte schade, oordeelt de
rechtbank als volgt. Niet gebleken is dat bij de verlening van de omgevingsvergunning op
7 april 2011 bouwkundige berekeningen in de besluitvorming zijn betrokken, er is enkel
getoetst of het bouwplan voldoet aan de voorwaarden voor afwijking van het
bestemmingsplan. De legalisering kan dan ook geen grond zijn voor aansprakelijkheid van
de gemeente voor de in 2014 aan de standplaats en de woonwagen van [appellante] ontstane
schade.
Volgens [appellante] is dit onjuist. In haar visie is bij het verlenen van de
omgevingsvergunning niet enkel getoetst of het bouwplan voldoet aan de voorwaarden voor afwijking van het bestemmingsplan, maar zij legt in de toelichting op de grief niet uit waarom dat dan zou moeten leiden tot aansprakelijkheid van de gemeente voor door verzakkingen en scheurvorming op haar perceel veroorzaakte schade, en wat daarvan dan de grondslag is. Bij gebreke van een deugdelijke onderbouwing kan de grief niet slagen.
2.10
Met grief IX stelt [appellante] zich blijkens de toelichting daarop op het standpunt dat bij haar de gerechtvaardigde verwachting is gewekt dat de gemeente maatregelen zou nemen die de verzakking en de scheurvorming konden verhelpen, waarbij [appellante] er vanuit is gegaan dat de gemeente ook een oplossing voor de door haar geleden schade zou aandragen. Zij onderbouwt dat met een verwijzing naar de als productie 2 overgelegde schriftelijke verklaring van [persoon A] en naar de onderzoeken die de gemeente heeft laten uitvoeren. Het hof oordeelt daarover als volgt.
2.11
Alle in opdracht van de gemeente uitgevoerde onderzoeken duiden erop dat de gemeente heeft willen uitzoeken wat de oorzaak van de verzakkingen was, welke mogelijke oplossingen daarvoor bestonden en welke kosten daarmee gemoeid zouden zijn. Daarmee kan nog niet de gerechtvaardigde verwachting bij [appellante] zijn gewekt dat de gemeente ook zonder meer maatregelen zou nemen die de verzakking en de scheurvorming konden verhelpen en bovendien een oplossing voor de door haar geleden schade zou aandragen, nu uit geen van die rapporten met een voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat de oorzaak van de verzakkingen (mede) is gelegen in de instabiliteit van het talud en wat de oorzaak is van die instabiliteit. Ook de verklaring van [persoon A] kan [appellante] niet baten. Allereerst niet, omdat in de memorie van grieven niet wordt aangegeven op welke passage uit de ruim 4 pagina’s lange verklaring van [persoon A] zij het oog heeft. Voor zover het daarbij gaat om de indrukken die [persoon A] heeft gekregen van wat de (toenmalige) advocaat van [appellante] , [persoon B], hem meedeelde over diens gesprekken met de gemeente (“De gemeente was bereid om te zoeken naar oplossingen en verleende volledige medewerken hierin.”) kan haar dat evenmin baten. Uit het enkele feit dat de gemeente bereid was te zoeken naar oplossingen en medewerking verleende volgt nog niet dat de verwachting was gerechtvaardigd dat los van de vraag naar de precieze oorzaak van de verzakkingen de gemeente wel maatregelen zou nemen die de verzakking en de scheurvorming konden verhelpen èn een oplossing voor de door haar geleden schade zou aandragen.
2.12
Grief IX slaagt niet.
2.13
De zaak zal naar de rol worden verwezen tot het onder 2.8 genoemde doel. Iedere verder beslissing met betrekking tot de grieven III tot en met VII en X wordt aangehouden.
3. De beslissing
Het hof, recht doende in hoger beroep:
verwijst de zaak naar de rol van 26 april 2022 voor het nemen van een akte door beide partijen tot het onder 2.8 genoemde doel;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. R.A. van der Pol, O.G.H. Milar en J.N. de Blécourt en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 29 maart 2022.
griffier rolraadsheer